Abonneer Log in

Hervorm het doctoraatsstatuut

Academische hunkering naar flexibiliteit, leidt tot precaire statuten.

De economische voordelen zijn bijna integraal voor de universiteit, de sociale nadelen voor de doctorandi.

Aan de KU Leuven wil Jan Tytgat een bursalenstatuut zoals aan de UGent ontwikkelen, terwijl Luc Sels daar geen graten in ziet.

'Wanneer ga je een echte job zoeken?' Die vraag kreeg ik steevast op elk familiefeest voorgeschoteld toen ik doctoraatsstudent was. Keer op keer leidde dat tot frustraties. Ondanks de titel voelde ik me geen student, maar een volwaardige werknemer. Net zoals de postdocs en mandaatassistenten rondom mij verrichtte ik intellectuele arbeid, en net zoals bij hen verscheen er maandelijks een geldbedrag op mijn bankrekening. In tegenstelling tot echte studenten moest ik sociale bijdragen betalen en formeel vakantiedagen registreren.

Maar de familieleden hadden meer gelijk dan ik wou toegeven. Als doctoranda had ik geen 'echte job'. Ik was formeel een studente, kreeg geen loon maar een beurs, en had geen arbeidscontract. Als bursaal ben je een student omdat je geacht wordt om uitzonderlijk wetenschappelijk onderzoek te verrichten met als doelstelling het behalen van een doctoraatsdiploma. Aangezien dit als een studie gedefinieerd wordt, worden doctorandi vrijgesteld van de inkomensbelasting en ontvangen ze een beurs in plaats van een loon. Dit type aanstelling werd in 1993 in het leven geroepen en staat omschreven in de circulaire van 6 februari 1997.

Op het eerste zicht valt er weinig op deze regeling aan te merken. De fiscale vrijstelling maakt meer wetenschappelijk onderzoek mogelijk met de bestaande werkingsmiddelen. De omschrijving in de circulaire stipuleert dat de bursalen zich vier prachtige jaren kunnen wijden aan wetenschappelijk onderzoek. Dat is op intellectueel vlak een pure luxe en dat soort periode van persoonlijke en wetenschappelijke ontwikkeling krijg je geen twee keer.

JURIDISCH ONDUIDELIJK EN PRECAIR STATUUT

Toch is de situatie niet zo rooskleurig als ze lijkt. De grootste groep onderzoekers aan onze universiteiten, de sterkhouders van onze kenniseconomie, zitten in een juridisch onduidelijk en precair statuut. De protesten blijven binnensmonds of binnenskamers, doordat net vanwege die precariteit en de wens om onderzoek te mogen verrichten slechts weinigen de situatie durven aankaarten. Het is hoog tijd dat we de pijnpunten en negatieve bijwerkingen van het doctoraatsstatuut voor de bursalen en de academische wereld durven benoemen, zodat we aan een oplossing kunnen werken.

De economische voordelen zijn bijna integraal voor de universiteit, de sociale nadelen voor de doctorandi.

Ten eerste zijn de voordelen van een belastingvrij statuut bijna integraal voor de universiteit, terwijl de sociale nadelen op de schouders van de doctorandi terecht komen. Doctorandi krijgen een beurs die gelijkgesteld is aan het loon van assistenten of wetenschappelijk medewerkers, maar bouwen wel minder pensioen op, krijgen een lagere eindejaarspremie en vakantiegeld en hebben in het geval van werkloosheid na het contract slechts recht op een lagere werkloosheidsuitkering. Deze vorm van systemische ongelijkheid komt voort uit de atypische sociale verzekering. Doctorandi betalen wel RSZ, maar aangezien het bruto en netto loon quasi gelijk zijn, worden er minder sociale rechten opgebouwd.

Ten tweede zitten de doctorandi in een juridisch precaire situatie. Vele doctorandi beseffen dit niet, maar ze vallen buiten het reguliere arbeidsrecht. Als studenten hebben ze geen arbeidscontract en zijn ze juridisch gezien geen werknemers. Dit juridische limbo wordt niet verholpen door de omzendbrief van 1997, de opeenvolgende addenda of de eigen universitaire regels. Alle wetgeving blijft bijzonder vaag over de rechten en plichten van doctoraatsstudenten. In geval van conflicten hangt het vaak af van enkele precedenten, of de interpretatie van de rechter in kwestie.

De laatste, en meest netelige, kwestie is de afhankelijkheid van doctoraatsbursalen. Als studenten hebben zij geen werkgever maar een promotor. De universiteit is een gastinstelling, eerder dan een echte werkgever. Hoewel de meeste promotoren en doctoraatsstudenten een goede verhouding en werkrelatie ontwikkelen, zijn er weinig vangnetten voor het geval het misgaat. Wat te doen als de promotor onterecht zijn naam op de publicatie van een doctoraatsstudent zet? Waarheen wenden als je promotor je doctoraatstraject eenzijdig stop zet? Hoe reageer je als je promotor pas achteraf opbiecht dat er minder projectfinanciering is dan aangekondigd en je hierdoor een jaar of twee van je traject in rook ziet opgaan? Al deze conflicten heb ik al weten gebeuren. In de academische wereld is de stelregel dat dit soort problemen en conflicten opgelost moet worden door bemiddeling en zelfcontrole. Vertrouwenspersonen, meestal de directe of indirecte collega's van de promotoren in kwestie, worden ingeschakeld om een compromis of oplossing te verkrijgen. De ervaring leert echter dat flagrante kwesties van wetenschappelijke integriteit, fraude en grensoverschrijdend gedrag onvoldoende aangepakt worden en doctorandi zich niet beschermd genoeg achten om dit aan te kaarten.

RECTORVERKIEZINGEN KU LEUVEN

Een fiscaal afwijkend regime en een afgeschermd onderzoekskader ontwikkelen voor doctoraatsstudenten is één zaak. Hen onvoldoende juridisch beschermen en in een precair statuut steken is een andere zaak. Doctoraatsstudenten verdienen op dat vlak dezelfde voordelen, bescherming, sociale verzekering en duidelijk omschreven en bindende statuten als de andere academische medewerkers.

Aan de KU Leuven wil Jan Tytgat een bursalenstatuut zoals aan de UGent ontwikkelen, terwijl Luc Sels daar geen graten in ziet.

De UGent ontwikkelde al een eigen bursalenstatuut waarin juridische transparantie, voldoende bescherming, en garantie op een termijn van vier jaar werden vastgelegd. Vorige week mocht ik beide rectorkandidaten aan de KU Leuven ondervragen over hun mening over het bursalenstatuut. De verschillende visies zijn kristalhelder. Terwijl Jan Tytgat een soortgelijk bursalenstatuut wil ontwikkelen, ziet Luc Sels geen graten in het statuut an sich. Sels wil eerder inzetten op begeleiding van doctorandi en meer stabiele contracten te voorzien voor postdocs. Hun uitgebreid antwoord kan je hier bekijken. Dit is een uitgelezen moment om aan alle Vlaamse universiteiten de problematiek op tafel te leggen. Individuele vrijheid en intellectuele autonomie staan niet haaks op een degelijke juridische omkadering met duidelijke statuten. De passie voor onderzoek en de intellectuele uitdaging mag niet langer als excuus gebruikt worden.