Abonneer Log in

Terug naar een socialistische onderwijsideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 38 tot 41

Wij pleiten voor een openbaar, democratisch en emancipatorisch onderwijs, vrij van privatisering, vermarkting en de commercialisering van de didactische onderwijsmiddelen.

De organisatie van een openbaar, democratisch en emancipatorisch onderwijs is één van de kerntaken van de overheid. Dit principe staat echter haaks op de tendens om het onderwijs te privatiseren. Deze tendens is onlosmakelijk verbonden met twee andere stromingen, namelijk liberalisering en deregulering. Belangrijke actoren in het onderwijsveld – de Vlaamse regering, het Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) en de koepels – zijn dit alles niet ongenegen of zijn er zelfs de motor van. Wij menen dat het de taak is van een socialistische vakbond – én van een socialistische partij – om hier tegenin te gaan, ook al moeten we dan flink tegen de stroom in roeien.

LIBERALISERING

Liberalisering staat voor de openstelling van alle markten voor het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen met het oog op de creatie van een grote mondiale eenheidsmarkt. De Europese eenheidsmarkt bijvoorbeeld is een belangrijke stap in die richting.

Niet alleen voor de profitsector worden wereldwijd de grenzen opengesteld, ook voor de social profit en de openbare diensten wordt een vrije markt gecreëerd. Deze ontwikkeling zet in de eerste plaats de lonen onder druk. Ze stuurt aan op de afbouw (eventueel de vernietiging) van het sociale vangnet (de sociale zekerheid) dat in de meeste West-Europese landen na de Tweede Wereldoorlog is uitgebouwd.

Een aantal openbare diensten werd reeds afgebouwd door de verkoop van economisch rendabele overheidsbedrijven. Dit proces gaat vandaag verder. Het beheer van de openbare sector gebeurt voortaan op basis van economische maatstaven.

Onderwijs is op het vlak van tewerkstelling één van de grootste openbare sectoren van het land. In vergelijking met de andere sectoren heeft de sector onderwijs nog weinig te lijden gehad van de liberalisering. Toch worden ook hier stappen gezet in de richting van vermarkting: naast ontwikkelingen in het universitair en hoger onderwijs, kennen we bijvoorbeeld de privaatpublieke initiatieven om de schoolgebouwen te financieren. We komen hier verder op terug.

DEREGULERING

In de neoliberale samenleving staat de politiek haar regulerende macht (gedeeltelijk) af aan de economische spelers. Zij beperkt zich ertoe een kader te creëren waarbinnen die economische spelers zichzelf moeten (en zullen?) reguleren.

Voor het onderwijs betekenen deze deregulering en de daarmee samenhangende toenemende autonomie dat er een groot deel van de beleidsvoering naar het niveau van de scholen en schoolbesturen verschuift. Het creëert op lokaal niveau echter meer bureaucratische machtsuitoefening. Het centrale beleid maakt plaats voor lokale regelgeving die kan leiden tot willekeur en subjectieve besluitvorming. Daarbij dwingt het verhogen van het beleidsvoerend vermogen in combinatie met schaalvergroting (scholengroepen en scholengemeenschappen) tot het installeren van een groeiend middenkader dat een belangrijk deel van de schaarse middelen naar zich toe trekt.

In het onderwijs heeft vooral een deregulering plaatsgevonden, onder andere in de vorm van een sterke decentralisatie. De autonomie en de responsabilisering van scholengroepen c.q. scholengemeenschappen en instellingen neemt toe. Daarmee is een quasi-markt gecreëerd. Hun onderlinge concurrentiepositie wordt groter. De strijd om voldoende leerlingen in te schrijven wint aan belang. Zoals men ons wil laten geloven dat de kijkcijfers bepalend zijn om de kwaliteit van een tv-zender aan te tonen, zo wil men het aantal leerlingen die een school kan aantrekken en het niveau van de sociale positie van de ouders, tot kwaliteitsnorm verheffen.

De controle van de overheid over het onderwijsbeheer wordt overgedragen aan de lokale besturen. De overheid plooit zich terug op het ontwikkelen van centrale omkadering, waarbinnen de lokale besturen hun eigen autonome regelgeving kunnen ontwikkelen.

PRIVATISERING

Elke menselijke activiteit die geld kan opbrengen, is in de neoliberale ideologie een economisch goed (product/dienst). Ze wordt binnen de markteconomie onderworpen aan de mechanismen van en de prijsbepaling door de markt. Elk economisch goed is een koopwaar dat kan worden verkocht en gekocht, en dat onderhevig is aan de wetten van vraag en aanbod.

Volgens de neoliberale ideologie moet de overheid alle bedrijfsmiddelen in haar eigendom verkopen, indien bedrijven ermee winst zouden kunnen maken.

Ook het onderwijs, dat van oudsher als een niet-commercieel, publiek goed wordt beschouwd, ontsnapt niet aan deze tendens tot privatisering.

In het onderwijs vinden we dit terug onder de vorm van de verzelfstandiging of de toenemende autonomie van de lokale school. Die wordt gezien als een economisch goed dat ook onderhevig is aan de wetten van vraag en aanbod. Deze privatisering heeft tot gevolg dat een school wordt gecommercialiseerd en het voorwerp is van private toe-eigening, bezit en gebruik. Leerkrachten worden vandaag gebruikt om inkomsten te verwerven door de organisatie van schoolfeestjes, de verkoop van wafelen, en dergelijke meer.

Met de privatisering van het onderwijs wil het beleid de functie van de financiering afbouwen. Het universitair en hoger onderwijs zijn daar typische slachtoffers van. De overheid dwingt deze instituten om middelen te genereren door onderzoeksopdrachten aan te trekken en zich op de onderwijsmarkt te begeven met een aanbod van nascholings- en trainingsprogramma's. In het volwassenenonderwijs wordt de bijdrage van de cursisten verhoogd.

Het hoger onderwijs laat heden een schemerzone zien. Er is een stijgend aanbod van private initiatieven, dure manama's, toepassingsgericht onderzoek met externe financiering, spin-offs, posthogeschoolvorming, enzovoort. Mede onder invloed van het bedrijfsleven neemt de vermarkting van het hoger onderwijs alarmerende proporties aan.

Daarbij komt nog eens de decretale verplichting voor het hoger onderwijs om, naast onderwijs en onderzoek, ook aan dienstverlening te doen. Met andere woorden, de expertise tegen de marktwaarde te verkopen.

Het hoger beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs krijgen concurrentie van opleidingen die op commerciële basis worden ingericht. Of deze opleidingen onderworpen zijn aan erkenning is hierbij van geen belang.

AUTONOME SCHOOL IS BASIS VOOR PRIVATISERING

Eén van de belangrijke elementen van de privatisering van het onderwijs is de ontwikkeling van autonome scholengroepen – voor het gesubsidieerd vrij onderwijs de scholengemeenschap en de vzw – en autonome scholen. De autonomie en de responsabilisering van de scholengroepen en de scholen nemen toe, waardoor de privatisering meer vat krijgt op het onderwijs. Er wordt een markt geschapen waarin de onderlinge concurrentie tussen scholen zeer groot wordt. Een strijd die de 'kansrijk witte scholen' plaatst tegenover de 'kansarme zwarte scholen', een strijd die de scholen van het vrije net plaatst tegenover openbare scholen. De strijd om de inschrijving van leerlingen neemt toe. Vooral de sociale positie van de ouders van de leerlingen bepaalt de schoolkeuze, niet de kwaliteit is bepalend. De schoolkeuze wordt vandaag niet meer bepaald door ideologie, religie of kwaliteit, maar door sociale status. De sociale status van de ouders werkt de privatisering van het onderwijs in de hand. Vrije scholen kunnen zich beter profileren als kwalitatief betere scholen omdat zij de selectie van leerlingen kan beïnvloeden. De overnachtingen aan de schoolpoort zijn hier niet vreemd aan.

Niet alleen de leerling speelt een rol in deze privatisering. Ook de leerkracht moet mee in het bad. Leerkrachten, vooral tijdelijke leerkrachten, moeten zich onbeperkt inzetten. In tijden van lerarentekort kunnen vrije scholen extra middelen inzetten en vooral extralegale werkvoorwaarden scheppen zodat de kloof tussen de private sector en de openbare dienst verkleint. Waartoe leidt de autonome school? Naar rijke en arme scholen. Dit tweesporenbeleid zal in de toekomst het onderwijs bepalen. Scholen zullen met minder middelen hetzelfde of zelfs een hoger rendement moeten behalen. Meer en meer taken zoals het garanderen van de veiligheid en het onderhouden van de infrastructuur moeten door de school zelf gedragen worden.

Leerkrachten worden geconfronteerd met een stijgende planlast en een willekeurige, subjectieve besluitvorming. Het veroorzaakt een toenemende bedrijfsgerichte benadering waarbij scholen sponsoring zoeken bij bedrijven. Scholen zijn echter geen ondernemingen, zij streven pedagogische en geen commerciële doelen na. Ze moeten ook anders worden georganiseerd en geleid. Er is in het onderwijs dan ook geen plaats voor bedrijfsgericht management, human resources, ISO-normen, strategische beleidsplanning, kortom voor een bedrijfsgericht beleid en beheer. De weg naar het duaal leren en het virtueel onderwijs zal de privatisering versterken.

KERNTAKEN VOOR DE OVERHEID

Maar wat zijn nu de kerntaken voor de overheid inzake onderwijs?

  • Het verschaffen van het onderwijs. Het is de maatschappelijke plicht van de overheid de volledige verantwoordelijkheid te dragen in het sociaal arrangement met betrekking tot het onderwijs.
  • Het garanderen van een volledige financiële onafhankelijkheid. De financiële tussenkomst van het bedrijfsleven in het duaal leren moet beperkt zijn tot de pedagogische inbreng in het bedrijf. Officieel en vrij onderwijs moeten vrij zijn van sponsoring door bedrijven.
  • Het reguleren van onderwijs. De overheid regelt wat moet worden onderwezen, hoe dat onderwijs moet tot stand komen en welk onderwijs voor wie is. De overheid controleert de kwalificatiefunctie, de socialisatiefunctie, de legitimatiefunctie en de kwaliteit van het onderwijs. Zij is verantwoordelijk voor de structuur van het onderwijs en legt de krijtlijnen voor het beheer en voor het bestuur centraal vast, waaronder de rechtspositie van het personeel. Openbaar onderwijs is echter geen strak centralistisch en bureaucratisch geregeld onderwijs. Het waarborgt de pedagogische vrijheid. Leerkrachten zijn verantwoordelijk om op eigen wijze invulling te geven aan hun didactische en pedagogische praktijk. De Grondwet waarborgt het recht op onderwijs als openbare dienstverlening. Het gaat in essentie over het gelijke recht op leren, op het verwerven van kennis en vaardigheden en op het ontwikkelen van de eigen attitudes en persoonlijkheid.

BESLUIT

De spirit van een 'socialistische' onderwijsideologie is in de jaren 1980 van de vorige eeuw verloren gegaan door het binnensluipen van neoliberale waarden, wat vooral ideeëngoed uit het vrij (katholiek) onderwijs is. Een 'socialistische' onderwijsideologie moet terug naar haar wortels en moet aansluiten bij een sociale welvaartsstaat. De liberale actieve welvaartstaat, ondersteund door de verrechtsing van de maatschappij, bouwt het democratisch openbaar onderwijs af en zo wordt het onderwijs geprivatiseerd.

Wij pleiten voor een openbaar, democratisch en emancipatorisch onderwijs, vrij van privatisering, vermarkting en de commercialisering van de didactische onderwijsmiddelen. Het concept bestrijkt het totale educatieve systeem (onderwijs, opleiding en vorming) voor kinderen, jongeren en volwassenen. Het onderwijsconcept is een waarborg voor de opbouw van de sociale democratie, waarin de kansarme leerlingen worden beschermd en de leerkrachten kunnen werken in een veilige, rechtvaardige en sociale leeromgeving.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 38 tot 41