Abonneer Log in

Eindelijk 0,7%?

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 15 tot 17

Wint ambitie van realisme op Ontwikkelingssamenwerking?

'Voor een welvarend, solidair en duurzaam België'. De betekenis van die slagzin voor het ontwikkelingsbeleid van de regering-De Croo lezen we helemaal achteraan het Vivaldi-akkoord. 'Niet meteen de grootste prioriteit', zou je dan zeggen. Maar dat hoeft niet zo te zijn, temeer omdat het ontwikkelingsbeleid best voer kan zijn voor een pittig politiek debat. Binnen de zogenaamde 'ideologisch coherente' Zweedse coalitie botsten zij die vinden dat ontwikkelingssamenwerking vooral mensen vooruit moet helpen op diegenen die vinden dat het – letterlijk – mensen op hun plaats moet houden. Dat werd zichtbaar in de discussie over de keuze van de partnerlanden, waarbij één van de Zweedse partners die keuze wilde laten afhangen van de migratiecijfers uit betrokken landen. Uiteindelijk raakte die discussie niet beslecht vooraleer één partij struikelde over een niet-bindend migratiepact.

Dat is niet zomaar anekdotiek, maar symptomatisch voor een trend die ontwikkelingssamenwerking al een tijd kenmerkt: de terugkeer van het nationaal belang. Toen Boris Johnson ervoor pleitte ook wapenleveringen als ontwikkelingssamenwerking te beschouwen, deed hij dat door erop te wijzen dat het Verenigd Koningrijk 'het belastinggeld van de Britten toch niet kan blijven uitgeven als één of andere Scandinavische ngo'. De regering-De Croo lijkt die trend te willen keren. 'De ontwikkelingssamenwerking kan niet ondergeschikt worden aan de migratieagenda', staat er te lezen. Daarnaast zal de regering haar 'ongebonden steun behouden en versterken'. Daarmee wordt bedoeld dat ontwikkelingsmiddelen niet mogen worden gekoppeld aan het Belgische bedrijfsleven, een fenomeen dat ondanks bewezen inefficiëntie in heel wat donorlanden opnieuw opgang maakt. Al mist het akkoord wel een kans die trendbreuk nog duidelijker te maken door de partnerlanden zelf expliciet in de driver's seat van het beleid te plaatsen.

Opvallend is dat het c-woord nergens voorkomt in de drie pagina's die aan het ontwikkelingsbeleid zijn besteed. Terwijl de pandemie verder woekert, halen de 'rijke' landen – terecht – het grote geschut boven om hun economieën min of meer boven water te houden. 'Whatever it takes', luidt het devies. Maar in de meeste ontwikkelingslanden is dat geen optie. De Britse denktank ODI zette de cijfers over die 'economische stimulus' even op een rijtje: Japan besteedde meer dan 27.000 dollar per inwoner, terwijl Mali – een partnerland van onze samenwerking – amper 4 dollar per inwoner ter beschikking heeft.

Tegen die achtergrond roepen de Verenigde Naties om een 'Marshall-plan' voor Afrika en dringend de decenniaoude belofte na te komen om 0,7% van de welvaart voor steun aan ontwikkelingslanden te reserveren. Voor België stond die teller in 2019 op 0,42%, het laagste niveau sinds 2004. Uit voorlopige analyses blijkt dat lidstaten van de OESO-DAC, een club van de 30 belangrijkste donoren, sinds de uitbraak van de pandemie een pak minder uitgaven dan tijdens dezelfde periode in de afgelopen jaren. Tegen die achtergrond belooft het regeerakkoord vanaf 2021 een bindend groeipad uit te tekenen én uit te voeren om de norm van 0,7% te behalen.

Dat is een sterk engagement, alvast een pak sterker dan het engagement van de vorige regering om 'inspanningen te doen'. Toch zaait het bijzinnetje 'rekening houdende met de uitzonderlijke budgettaire omstandigheden' twijfel. Om aan het einde van de legislatuur die 0,7% te halen moet het budget met 60% toenemen. Ook al wordt dat quasi automatisch 'makkelijker' als je rekening houdt met de daling van bnp als gevolg van de crisis, blijft het een budgettaire heksentoer op een departement dat in het verleden moest dienen om de rekening te doen kloppen. Als ambitie kan dit dus tellen, maar hoe die ambitie te realiseren blijft in het midden.

Ontwikkelingssamenwerking is natuurlijk slechts één instrument om dat 'duurzaam en solidair' België gestalte te geven op mondiaal vlak. Misschien nog belangrijker is om beleidskeuzes op andere domeinen met een sterk internationaal karakter – handelsakkoorden, beslissingen over militaire interventies of landbouw en zelfs fiscaal beleid – vanuit die ontwikkelingsbril te bekijken. Onder impuls van de OESO zijn daar door de regering-Di Rupo grote stappen gezet, onder meer door dat coherentieprincipe wettelijk te verankeren en een aantal instrumenten in het leven te roepen om dat te vergemakkelijken. De regering-De Croo wil die coherentie versterken en een 'interministerieel overlegorgaan activeren'. Dergelijk 'interministeriële' dialoog is natuurlijk de eerste voorwaarde, maar geen garantie dat het beleid ook daadwerkelijk coherenter wordt. Het blijft uitkijken naar de beslissingen van de regering op concrete dossiers. Eentje dat zich snel aandient gaat over de schuldenlast van ontwikkelingslanden, waar een actief pleidooi zich opdringt om verder te gaan dan de huidige aanpak van de G20 waarbij 46 landen slechts uitstel van betaling krijgen voor amper een kwart van de aflossingen die ze sinds de uitbraak van de pandemie verschuldigd zijn.

Wat verder opvalt is een meer realistische benadering van de rol die de private sector kan spelen in het ontwikkelingsbeleid. Dat was duidelijk één van de stokpaardjes van de vorige regering, wat leidde tot een versterkte dialoog met die private sector en een aantal proefprojecten met en financiering voor die private sector. Zonder het roer radicaal om te gooien, lijkt deze regering daar minder van te verwachten en wil ze die samenwerking aan voorwaarden koppelen. Die realistische houding is een goede zaak, zeker op een moment dat corona duidelijk maakt dat slagvaardige overheden met sterk uitgebouwde openbare diensten veel beter in staat zijn de pandemie het hoofd te bieden. Uiteindelijk vaart de lokale private sector daar ook het beste bij.

Tot slot, een kleine b-mol over de 'casting'. Een kort intermezzo onder Di Rupo niet te na gesproken, was het departement Ontwikkelingssamenwerking sinds 2003 in liberale handen. De laatste jaren mocht Alexander De Croo (Open VLD) de lijnen uitzetten. De premier kan je veel verwijten, maar niet dat hij verstoken bleef van enig voluntarisme op het departement. Op het internationale toneel slaagde hij erin de Belgische samenwerking een gezicht te geven. Dat is niet onbelangrijk. Met haar achtergrond als mijnwerkersdochter, in de fabriekshallen van Ford-Genk en de vakbeweging, heeft kersvers minister Meryame Kitir (sp.a) alvast stevige troeven in handen het gezicht te zijn van dat 'solidair en duurzaam België' op het internationale toneel.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 15 tot 17