Abonneer Log in

Dat hadden we nooit moeten doen

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 70 tot 72

Als de Nederlandse PvdA in 2021 haar laatste negen zetels nog zou verliezen, dan leest u in het boek van Duco Hellema en Margriet van Lith al waarom.

Dat hadden we nooit moeten doen

Duco Hellema, Margriet van Lith
Prometheus, Amsterdam, 2020

Emeritus hoogleraar Geschiedenis Duco Hellema en speechschrijfster Margriet van Lith vertellen in Dat hadden we nooit moeten doen genuanceerd, overzichtelijk en toegankelijk hoe PvdA in de jaren 1980 haar gedachtegoed binnenstebuiten keerde om gedurende haar regeringsdeelname tussen 1989 en 2002 te besparen, flexibiliseren en privatiseren. Waar PvdA-partijleider Wim Kok als penningmeester tijdens Lubbers III (1989-1994) uitblonk in besparingen in de zorg en het onderwijs, privatiseerden Paars I (1994-1998) en Paars II (1998-2002) onder leiding van dezelfde Wim Kok alles wat los en vast zat.

Naast de ideeën en het beleid in Nederland hebben de auteurs ook aandacht voor de opkomst van het neoliberalisme en de Derde Weg in West-Europa en de Verenigde Staten. Ook de veranderingen in de partij-organisatie van PvdA worden kritisch tegen het licht gehouden. Deze heerlijk heldere en Nederlands nuchtere analyse maken ze op basis van talloze interviews, beleidsdocumenten en vooral de vele kritische rapporten van interne en externe commissies over PvdA.

Wanneer ging het mis? Al vanaf het begin van de jaren 1980 pleitten verschillende PvdA-prominenten voor een meer 'pragmatische' opstelling, besparingen in de sociale zekerheid en het terugtreden van de overheid. Partijleider Joop den Uyl hield dit potje toe, maar in 1986 nam vakbondsleider Wim Kok het roer over. Het daaropvolgende jaar verscheen op zijn vraag een rapport dat volgens Hellema en Van Lith in sommige opzichten met de neoliberale stroom mee ging. Zo stelde het bezuinigingen, afslanking van de overheid en meer deregulering voor. Over machtsverhoudingen in de economie en de rol van de vakbeweging zweeg het rapport. Vervolgens gingen nog verschillende rapporten op hetzelfde elan verder. Zo bepleitte in 1988 de adjunct-directeur van de studiedienst voorgoed afscheid te nemen van de socialistische ideologie.

Wanneer PvdA in 1989 na twaalf jaar oppositie samen met het christendemocratische CDA opnieuw in de regering komt, brengt ze deze wending in de praktijk. Tijdens deze regeringsperiode werden de lonen en uitkeringen 'gematigd' zodat de laagste-inkomensgroepen er qua besteedbaar inkomen in de loop van Lubbers III op achteruit gingen. Er volgden ook forse bezuinigingen op gezondheidszorg, welzijn en onderwijs, terwijl ze tegelijk de hoogste belastingschijf van 72% naar 60% verlaagden. Arbeidsongeschikten kregen nog slechts maximaal drie jaar een uitkering en moesten vervolgens bij de bijstand aankloppen. Tegelijk verminderde PvdA dezelfde bijstand en schoof de verantwoordelijkheid naar de gemeenten. Het sociaaldemocratische ideaal om degelijke huisvesting voor lage inkomens te voorzien, werd afgebroken. De woningbouwcorporaties werden verzelfstandigd en kregen geen subsidies meer waarna ze de huur optrokken en zich op een welvarender segment van de woningmarkt gingen richten.

Na Lubbers III viel PvdA in 1994 van 49 terug op 37 zetels. Dat hield haar niet tegen om met VVD en D66 in een nieuwe regering onder het motto 'Werk, werk, werk' vooral in te zetten op vermarkting. Met Wim Kok als minister-president werd onder andere het busvervoer geprivatiseerd. Hij bespaarde ook verder in het onderwijs: studiefinanciering was enkel nog voor de 'bachelors' en voor de vervolgopleidingen moesten studenten een lening aangaan. Opnieuw ging het inschrijvingsgeld omhoog en de studiebeurzen omlaag. Wat de gezondheidszorg betreft werd de standaarddekking van het ziekenfonds beperkt; bijvoorbeeld tandartsbezoek werd niet meer terugbetaald.

De auteurs geven geen afdoende verklaring waarom PvdA in 1998 toch 7 zetels heroverde. Ze tonen wel dat PvdA vervolgens tijdens Paars II (1998-2002) verder de ideologische afgrond in dook. De arbeidsmarkt werd flexibeler en gedereguleerd, wat leidde tot een toenemende onzekerheid. Zo werd de verplichte erkenning van uitzendkantoren afgeschaft waardoor cowboys vrij spel kregen. Als kers op de taart werd de hoogste belastingschijf verder verlaagd van 60% naar 52%. De progressieve vermogensbelasting werd vervangen door een forfaitaire vermogensrendementsheffing. Hierbij wordt uitgegaan van een fictief rendement van 4% op het vermogen waar dan een belasting van 25% op wordt geheven. Ook de vennootschapsbelasting werd verlaagd, net als de belastingen op de winstuitkeringen aan aandeelhouders, terwijl de accijnzen en heffingen stegen. Telecom, energieproductie en distributie werden geprivatiseerd, net als het volwassenenonderwijs. Het ambtenarenapparaat dat toezicht moest houden op deze geprivatiseerde sectoren, was door de besparingen verzwakt.

Op de Nederlandse zwarte zondag in 2002 tuimelde PvdA van 45 zetels naar 23 zetels. De auteurs leggen de oorzaak van de verkiezingsnederlaag minder bij onvrede over migratie, maar vooral bij de groeiende onzekerheid en tekortkomingen in publieke voorzieningen. Al weten ze opnieuw die stelling niet te onderbouwen.

Het neoliberale beleid leidde in ieder geval niet tot electoraal succes, noch tot goed beleid. Sociaaldemocraten kunnen het succes van hun beleid afmeten aan een dalende ongelijkheid en een stijgende welvaart waarbij de laagste inkomens het meest vooruit gaan. Onder leiding van PvdA steeg de ongelijkheid en konden de laagste inkomens slechts weinig profiteren van de economische groei. Het onderwijs en de zorg gingen er vanwege de besparingen en privatisering op achteruit. Er moest wellicht inderdaad worden bespaard, maar als je als PvdA tegelijkertijd de hoogste belastingschijf van de inkomstenbelasting verlaagt van 72% naar 52% verlies je alle geloofwaardigheid.

Wat dit allemaal nog pijnlijker maakt is dat de geïnterviewde beleidsmakers vandaag hun spijt betuigen alsof het om een avondje stevig doordrinken ging en niet om 17 miljoen Nederlanders die vandaag een onzekerder leven in een ongelijker land leiden. Oeps, 'dat hadden we nooit moeten doen'. Het is ook die 'oeps' die de auteurs met klem onderuit halen. De PvdA(-top) vervelde samen met de andere sociaaldemocratische partijen in West-Europa in de jaren 1980 al tot een neoliberale partij. Het klopt dus niet dat coalitiepartners PvdA de arm moesten omwringen om een neoliberaal beleid te gaan voeren. Nee, het waren 'expliciete, politieke keuzes' van PvdA die in de Paarse coalities een dominantie positie had.

Naast de beleidsinhoud hebben de auteurs terecht ook aandacht voor de organisatie van de partij. Ze tonen de vicieuze cirkel waarbij het rechts beleid de linkerzijde van de partij wegjaagt waardoor de partijtop zonder protest van de achterban nog rechtser beleid kan gaan voeren. De democratische partijwerking ging op de schop. Gewestelijke afgevaardigden waren de drijvende kracht achter de lokale campagnes en brachten middels een partijraad de landelijke bezorgdheden over aan de bewindslieden. Net als in andere sociaaldemocratische partijen werd deze bottom-upinbreng geschrapt om de macht bij de partijtop te concentreren. Campagnes werden overgelaten aan een communicatiebureau. De partij wendde zich ook expliciet af van de vakbonden die ouderwets werden bevonden. Deze hervormingen leidden volgens de auteurs tot een verlies aan slagkracht van de partij.

De socialistische kiezers keerden PvdA niet de rug toe, PvdA keerde het socialisme en haar achterban de rug toe. Ze sloopte eigenhandig alles wat ze had opgebouwd aan ondersteuning voor arbeidsongeschikten, huisvesting voor lage inkomensgroepen en toegankelijk hoger onderwijs. PvdA duwde de 'bevoogdende' overheid in de gracht om de private sector ruim baan te geven. De mondige en hooggeschoolde burger sjeesde weg, terwijl de kwetsbaren in de regen achterbleven. Om hen te activeren namen PvdA vervolgens ook nog de paraplu van de achterblijvers af. Vreemd genoeg wilden degene die PvdA bewindslieden de 'zwakken, zieken en misselijken' noemden niet meer op hen stemmen. En daarom is PvdA op sterven na dood.

Disclaimer. Omdat vergelijkingen altijd mank lopen, heb ik bewust sp.a buiten schot gelaten. Maar wie het schoentje past, trekke het aan.

Niels Morsink

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 70 tot 72