Abonneer Log in

Corvus Splendens

Zomerreeks 2021 Samenleving & Poëzie

Annelie David (1959, Keulen) is danser, dansmaker en dichter. Sinds 1982 leeft zij in Amsterdam. In 2004 wordt zij bekroond met de Dunya Poëzieprijs. Haar gedichten verschijnen in diverse literaire tijdschriften. Zij debuteert in 2013 met Machandel. Bij PoëzieCentrum Gent verschijnt haar vertaling van de gedichtenbundel Am Kalten Hang / op de koude helling van de auteur Esther Kinsky, (2016). Uitgeverij Vleugels publiceert in 2020 Sensorium etc, een bloemlezing van de poëzie van Friederike Mayröcker, die David i.s.m. Lucas Hüsgen heeft vertaald. Davids nieuwste bundel schokbos (Uitgeverij Oevers, 2020) is genomineerd voor de longlist van de Grote Poëzieprijs 2021.

kom, ja, treed binnen, vreemdeling

ik word wakker en denk wie ben ik
en ben een kraai

                                                                  op een vierkant of zeshoekig veld
                                                                  hip ik de hoeken af

met lange snavel gebogen haak
eet ik wat rondslingert

                                                                  mijn staart wipt zo zwart
                                                                  ook ben ik voltallig beklauwd

paradeer over de aarde
veelbelovend maar kras

                                                                  voor een kraai ben ik te grijs
                                                                  en te grijs voor een specht

bouw een geeuwend nest
van sluimer en draad

                                                                  mijn brede de vreemde brengende
                                                                  wiekende wieken knipperen obsidiaan

de oceanen wil ik oversteken
alsof ik doezel

                                                                  ik ben op weg naar nieuwe bomen
                                                                  die van honing druipende vielen

speelweide van kraaien als wij
zijn op aarde de havens de steden

                                                                  kommt ein vogel geflogen
                                                                  setzt sich nieder

ik schuw de mensen niet
ben ik zelf sluw en verdorven

                                                                  waarom glimlachen sommigen
                                                                  en zijn anderen ijzig

ik zweef door het raam
klauw jullie brood, doodgemakkelijk

                                                                  ik ben niet de schaduw
                                                                  het duister van de nacht

ik ben niet tot stof bevroren
niet in de winter

                                                                  wat jullie horen in het binnenste
                                                                  van de struiken is mijn liefkozen

de nesten van mijn allermooiste zusters
en broers, vernietig ze niet

                                                                  tot de dauwbramen rijp zijn
                                                                  breng ik de kinderen van anderen groot

mijn vaderloze, moederloze,
nutteloze schurken

                                                                  het best kan je ons doden
                                                                  in de schoonheid van een bos

alle vogels hebben namen
totdat ze opvliegen