Abonneer Log in

Aan de dichters

Samenleving & Poëzie

Vuylsteke was een tijd advocaat en werd later boekhandelaar. Als student stichtte hij in 1852 het Taalminnend studentengenootschap 't Zal Wel Gaan, Een vrijzinnig, progressieve en vlaamsgezinde vereniging die streefde naar de vernederlandsing van de Universiteit Gent. Het is nu de oudste nog bestaande studentenvereniging van Vlaanderen. Vuylsteke speelde een belangrijke rol in de Vlaamse Beweging als liberaal politicus en ijverde voor culturele samenwerking met Nederland. Hij was verwoed antiklerikaal en werd voorzitter van het Willemsfonds. Na zijn politieke carrière ging zijn aandacht voornamelijk naar de geschiedenis van Vlaanderen. De tijdens zijn studententijd geschreven gedichten getuigen van het uitluiden van de romantiek en het begin van het realisme in de literatuurgeschiedenis. Vuylsteke spot met (over)gevoeligheid en is beïnvloed door Heinrich Heine. Zij werden gebundeld in Zwijgende liefde (1860) en Uit het studentenleven en andere gedichten (1868).

De wereld slaapt. In schand'ge banden
ligt 't menschelijk geslacht verdraaid.
O Dichters! doet het vuur weer branden,
eer 't laatste vonkje is uitgewaaid.
Terwijl 't gebroed der rijmelaren
gedwee der meesters zolen lekt,
zingt luid, gij stoute Harpenaren,
gij moet de klok zijn die de wereld wekt.

Dan zullen zij hunne oogen wrijven,
rondtasten in de duistre nacht;
zij voelen ijzers om hun lijven,
waarin de nauwe borst versmacht.

O dichters, slaat uw vrije snaren;
bij uw gezang zal in één' aâm
Noord, Zuid, en Oost en West vergâren:
gij moet de klok zijn die ze roept te zaam.

Dan zullen zij de hand zich geven
in meer dan millioenental;
dan zullen zij niet langer beven,
dan rijzen hunne hoofden al.
O Dichters, zingt! vooruit! geen vreezen!
het menschdom is ten strijd bereid,
het wil 'n broederleger wezen:
gij moet de klok zijn die het leger leidt.

Dan wordt de heil'ge strijd gestreden,
een strijd zoo grootsch, zoo bang, zoo naar:
de toekomst werpt zich op 't verleden,
de strijders storten op elkaâr.
Dan wordt de grijze burgt besprongen
waar 't oud geweld zijn macht in schept;
O Dichters, dondrend nu gezongen:
gij moet de klok zijn die den storrem klept.

Dan wordt een donker graf gedolven
voor de overwonnen dwinglandij;
en Noord en Zuid legt neer de kolven,
en jublend klinkt het: De aarde is vrij!
O Dichters! slaat uw forsche snaren,
en gallemt uw triomflied uit;
heft aan den lof der martelaren;
gij moet de klok zijn die den zege luidt.