Abonneer Log in

Is een ledenpartij passé?

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 6 tot 10

Toen Conner Rousseau begin september de naamswijziging van sp.a naar Vooruit aankondigde, lichtte hij ook al een tipje van de sluier over het functioneren van die partij in de toekomst: 'Het wordt een beweging met het vizier op de toekomst waarmee we alle progressieve Vlamingen willen samenbrengen' en het is zijn doel 'om van een klassieke partij een échte beweging te maken'.1

In dit artikel gaan we dieper in op de evolutie van ledenpartij naar beweging, met daarbij oog voor sp.a maar ook voor andere partijen. We bespreken hoe ledenpartijen er momenteel voor staan, hoe ze kunnen worden hervormd naar dynamischere bewegingen, en wat daarvan de mogelijke gevaren zijn. Is een ledenpartij passé en een beweging plus-que-parfait?2

LEDENPARTIJEN: VOLTOOID VERLEDEN TIJD?

Sp.a als ledenpartij is duidelijk in crisis. Maar ze is niet de enige partij voor wie dat geldt, noch is dit een nieuw fenomeen. Traditionele partijen in heel Europa verliezen al langer leden. Onderzoek naar ledencijfers in tien West-Europese landen (waaronder België) toont aan dat partijen tussen 1990 en 2010 bijna de helft van hun leden verloren.3

Ook bij sp.a valt een sterke daling in ledenaantallen te noteren: van 94.760 partijleden in 1990 ging het naar 37.345 in 2020, wat zelfs meer dan een halvering is.4 Daarmee is de lijdensweg van de partij als ledenorganisatie nog niet achter de rug, zo blijkt uit een ledenbevraging bij bijna 12.000 Vlaamse partijleden, die in 2018 werd uitgevoerd als onderdeel van een internationaal onderzoeksproject.5

Daaruit blijkt dat sp.a-leden het minst van alle Vlaamse partijleden tevreden zijn over hun lidmaatschap: minder dan 40% onder hen geeft aan dat het partijlidmaatschap beantwoordt aan hun verwachtingen. De ontevredenheid heeft betrekking op allerlei aspecten: de ideologische koers van de partij, kansen en diensten die aangeboden worden aan leden, de interactie met andere leden en de rol van partijleden. Daarnaast scoort sp.a ook het hoogst wanneer het gaat over of partijleden die ooit overwogen hebben om de partij te verlaten: iets meer dan 40% van de sp.a-leden heeft dit al gedaan. Ter vergelijking: bij N-VA bedraagt dit maar 25%.

Ook wat activiteitsgraad betreft, ziet het er niet glorieus uit voor sp.a volgens de enquête uit 2018: ze hebben de meeste leden die verklaren minder actief te zijn dan vijf jaar geleden (ongeveer één op drie geeft dit aan), en de minste leden van alle onderzochte Vlaamse partijen die denken dat ze in de toekomst actiever zullen worden.

Kortom, sp.a als ledenpartij bevindt zich in een diepe crisis, die misschien nog wel meer uitgesproken is dan bij andere (traditionele) partijen in België.

BEWEGING ALS TOEKOMSTIDEAAL

Het wekt dan ook weinig verbazing dat de nieuwe partijvoorzitter Conner Rousseau hier iets aan wil doen. Een krimpend en weinig actief ledenbestand houdt immers gevaren in: de groep waaruit ideeën voortspruiten, waaruit kandidaten geselecteerd en activisten gerekruteerd worden, wordt alsmaar kleiner, met alle gevolgen van dien. Anders dan zijn voorgangers (in eigen en andere partijen) die vooral ingezet hebben op het aantrekkelijker maken van partijlidmaatschap, onder meer door leden meer inspraak te geven (bijvoorbeeld via rechtstreekse voorzittersverkiezingen6), wordt de focus nu verlegd naar het betrekken van mensen die geen partijlid zijn.

Het is, op basis van de huidige informatie, evenwel niet de bedoeling om het partijlidmaatschap helemaal overboord te gooien, maar wel om dit aan te vullen met vormen van betrokkenheid waarvoor je niet per se partijlid hoeft te zijn om te kunnen deelnemen. De partij wordt dus niet helemaal een beweging, maar gaat wel meer bewegingselementen in haar werking opnemen.

Dat is niet nieuw: heel wat partijen (in binnen- en buitenland) hebben de afgelopen jaren kleine en grotere stappen gezet om niet-leden meer te betrekken bij de partijwerking. Een Amerikaanse politicologe, Susan Scarrow, heeft dit fenomeen 'multi-speed membership' genoemd, of partijbetrokkenheid aan verschillende snelheden.7 Naast partijleden onderscheidt zij nog vijf andere mogelijke vormen van betrokkenheid bij een partij. Diegene die het meest relevant (kunnen) zijn in een Belgische context zijn: 'light members' of mensen die een kleine(re) bijdrage betalen om eenmalig te participeren aan een inspraakmoment in de partij; 'supporters' of mensen die geen formele band met de partij hebben, maar wel zich actief inzetten voor de partij, bijvoorbeeld in verkiezingscampagnes; 'social media affiliates' of mensen die via sociale media verbonden zijn met de partij en daar de mogelijkheid hebben om input te geven.

Niet alleen de vorm van partijbetrokkenheid van niet-leden is erg uiteenlopend, dat geldt ook voor de activiteiten waarin ze betrokken worden. Partijen kunnen ervoor kiezen om niet-leden enkel in te schakelen voor uitvoerend werk. Dat fenomeen is al decennia oud. Ook in het verleden was niet iedereen die verkiezingsaffiches voor de partij ging 'plakken' ook effectief lid van de partij. Daarnaast opteren partijen er recent voor om ook voor meer inhoudelijke zaken niet-partijleden te betrekken. Daar kan een onderscheid gemaakt worden tussen het leveren van input over het programma van de partij (zoals gebeurde bij de 'Big Conversation' van de Britse Labour-partij), het mee aanduiden van de partijleider (zo laat de Franse PS iedereen die een basisverklaring ondertekent en 1 euro betaalt mee bepalen wie de kandidaat-president van de partij – en dus de feitelijke partijleider – zal zijn), en het laten bepalen van alle kandidaten van de partij (in 'primaries' naar Amerikaans model).

BEWEEGT ER OOK IN BELGIË WAT?

Zonet gaven we al enkele buitenlandse voorbeelden van hoe partijen proberen om niet-leden te betrekken bij de partij. Ook Belgische partijen hebben het laatste decennium enkele initiatieven in die richting genomen. Zo kondigde CD&V eind 2012 de Innesto-groep aan. Dit was een groep van 30 mensen van binnen en buiten de partij die voorstellen formuleerden voor het ideologisch vernieuwingscongres van het jaar erna. Open VLD hield in 2013 een M34 waarin 34 gewone burgers (volgens het model van een burgerforum zoals de G1000) met elkaar overlegden over fiscaliteit en energie. Dit resulteerde in adviezen die werden voorgelegd aan het Open VLD-toekomstcongres waarin partijleden de toekomstige inhoudelijke koers van de partij vastlegden. Ook sp.a experimenteerde al met het betrekken van niet-leden: onder de hashtag #jijmaaktmorgen werden in 2017 een aantal gesprekavonden georganiseerd waarin leden en niet-leden van gedachten konden wisselen over de toekomstige partijstandpunten in een aantal beleidsdomeinen.

Er vallen drie zaken op in deze Belgische voorbeelden.

Ten eerste is sp.a lang niet de eerste noch de enige partij die nadenkt over (en experimenteert met) partijbetrokkenheid die partijlidmaatschap links laat liggen. Het lijkt erop dat na de voorzittersverkiezingen die in de jaren 1990 volop in de mode waren, nu het betrekken van niet-leden het nieuwe tovermiddel voor partijen is.

Ten tweede zien we dat niet-leden vooral op programmatorisch vlak inbreng mogen hebben. Het gaat over de inspraak in aanloop naar thematische congressen waarbij partijstandpunten worden vastgelegd. Er is in België (nog) geen sprake van niet-leden die rechtstreeks de partijvoorzitter aanduiden of de kandidatenlijsten samenstellen zoals dat in sommige andere landen (deels) wel gebeurt.

Ten derde valt op dat de inbreng van niet-leden weinig geformaliseerd en erg ad hoc gebeurt. Een 'light' lidmaatschap voor eenmalige partijparticipatie, zoals Scarrow dat schetst, vinden we vooralsnog niet terug in Belgische partijen. Daarmee samenhangend kunnen we vaststellen dat niet-leden voorlopig ook weinig impact kunnen hebben. Ze worden geraadpleegd en kunnen input leveren voor partijcongressen, maar op de congressen zelf zijn het nog altijd enkel de partijleden zelf die mogen stemmen.

Het valt af te wachten of de plannen van Conner Rousseau en Vooruit verder gaan op deze vlakken en eventueel een meer formeel kader ontwikkelen waardoor niet-leden op een meer systematische wijze en op meer vlakken dan enkel het partijprogramma een vinger in de pap kunnen krijgen.

GEVAREN VAN MEER BEWEGING WORDEN

We eindigen met te wijzen op een aantal mogelijke gevaren van het betrekken van niet-leden. Als ook niet-leden verregaande inspraakmogelijkheden krijgen, dan kan dit zorgen voor weerstand bij partijleden. Al blijkt dit wel mee te vallen, zo bleek uit eerder onderzoek bij Vlaamse partijleden.8

Meer dan de helft van de partijleden toont zich voorstander van een erg verregaande inspraak voor niet-leden, met name bij het aanduiden van de lijsttrekker bij verkiezingen. Het valt te verwachten dat dit nog hoger ligt bij minder verregaande inspraak voor niet-leden. Over het algemeen blijkt er een sterke correlatie te bestaan tussen voorstander zijn van ledeninspraak en van inspraak voor niet-leden. Partijleden zijn voorstander van meer inspraak voor de basis, en het maakt daarbij niet zoveel uit of het dan over leden of kiezers gaat.

Het betrekken van niet-leden kan ook een aanleiding vormen voor leden om hun eigen lidmaatschap in vraag te stellen. Waarom zou men immers nog lid worden van een partij en een hoge(re) bijdrage betalen, als niet-leden min of meer dezelfde rechten krijgen? Partijen zouden hierdoor nog meer leden verliezen, en op termijn misschien enkel nog beweging worden zonder vaste leden. De Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders heeft dit model al uitgetest in Nederland. PVV wil uitdrukkelijk geen partij zijn (zoals alle andere), en telt daarom maar één formeel partijlid, Geert Wilders zelf. Op veel vlakken hoeft dat geen nadeel te zijn: hij kan via (sociale) media rechtstreeks met zijn kiezers communiceren en hij is electoraal succesvol geweest. Een probleem doet zich echter voor bij het rekruteren van kandidaten voor een verkozen mandaat. Voor de Tweede Kamer lukt dit nog redelijk, maar voor gemeenteraadsverkiezingen waarvoor een partij al snel honderden of duizenden kandidaten nodig heeft, gaat dat minder goed als je geen vaste ledenbasis hebt. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Nederland presenteerde PVV maar in 30 gemeenten (of minder dan 10% van het totaal aantal gemeenten) een kandidatenlijst.

CONCLUSIE

Ledenpartijen zijn in verval de laatste decennia. Eerder dan te werken aan de opwaardering van dit lidmaatschap zoals in het verleden gebeurde, kijken partijen nu meer buiten de partij naar het betrekken van niet-leden. Dat zijn geen fenomenen die typisch zijn voor sp.a/Vooruit noch fenomenen die we enkel in België terugvinden. De pogingen die Belgische partijen tot nu ondernamen waren vooral van programmatorische aard en hielden nog een stevige slag om de arm. Het is afwachten of Vooruit hierin verder gaat dan dat. We mogen tot slot ook niet blind zijn voor mogelijke gevaren. Door verregaandere inspraakmogelijkheden van niet-leden kan lidmaatschap verder onder druk komen te staan. Voor veel functies die leden traditioneel vervullen, hoeft dit niet per se een nadeel te zijn. Maar voor het aantrekken van veel (capabele) kandidaten om de lijsten te vullen is een groot ledenbestand toch nog altijd de beste garantie. In die zin kunnen we verwachten dat het klassieke partijlidmaatschap nog niet helemaal zal worden afgeschreven, maar eerder zal worden aangevuld met de inbreng van niet-leden.

VOETNOTEN

  1. Sp.a, 'Samen worden we VOORUIT', persbericht 9/9/2020.
  2. Vrij naar het gedicht 'Verleden tijd' van Herman De Coninck.
  3. Meer bepaald een daling met 46 procentpunt, zie: L. Bardi, E. Calossi & E. Pizzimenti (2017). Which face comes first? The ascendancy of the party in public office. In S. Scarrow, P. Webb, & T. Poguntke (Eds.), Organizing Political Parties: Representation, Participation and Power (pp. 62-83). Oxford: Oxford University Press.
  4. B. Wauters (ed.) (2017). Wie is nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen. Leuven: Acco, aangevuld met recente cijfers uit De Standaard, 14/11/2020.
  5. B. Wauters & E. van Haute (2020). Partijleden onderzocht. Eerste analyse van de Vlaamse gegevens van het internationaal MAPP-onderzoek, Onderzoeknota Gaspar UGent.
  6. J-B. Pilet & B. Wauters (2014). Party leadership selection in Belgium. In W. Cross & J.-B. Pilet (Eds.), The selection of political party leaders in contemporary parliamentary democracies : a comparative study (pp. 30-46). Oxford Routledge.
  7. S. Scarrow (2014). Beyond party members: Changing approaches to partisan mobilization. Oxford: Oxford University Press.
  8. G. Pittoors, T. Renson, T. Schamp & B. Wauters (2017), Harde kern versus supporters zonder abonnement. Invloed en inspraak voor leden en niet-leden onderzocht, in: B. Wauters (red.), Wie is nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen. Leuven: Acco, pp. 123-144.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 6 tot 10