Abonneer Log in

In memoriam: Jan Blommaert

Lofrede voor een publiek intellectueel

Met het overlijden van Jan Blommaert verliest Links in Vlaanderen één van zijn meest invloedrijke intellectuelen.


(Foto: Jan Jans)

Voor ik het wist slorpten mijn thesis en Jans lessen mijn hele academiejaar op.

Jan is de belichaming van de geëngageerde intellectueel, geëngageerd voor de grote idealen

Bij momenten leek het alsof Jan alles had gelezen. Dat ook, was de plicht van de academicus.

Het moet midden oktober 2000 zijn geweest. Ik stapte de aula van de Universiteit Gent op de hoek van de Rozier en de Sint-Hubertusstraat binnen. Ik was toen net begonnen aan wat je met wat overdrijven kan benoemen als een persoonlijke missie. Ik had het jaar voordien met volle teugen genoten van het onderzoek voor en het schrijven van mijn licentiaatsscriptie. Hoewel net afgestudeerd als kersvers licentiaat cultuurwetenschappen, huisde er een fundamentele ontevredenheid in me. Een knagend gevoel, een acuut besef dat ik nog veel te leren had. In die twee jaar cultuurwetenschappen had ik de goesting voor onderzoek te pakken gekregen, maar er was geen ambacht. Ik wou een tweede kans en had me daarom ingeschreven voor een postlicentiaat ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict.

Ik zag dat jaar vooral als een mogelijkheid om een nieuwe thesis te kunnen schrijven. De regels van het programma waren duidelijk: de verhandeling moest gaan over een hedendaags conflict en gelinkt zijn aan een keuzevak. In 2001 laaide de Tweede Palestijnse Intifada op. Het leek me een uitgelezen kans om meer te weten te komen over een regio waar ik tot dan toe weinig over wist. Grasduinend door de lijst van keuzevakken viel mijn oog op het vak 'Racisme en beeldvorming' gedoceerd door een mij onbekende prof, Jan Blommaert. Ik besloot een proefles te volgen. Zo kwam ik bovenaan die aula in het majestueuze gebouw van de Gentse Boekentoren te zitten. Vooraan stond een rijzige jonge prof vol vuur te doceren over Roland Barthes. Over hoe diens theorie over de 'mythe' zijn tijd ver vooruit was en vandaag door sociolinguïsten werd bevestigd. Ik was helemaal mee.

Met lood in de schoenen vroeg ik professor Blommaert na afloop van de les of hij wou optreden als promotor voor mijn thesis over racisme en beeldvorming in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Wist ik toen veel dat zijn toestemming mijn levenspad voorgoed zou veranderen. Dolenthousiast kwam ik 's avonds thuis bij mijn kotgenoten die meteen te horen kregen over de relevantie van Roland Barthes. De week erop kregen ze alles te horen over hegemonie en Gramsci. Het was het begin van een wekelijks ritueel. Elke dinsdagavond ging ik vol enthousiasme naar zijn lessen. En elke woensdag ging ik naar boekhandel Walry om de boeken te bestellen waarover Jan daags voordien vol passie had gedoceerd. Voor ik het wist slorpten mijn thesis en Jans lessen het hele academiejaar op – een fenomeen dat ik ook bij zijn huidige studenten in Tilburg zie.

Voor ik het wist slorpten mijn thesis en Jans lessen mijn hele academiejaar op.

Plichtsbewust begon ik me in te werken in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik volgde al het nieuws over het conflict in The Jerusalem Post, Haaretz en Newsweek, op CNN en de BBC en in de Vlaamse media. Als de lessen van Jan me iets duidelijk maakten, dan wel dat de hedendaagse discoursen een geschiedenis hebben. Het bestuderen van die discoursen was dus maar mogelijk als ik zelf kennis had van die geschiedenissen. Na enkele weken besefte ik hoe breed mijn opdracht was. Jan suggereerde te beginnen bij Edward Saïd. Ik begon als een bezetene diens werken te lezen en al snel verslond ik ook het werk van auteurs als Robert Fisk, Amira Hass, Noam Chomsky en Herman Edward. Via die laatste ontdekte ik ook de zogenaamde nieuwe Israëlische historici zoals Benny Morris en Illan Pappé. Het boek dat me echter compleet van mijn sokken blies was Zeev Sternhells The Founding Myths of Israel. Voor de mensen die mijn werk kennen: het mag duidelijk zijn dat in het academiejaar 2000-2001 de kiemen gelegd werden voor mijn verdere levensloop.

Ik probeerde alles op te slorpen: van de ontstaansgeschiedenis van Israël tot de toen recente geschiedenis van de Osloprocessen. Die reis door de geschiedenissen van Israël vulde een fundamentele lacune die vele studenten cultuurwetenschappen ervaarden. Hij maakte heel erg duidelijk dat cultuur maar kan begrepen worden in een sociale, economische, politieke en technologische context. Het was ook meteen zonneklaar dat 'wetenschap' helemaal niet opgesloten zit in een ivoren toren zoals de populistische discoursen destijds verkondigden. Kennisproductie is deel van de wereld. Wetenschap schept mee onze blik op de wereld en dat legt een grote verantwoordelijkheid bij de wetenschapper. Dat laatste was iets waar Jan steevast de nadruk op legde: we zijn als wetenschappers genoodzaakt het beste van onszelf te geven, voor de wetenschap, maar ook voor de samenleving. De samenleving heeft belastinggeld in ons geïnvesteerd en het is onze plicht om terug te geven.

Oppervlakkig bekeken was mijn scriptie in grote mate een autodidactisch werkstuk. Het merendeel van de tijd zat ik alleen achter mijn studietafel. Ik denk niet dat ik meer dan tweemaal bij Jan aangeklopt heb voor concreet advies. Die twee sessies duurden – althans in mijn herinnering – niet meer dan tien minuten. Maar ze waren uitermate productief. Hij wees me op het feit dat de Israëlische discoursen het conflict depolitiseerden. Dat was slechts één zin, maar al mijn vaststellingen vielen ermee in de plooi. In de eerste sessie raadde hij me ook aan om het artikel 'The anatomy of apartheid' van Hanan Ashrawi te lezen en na de tweede sessie gaf hij me een kopie mee van een paper van discoursanaliste Rojo Martin Luisa over de personificatie en demonisatie van Saddam Hoessein. Beide papers hielpen me om de analyse van de data te ordenen in een thesis.

In werkelijkheid was die scriptie dus wel degelijk groepswerk. De combinatie van een nauwgezette studie van de geschiedenissen van Israël, de lessen van Jan, de studie van discoursanalyse en de persoonlijke sessies met Jan hielpen me om mijn data te analyseren. Ik leerde dat een geordende verzameling data een cruciale maar niet voldoende voorwaarde was om een goed onderzoeker te worden.

Mijn onderzoek maakte ook heel erg duidelijk hoe de media onze wereld framen en zo ook onze reacties sturen. Het gaf een urgentie aan de rol van de intellectueel. De intellectueel is geen 'media-expert' – een medialieveling die het heersende discours instemmend reproduceert – maar iemand die vraagtekens durft te plaatsen, die tegen de stroom ingaat als dat nodig is.

Dat academiejaar was – althans vanuit mijn perspectief – een groot succes. Hoe rudimentair het nog was, ik had een métier verworven. Het onvoldane gevoel was verdwenen. Dat rugzakje vol kennis en onderzoeksmethodes gaf me een duidelijke blik op de toekomst. Ik wou onderzoeker worden én zou bouwen aan een betere samenleving.

Toen Jan me na mijn thesisverdediging vroeg wat mijn plannen waren, antwoordde ik dat ik helaas werk moest zoeken en zou solliciteren voor de vacature van het Masereelfonds die bij hem aan het ad valvasbord hing. Die job heb ik niet gekregen. In de maanden na mijn afstuderen combineerde ik solliciteren met leeswerk en analyseren met klassieke 'klotejobs' om de huur te betalen. Bandwerk in de fabriek, telewerk in callcenters en werken in de beschutte werkplaats. Het sterkte me in mijn voornemen om mijn kennis in te zetten voor de samenleving.

Velen van mijn generatie herinneren zich het begin van de 21ste eeuw als een periode van snelle veranderingen en vooral hoop. Immers, die periode werd niet alleen getekend door de opmars van extreemrechts, het was ook de tijd van de andersglobalisten die wereldwijd opstonden en zichzelf zichtbaar maakten via hun eigen globale medium: Indymedia. Digitalisering leek de linkerzijde een duw in de rug te geven. In eigen land stonden antiracisten op en koppelden de wereld aan België en België aan de wereld. Antiracisme hier ging hand in hand met verzet tegen de bezettingspolitiek van Israël en de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten en Europa. Het Wereld Sociaal Forum droeg de hoop in zich dat het middenveld zich globaal kon organiseren en dat een andere wereld daadwerkelijk mogelijk was.

En toen kwam het ondenkbare. Ik was aan het werk als orderpicker in een depot met surfkledij toen op 11 september 2001 twee vliegtuigen de torens van het World Trade Center in New York doorboorden. Nadat het eerste vliegtuig in de toren explodeerde, werd het werk stilgelegd en keken we met zijn allen op een klein scherm hoe het tweede vliegtuig insloeg. Net afgestudeerd, met een hoofd vol informatie over het buitenlands beleid van de VS en de geopolitiek in het Midden-Oosten, zag ik duidelijk andere dingen op die monitor dan mijn collega's. Met uitzondering van een werker van Libanese afkomst, linkte niemand deze daad met een politieke geschiedenis. En geen enkele commentaar op het scherm richtte de pijlen op het Amerikaanse buitenlands beleid. De Israëlische generaal en tiende premier van Israël, Ehud Barak, werd opeens opgevoerd als 'neutrale' terrorisme-expert. De islam en de moslims werden de oorzaak. Deze gebeurtenis en de reacties van collega's waren het signaal om in de dagen, weken en maanden erna nauwgezet alle media op te volgen, te categoriseren en te analyseren. Werk dat later zijn weg zou vinden in De beschavingsmachine (EPO, 2009).

Achteraf bekeken gaf 9/11 de andersglobalistenbeweging een enorme dreun. De globale beweging verloor haar momentum. Ze bepaalde niet meer de agenda. De actieve logica waarbij mensen dachten en streden voor een betere wereld, werd een reactieve logica. De andersglobalistenbeweging werd opgezogen in de antioorlogsbeweging. Toen er een maand later in Gent een informele EU-top plaatsvond, leek het alsof de stad bezet was. Overal doken dranghekkens en politiekonvooien op. Kroegen, winkels en ook de universiteit moesten dicht. Op het Zuid verzamelden protestanten zich én gaven enkele docenten van de UGent les op straat als protest tegen het sluiten van de universiteit. Een van hen was uiteraard Jan Blommaert die er sprak als professor, maar vooral als publiek intellectueel met sympathie voor de andersglobalisten en als een vurig orator. Het versterkte nog mijn overtuiging om een weg te zoeken om mijn kennis publiek te maken, om onderzoek te doen dat van belang was.

Jan had toen net een nieuw boek uit – Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing (EPO, 2001) – waarin hij een vlijmscherpe analyse maakte van het Vlaamse politieke landschap. In een lovende recensie in De Morgen beschreef Karl Van den Broeck hem als een 'radicaal', die het 'K'-woord (kapitalisme) durfde te gebruiken. Als voormalig student begreep ik die kwalificatie niet goed. Ik had het boek gelezen en zag het als een uitstekend, empirisch onderbouwd academisch en pedagogisch werk. Wat er radicaal aan was, ontging me compleet. De kwalificatie van 'radicaal' werd me pas duidelijk toen ik later zelf dat label opgespeld kreeg in de media. Het is een label dat veel meer zegt over wat de normaliteit is in mediakringen, dan over de persoon en de analyse die zo gebrandmerkt worden. En het siert Jan dat hij zich nooit heeft laten beïnvloeden door dergelijke labels en door veel hevigere tegenstand van het journaille, de academische wereld, de ambtenarij en de politiek.

Jan is een klassiek voorbeeld van een publiek intellectueel. Iemand die een enorm rijke en veeleisende academische loopbaan op topniveau combineert met een uitzonderlijk maatschappelijk engagement. Wijlen Edward Said schreef over de intellectueel als iemand in ballingschap. Iemand die, gedreven door universele principes en kritische onderbouwde analyses, steevast gedwongen wordt om een buitenstaander te zijn, om de status quo te bevragen en die analyse publiek te maken. Jan is de belichaming van de geëngageerde intellectueel, geëngageerd voor de grote idealen: democratie, universele mensenrechten, rechtvaardigheid en gelijkheid. Hij uit zich niet voor het applaus, maar voor de grote principes. Hij spreekt niet om de machtigen te plezieren, maar om de stem van degenen in de marge te laten weerklinken.

Jan is de belichaming van de geëngageerde intellectueel, geëngageerd voor de grote idealen

Een jaar later had ik mijn eerste echte job. Ik startte als diversiteitsconsulent voor de Stad Gent en de Centra Algemeen Welzijnswerk. In wezen begon ik aan een nieuwe studie. Toeval wou, dat ook daar Jan me voor was. Jaren voordien had hij er een dijk van een actieonderzoek over opgezet en daar bouwde ik gretig op voort. Ook het vak 'Racisme en beeldvorming', en dan vooral zijn werk met Jef Verschueren (Debating Diversity) was een ongekend goede voorbereiding. De beroepsernst getrouw, begon ik alle werken rond diversiteit, diversiteitsbeleid, migratie en integratie te lezen. En zodoende stootte ik ook op zijn werken met Jef Verschueren en Albert Martens over antiracisme en over alternatieve paradigma's om over integratie en diversiteit te denken.

Ondertussen bleef ik na de werkuren onderzoek doen en trachtte ik mijn schrijfsels publiek te maken. Zo kwam ik uiteindelijk bij Kif Kif terecht. Die stap van de ambtenarij naar het middenveld voelde als een bevrijding. Vanaf 2002 bouwden we met een hele reeks vrijwilligers een antiracistisch platform op: een alternatief medium dat plaats zou maken voor de stem van onderuit. Jan had niet alleen een prominente stem op dat platform, hij kwam ook geregeld lezingen geven en leidde workshops. Ik kwam terecht tussen een groep strijdbare gelijkgestemden. En niet toevallig bleken er heel wat ex-studenten van Jan tussen te zitten.

In de periode tussen mijn afstuderen en de start van mijn doctoraat was Jan mijn blijvende connectie met de universiteit. Zijn door EPO uitgegeven boeken vormden samen met zijn bijdragen in tijdschriften als SamPol en VMT en op de website van het Centrum voor Islam in Europa mijn ingangspoorten naar de academische wereld. Ik las en bestudeerde ze systematisch, vlooide de referenties uit en trachtte die ook te lezen. Via zijn working papers leerde ik topacademici uit alle hoeken van de wereld kennen. Zijn engagement voor open source publishing en verzet tegen de academische uitgeverijen was niet alleen voor academici aan minder geprivilegieerde universiteiten een zegen, het was dat ook voor mensen als ik die in het middenveld actief waren.

Zowel Jans academische loopbaan als zijn manifestaties als publiek intellectueel dienden bij te dragen aan die betere wereld. Zijn interventies waren telkens didactisch van aard. Ze namen de lezer, kijker of student bij de hand en deden hem of haar dingen zien die totdat Jan sprak onzichtbaar waren gebleven. Als docent wilde hij geen indruk maken, hij wilde dat de student die afstudeert een ambacht verworven heeft. Jans wetenschappelijke en maatschappelijke impact is net daarom niet te onderschatten.

Jan Blommaert is zonder twijfel een van de belangrijkste academici in Vlaanderen. Hij heeft honderden peer reviewed papers gepubliceerd. Zijn boeken zijn uitgegeven door de crème de la crème van de wetenschappelijke uitgeverijen, van Cambridge University Press over Routledge tot Bloomsbury. Hij vloog de wereld rond voor lezingen en workshops en was verbonden aan topuniversiteiten in Groot-Brittannië, de VS, China, Finland, Zuid-Afrika, en Nederland. Hij is daarenboven ook een van onze meest geciteerde academici. Weinigen komen tot aan zijn enkels.

Hij combineerde dit academische werk met het schrijven van tientallen Nederlandstalige boeken, honderden analyses op alternatieve media en interviews in de reguliere media. Hij sprak op honderden debatten, workshops en lezingen voor het middenveld. Hij was zo vaak te gast bij de vakbonden dat het leek alsof hij er werkte. Bij momenten schenen er twintig Jan Blommaertsen aan het werk. Zijn rol als publiek intellectueel was zeer gelijkaardig aan zijn rol als academicus: het informeren van het publiek, de mensen leren zien. Enkel als hij kon informeren, en dus mee het format bepaalde waarin hij sprak, ging hij trouwens in op de uitnodiging, gratis dan nog.

Jans erfenis is dus lang niet beperkt tot de academische wereld. Hij heeft eigenhandig een groot deel van de mensen uit ons middenveld – het hart van de democratie – opgeleid. Toen ik in 2004 de kans kreeg mee Kif Kif Mediawatch op te zetten, boden zich elk jaar een nieuwe reeks vrijwilligers aan die opgeleid waren door hem en klaarstonden om mee de antiracistische strijd aan te wakkeren. Je vindt oud-studenten van Jan in het middenveld, de journalistiek, de ambtenarij en de politiek.

Jan Blommaert is de belichaming van de publieke intellectueel en zijn leven staat ten dienste van dat ideaal. Voor zover ik hem ken, heeft hij nooit voor de makkelijke weg gekozen. Hij is niet de supernetwerker of de man die stroop aan de mouw smeert. Hij is rechtdoorzee en floreert door zijn harde werk, kwaliteit, doortastendheid en volhardendheid. Dat maakt hem niet de makkelijkste mens, maar het maakt wel dat je weet wat je aan hem hebt. Dat werd mij duidelijk toen hij als promotor wou optreden van mijn doctoraat over de N-VA. Ik vergeet nooit hoe hij zei zich hard te maken om dat doctoraat te starten. De rest is aan jou, zei hij. Die rest is ondertussen geschiedenis. Mijn doctoraat maakte dat ik een compagnon de route had. Iemand die me zowel bekritiseerde als steunde. Het zou er uiteindelijk ook toe leiden dat ik zijn collega werd.

Sinds 2015 heb ik het genot gehad met hem te werken aan de universiteit van Tilburg. Vijf jaar lang reden we samen op en af en bediscussieerden we onze analyses, deelden we ons onbegrip over de staat van ons land en de wereld, bekritiseerden we de assumpties in de vragen van journalisten en het alomtegenwoordige dilettantisme. We bespraken ongeschreven boeken, onderzoeksprojecten en losse ideeën. We planden onze droomopleiding. We gaven uiting aan onze frustraties maar bovenal bulderden we op gezette tijden van het lachen. Telkens was er het engagement, de gedrevenheid en de onverzettelijkheid om voor het beste te gaan. Telkens was er ook de vaststelling van zijn eruditie. Bij momenten leek het alsof Jan alles had gelezen. Dat ook, was de plicht van de academicus.

Bij momenten leek het alsof Jan alles had gelezen. Dat ook, was de plicht van de academicus.

Dit boekje wordt best gelezen als een uitnodiging aan docenten om de rol op te nemen van publiek intellectueel en democratisch pedagoog. In het dankwoord van mijn doctoraat schreef ik dat in dat onderzoek, en in al mijn huidige en toekomstige publicaties Jans stem doorklinkt. Jan heeft me intellectueel gevormd en daar zal ik – en velen anderen – hem altijd dankbaar voor blijven. Ik kan enkel maar hopen dat andere studenten dergelijke docenten tegen het lijf lopen en dat ik zo'n docent ben voor een nieuwe generatie studenten. Dit voorwoord is een lofrede. Niet alleen voor Jan als publiek intellectueel, maar voor de academicus als publiek intellectueel. De academicus die niet louter een werknemer is in een diplomafabriek, maar die zich verbeeldt als een hoeksteen van de democratie. Een academicus die zowel zijn onderzoek, zijn docentschap als zijn maatschappelijke manifestatie ziet als zijn opdracht. Dat betekent dan ook dat hij of zij die opdrachten met zorg en engagement opneemt.

Iedereen die in de academische wereld werkt, weet dat dit geen makkelijk te combineren opdracht is. We werken en in vele gevallen leven in een academische wereld die ons helemaal opslorpt, die een combinatie met een sociaal leven, laat staan een maatschappelijk leven, onmogelijk maakt. Het gevolg is dat we vaak te snel kiezen om dat maatschappelijk en sociaal leven in de kast te stoppen. Het is hoog tijd dat de academicus de structuren in het vizier neemt die die maatschappelijke rol beknotten, zodat we terug ten volle die rol van publiek intellectueel kunnen opnemen. Jans terugblik kan ons helpen vooruit te kijken. Om te strijden voor de plaats van de publieke intellectueel in de samenleving en aan de universiteit. Om ons te verzetten tegen onze instrumentalisering als efficiënte diploma-uitreiker en onszelf terug de ruimte te gunnen te denken, te onderzoeken en onze maatschappelijke rol op te nemen. En avant!

Deze lofrede van Ico Maly verscheen als voorwoord in 'Jan Blommaert – Wat er echt belangrijk was in mijn leven' (epo, 2020)

Jan Blommaert was jarenlang redacielid van Samenleving & Politiek. Vooral in de beginperiode van ons blad in de jaren 1990 schreef hij vele & vele stukken, een laatste keer nog in oktober van vorig jaar. Herlees al zijn stukken via https://www.sampol.be/auteur/jan-blommaert.