Abonneer Log in

Als het maar een vrouw is, toch?

Het debat rond de naamsverandering van de Brusselse Leopold II-tunnel naar de Annie Cordy-tunnel was problematisch. Hoeveel inwoners van onze hoofdstad kennen Annie Cordy?

Had het resultaat er anders uitgezien als we konden kiezen uit personen die nog in leven zijn?

De weg naar feminisering van de publieke ruimte mag de roep naar meer inclusie niet ondersneeuwen.

Van de straten in Brussel die naar iemand vernoemd zijn (43%), zijn er slechts 6,1% vernoemd naar een vrouw. Qua (non)representatie kan dit tellen. Representatie vraagt om participatie, en omgekeerd. En laat nu net daar het schoentje wringen. Het Brussels Gewest startte eind 2020 een procedure voor de naamswijziging van de Leopold II-tunnel. De renovatie van de tunnel moest gepaard gaan met een nieuwe naam, liefst verwijzend naar een vrouw en weg van de herinneringen aan een koloniaal verleden. Vijftien kandidaten werden voorgesteld door een expertenjury en een maand later koos 22% van de 30.715 stemmers voor Annie Cordy. Stemmen kon via de website van Brussel Mobiliteit. Tot zover niets aan de hand, toch?

Steden en regio's zijn de plekken bij uitstek om aan participatieve besluitvorming te doen. Stedelijke planning heeft een rechtstreekse impact op de leefomstandigheden van de bewoners. Er zijn echter politieke, maatschappelijke en economische ontwikkelingen wereldwijd die een invloed hebben op de plaats die democratie inneemt in onze steden. Het samenleven in de stad ontsnapt hier niet aan. Participatieve besluitvorming evenmin. De coronapandemie met de daaropvolgende restricties, de MeToo-dynamiek, het dekolonisatiedebat, de BLM-beweging, de klimaatverandering, het gebrek aan solidariteit in het EU-migratiebeleid, ... Al deze ontwikkelingen zijn voelbaar in onze steden, en al zeker in de hoofdstad van Europa waar meer dan 70% van buitenlandse herkomst is. Zouden zij Annie Cordy kennen? Hoeveel van deze inwoners zouden hebben gestemd? Op welke manier zijn zij op de hoogte gebracht van het initiatief? Wat is hun mediagebruik? Wat met de digitale kloof? Zo'n 15% van de Brussels huishoudens heeft namelijk geen internetaansluiting, 11% heeft zelfs nog nooit op het internet gesurft. Aan wie hebben we dan inspraak gegeven?

Onderzoek heeft uitgewezen dat participatieve stedelijke planning vaak outputgericht (benaderen van verschillende groepen) is en niet zozeer resultaatgericht (effectief rekening houden met hun ideeën). Ook leidt het tot een uitbreiding van participatie van zij die al in een bevoorrechte positie zitten. Zo ontstaan dominante drukkingsgroepen. Denk maar aan de debatten tussen fietsers versus autolobby. Beide groepen lijken even te vergeten dat stedelijke mobiliteit multimodaal is, of althans behoort te zijn, en dat hun stemmen niet noodzakelijk weerspiegelen waar de sociaal zwaksten mee te kampen hebben.

Had het resultaat er anders uitgezien als we konden kiezen uit personen die nog in leven zijn?

Participatie moet worden gestuurd in de richting van inclusie, niet enkel door te luisteren naar de verschillende belangen maar ook en vooral door de ondervertegenwoordigde achterbannen te mobiliseren en te helpen hun voorstellen te beargumenteren en te kanaliseren. Wat eigenlijk wil zeggen dat de eerste stap moet zijn: begrijpen en erkennen dat stadsplanning niet neutraal is en dat meer aandacht moet gaan naar sociaal georiënteerde benaderingen van participatie. Zijn wij bereid om vastgeroeste praktijken te verlaten? Annie Cordy – naar wie trouwens al een park in Laken vernoemd is – was de weg van de minste weerstand. Ja, de publieke ruimte moet – minstens in de naamgeving – vrouwen erkennen. En ja, dit doe je best door vrouwen een plaats te geven in het besluitvormingsproces. Dit vergt echter een duidelijke visie en kader. Waar staan wij voor inzake openbare ruimte? Om polemieken te vermijden, moet dit kader op voorhand duidelijk zijn en niet worden opengelaten voor participatie. Beleidsmakers mogen zelf best meer ambitie hebben en dit kader tillen naar een niveau waarbij het planningsproces zelf in vraag wordt gesteld. Had het resultaat er anders uitgezien als we konden kiezen uit personen die nog in leven zijn? De richtlijn van de Commissie voor Toponymie is namelijk dat een persoon al overleden moet zijn vooraleer een straat naar hem of haar vernoemd kan worden. Waarom houden we vast aan deze richtlijn, gezien de Commissie niet-bindende adviezen geeft? Zonder deze richtlijn, hadden we dan geopteerd voor de naam van een vrouw die resoneert met de meer dan 70% Brusselaars van buitenlandse herkomst en de gedeelde geschiedenis?

De weg naar feminisering van de publieke ruimte mag de roep naar meer inclusie niet ondersneeuwen.

De weg naar feminisering van de publieke ruimte mag de roep naar meer inclusie niet ondersneeuwen. Vanuit het beleid ligt de uitdaging in het balanceren van de complexiteit van belangen en het niet in de val trappen van participatie. Indien we participatieve stedelijke planning zien als een onderdeel van gemeenschapsontwikkeling en het bereiken van gedeeld eigenaarschap, dan moeten we ons bewust zijn van de gebreken van het participatief proces. Willen we de betrokkenheid van verschillende sociale groepen vergroten, dan moeten de toegankelijkheid van openbare diensten en diens initiatieven verbeterd worden. Participatie enkel via de website van één specifieke dienst die waarschijnlijk amper gekend is bij vele burgers, is dus niet wenselijk. Inclusieve planning legt dan ook de nadruk op de implicatie en integratie van zij die het gemakkelijkst kunnen worden uitgesloten. Leiderschap vanuit het lokaal bestuur, adviezen van relevante experts in samenwerking met een slagkrachtige maatschappelijk middenveld, is cruciaal. Deze laatste heeft namelijk al aangetoond onmisbaar te zijn voor het proces van kennisdeling en -verwerving bij groepen die op klassieke wijze niet te bereiken zijn. Participatie, graag. Inclusie, nog liever.