Abonneer Log in

Warme ambities, veel vraagtekens

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 7 tot 9

Het is wachten op ambitieuze budgetten in het federaal armoedebeleid.

Het is lang geleden dat duidelijke engagementen in een regeerakkoord werden aangegaan om armoede te voorkomen en bestrijden. Opluchting dus dat de nieuwe federale regering het aandurft om een ambitieus armoedehoofdstuk op te nemen in haar regeerakkoord. De recente Armoedebarometer van Decenniumdoelen maakt duidelijk dat in Vlaanderen de armoede zich genesteld heeft in alle gemeenten en dat de armoede ook verergerd is. Het regeerakkoord belooft een interfederaal armoedeplan dat opgemaakt zal worden met alle verantwoordelijke beleidsniveaus, federale overheid, gewesten, lokale besturen, en met armoedeorganisaties en andere stakeholders. Dat is broodnodig. Want uitgerekend die samenwerking ontbreekt tot nog toe, waardoor inspanningen van het ene niveau vaak tenietgedaan worden door het (gebrek aan) optreden van een ander. Lokale besturen hebben zo tijdens de COVID19 crisis alles uit de kast gehaald om hun kwetsbare burgers te helpen, door aanvullende steun door de OCMW's, voedselpakketten, outreachend werken in de buurten, samenwerking met lokale sociale organisaties. Maar als structurele maatregelen van de federale en Vlaamse overheid het laten afweten of er zelfs bespaard wordt op essentiële sociale diensten en voorzieningen, blijft dat 'kurieren am Symptom'.

Het hoofdstuk Armoede van het regeerakkoord zet in op vijf grote assen: actief en vroegtijdig opsporen van armoede, meer mensen en gezinnen bereiken via het principe 'één huishouden, één plan' en door het ondersteunen van OCMW's, verhogen van de inkomens en verbeteren van het gebruik van sociale rechten, duurzame banen voor kwetsbare groepen en participatie van mensen in armoede als ervaringsdeskundigen. De belangrijkste belofte is ongetwijfeld om de laagste uitkeringen geleidelijk te verhogen 'in de richting van de armoedegrens in functie van de koopkracht'. Deze laatste toevoeging ligt de armoedeorganisaties zwaar op de maag: de vorige regeringen-Di Rupo en -Michel I schreven nog in hun regeerakkoord dat dit zou gebeuren tegen het eind van de legislatuur, al werd die belofte uiteindelijk helemaal niet ingelost. Ook nu is dit engagement niet in steen gehouwen, aangezien een concreet stappenplan gecombineerd met de nodige budgetten voorlopig ontbreekt. Het is ook duidelijk dat er veel te doen zal zijn rond de geleidelijke verhoging van het minimum pensioen richting 1.500 euro netto. Daags na de afronding van de besprekingen werd hierover al een partijtje armworstelen uitgevochten op omdat 1,4 miljard euro voor verhoging van de pensioenen niet zullen volstaan om die belofte in deze legislatuur te kunnen waarmaken, aangezien daarvoor volgens het Planbureau naargelang de generositeit van de voorstellen tussen 1,6 en 3,2 miljard nodig is. Vraag is waar het extra geld voor de verhoging van de minima vandaan moet komen. Het regeerakkoord verwijst naar de welvaartsenveloppe (1,7 miljard), maar die wordt normaal gebruikt om de uitkeringen gelijke tred te laten houden met de evolutie van de welvaart. Bovendien is het aan de sociale partners om uit te maken hoe die enveloppe besteed zal worden. Daarnaast spreekt het akkoord over 'extra budget', dat zo'n 700 miljoen zou bedragen, wat ruim onvoldoende is om alle minima op te trekken boven de armoedegrens, waarvoor op basis van berekeningen van het Rekenhof zo'n 1,5 miljard nodig is. Hopelijk komt minister Karine Lalieux (PS), bevoegd voor Pensioenen én Armoedebestrijding, niet voor een verscheurende keuze te staan tussen arme gepensioneerden of arme werklozen of leefloners.

Het regeerakkoord wentelt de verantwoordelijkheid ook deels af op de OCMW's. Die worden aangemoedigd om gezinnen met onvoldoende inkomen – uit bijstand, sociale zekerheid of arbeid – aanvullende steun te geven op basis van het REMI-systeem, een tool gebaseerd op referentiebudgetten van goederen en diensten die mensen nodig hebben om te kunnen participeren in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Aanvullende steun geven op basis van behoeften is een interessante beleidsvorm, omdat daardoor maatwerk kan worden geleverd. Maar het mag nooit in de plaats komen van een structurele verhoging van de uitkeringen onder de armoedegrens, omdat hulp vragen via het OCMW niet echt een sociaal recht inhoudt en bovendien een extra drempel betekent voor mensen in armoede. Wat niet ook in het regeerakkoord staat, is of OCMW's zullen worden geholpen om die aanvullende steun te financieren, zoals tijdens de COVID19 crisis deels is gebeurd. Er staat enkel dat de OCMW's financiële prikkels zullen krijgen om leefloners te activeren. Meewerken aan een activeringstraject, bijvoorbeeld via een geïndividualiseerd project van maatschappelijke integratie, is trouwens ook dé voorwaarde om beroep te kunnen doen op aanvullende steun.

Een degelijke baan hebben met een waardig loon en goede sociale bescherming is vaak de beste manier om uit armoede te ontsnappen. Maar of activering van kwetsbare mensen in COVID19 tijd zo evident is, is nog maar de vraag, nu er meer mensen hun job dreigen te verliezen wanneer de tijdelijke maatregelen om jobs te redden zullen worden afgebouwd. Hoe deze regering haar doelstelling om een werkzaamheidsgraad van 80% denkt te halen, via activering van kwetsbare groepen zoals laaggeschoolde mensen met een leefloon, langdurig zieken en mensen met een handicap, of van mensen met een migratie achtergrond die oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid, is niet duidelijk. Toeleiding tot de arbeidsmarkt is vooral een bevoegdheid van de Vlaamse regering, die in de voorbije periode niet echt voluit ging voor opleiding en begeleiding van mensen met een zwak arbeidsmarktprofiel. Ook de noodzakelijke extra investeringen in maatwerk en sociale economie ontbreken. Een 'aanklampend beleid' voeren ten aanzien van kansarme gezinnen zal zeker niet volstaan als niet tegelijkertijd ook werk gemaakt wordt van een 'aanklampende' aanpak van sociale uitsluiting en discriminatie in het bedrijfsleven. Gelukkig klinkt het regeerakkoord op dit punt erg flink: er komt een interfederaal actieplan tegen racisme en discriminatie met meetbare doelstellingen, een tijdschema en aanduiding van verantwoordelijken, en de sociale inspectie zal in de toekomst vlotter discriminatietoetsen kunnen doen, al worden praktijktesten of mystery calls niet bepaald aangemoedigd.

Een goede zaak in de strijd tegen armoede is het voornemen van de federale regering om het gebruik van sociale rechten door begunstigden te verbeteren. Afgeleide rechten die mensen kunnen aanvragen op basis van hun statuut (zoals sociale tarieven voor het openbaar vervoer, energie of telecom, musea en cultuur) moeten zoveel mogelijk automatisch toegekend worden, door de bevoegde instanties toegang te geven tot de Kruispuntenbank. Waar dat niet mogelijk is, zal een digitale tool voor sociale werkers ontwikkeld worden die actief aanvullende sociale rechten kan opsporen. De federale regering neemt zich ook voor om sociale rechten toe te kennen op basis van inkomen in plaats van statuut, wat niet alleen rechtvaardiger is maar ook inactiviteitsvallen kan wegwerken. Het regeerakkoord erkent ook dat 'moderne' samenlevingsvormen vaak nefaste gevolgen hebben voor de uitkeringen en de belastingen, doordat mensen als samenwonend worden aanzien. Voor armoedeorganisaties gaat dit wel niet ver genoeg, omdat ook het statuut van samenwonende in de 'oude' samenlevingsvormen allesbehalve rechtvaardig is en mensen in armoede duwt als 'prijs voor de liefde'. Merkwaardig genoeg wordt dit probleem in het regeerakkoord enkel erkend voor mensen met een handicap.

Het armoedeplan legt sterk nadruk op participatie. Een ambitieus armoedeplan kan enkel slagen als mensen in armoede, armoedeverenigingen en middenveld betrokken worden. Het valt trouwens op dat de federale speerpunten voor het armoedebeleid grotendeels overeenstemmen met de resultaten van de besprekingen van het vierde federaal armoedeplan die in de voorbije maanden reeds werden gevoerd met dat middenveld en met armoede experten, onder leiding van de POD Maatschappelijke Integratie. Schrijnend is dat nu het federaal regeerakkoord het belang van ervaringsdeskundigen in armoede in de verf zet, de Vlaamse minister voor Onderwijs beslist om de opleiding van die ervaringsdeskundigen niet langer te willen financieren. Het zoveelste voorbeeld van hoe maatregelen van verschillende beleidsniveaus niet sporen.

Vandaag liggen er warme ambities op tafel om armoede te bestrijden. Maar als het deze federale regering inderdaad menens is, dan zullen de middelen voor het optrekken van de sociale minima en het ondersteunen van de lokale besturen ook ambitieus moeten zijn. En dan is het wel een gemiste kans dat de solidariteit van de sterkste schouders onder vorm van een vermogens(winst)belasting haar weg naar het regeerakkoord niet gevonden heeft.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 7 tot 9