Abonneer Log in

Fragment uit een roman

samenleving & Poëzie

Karel van de Woestijne (Gent, 1878 - Zwijnaarde, 1929) was een Vlaams schrijver en broer van de schilder Gustave van de Woestijne. Hij is vooral bekend van zijn impressionistische en symbolische gedichten die een zeker weemoedigheid met zich meedragen. In zijn jongeren jaren leunde hij aan bij het anarchisme zoals velen van het invloedrijke tijdschrift Van Nu en Straks waar hij aan bijdroeg. Later keert hij zich naar het christendom en wordt bijna een mystiek dichter. Samen met zijn broer Gustave behoorde hij tot de kunstenaarskolonie van Sint-Martens-Latem. Hij wordt journalist, ambtenaar en professor aan de Universiteit Gent zonder ooit een diploma gehaald te hebben.

Dan hadden de mannen gezeid tot de vrouwen: 'We zullen heen gaan: slobbig is het water, en het brood verzuurd.' En de vrouwen hadden de magere kinderen bij de hand genomen, en ze waren gekomen, hier, naar de vlakte... Maar waarom ze hier gekomen waren, wisten ze niet. De harde keienwegen, breede slijkvaarten gelijk, hadden er veel hunne ellende heen zien slepen, hun moe lijden heen zien dragen op de goedig gedweeë schouders. Want heel veel waren er gekomen de grauwe wegen langs: al de ellenden der verre, povere gehuchten. Eenige hadden ezels meê die men hun niet ontnomen had. En die afgesloofde dieren droegen nu die arme menschjes naar dat zeer klein beetje hoop dat in hun was komen te leven. - En langs het komen hadden vrouwen gebaard. Maar de borsten hadden geen melk. En dan hebben de vrouwen de keel toegenepen aan de kinderen. - En andere kinderen waren heel-heel ziek: die heeft men te rusten geleid op het stroo der eenige wagens. En zoo hebben ze tot ginds de vlakte de lijken van kinderkens achter zich meê-gesleept...

Och, àllen hadden zich daar heen laten voeren door ze wisten niet wat, dat er hen heen stuwde.

En van overal waren ze gekomen. Daar waren schrompelige boeren met knoestige, vereelte handen van werken, en met hoevele jaren van looden landarbeid op den rug die er onder bukte. Daar waren mannen, wier ingebeukte borst de pijnen zei van diegene die de stroomen langs de vol-beladen schepen zeulen. Daar waren jongens, als winterboomen mager, wier haveloos aangezicht, wier giloogen gierden van verbeten woede en in-geriemde driften, wier kromme, gebroken leden vertelden van hijgende pijniging onder zweepslagen. Daar waren houthakkers, zeeldraaiers, smeden, metselaars. Daar waren er ook uit de beefhoeken der dorpen: wilde beren, roovers der aardevruchten; en dezen hadden groote, verroeste bijlen en zeisen meê gebracht. De vrouwen hadden zich bij elkaar geschaard, en vertelden hun lijden: 'de koe is voor twee dagen van honger gestorven, en men had ze hun gelaten omdat ze de ziekte had. Het kind is dood gegaan van puisten op gansch zijn lijfje; en een ander kind, van de beenderziekte...' En de geel-bleeke kinderen hadden in de oogen den schrik van hetgeen gebeurde...

Daar waren er ook bij uit de voorsteden: werklui, staag vermoord in de walmende fabrieken; stinkende bedelaars met leepoogen; gebochelde krukkeslepers, nap-kruipers die smeekten dat men ze op de wagens zetten zou, in het stroo, bij de kinderlijkjes. En nog deze: een man met hongeroogen, en lang, zwart haar... En daar waren ook verkochte vrouwen, wier mond door de kussen verbrand was, wier armen al de geilheid van de driften gedragen hadden, en wier borst gansch het wicht der ontucht had gevoederd; en deze, met hunne tranen die door het poudre-de-riz beekten, zeiden de moeheid van 't verkochte vleesch, en de zwaarte-om-dragen der verplichte passie, en al de armoede der gil-roode weelden. En zoo ook zeiden de fabriekwerkers den dood dien de vleugelwielen om hun lijf wiekten. En de bedelaars toonden hunne wonden. En de boeren zeiden: 'Anderen eten onze velden...'

En zoo kwam de stoet, tusschen de magere rijen boomen der kreunende herfstwegen, naar het veld der ongeweten bestemming. Oneindige droefheid slierde de avond over de onbeperkte vlakte. En ze stonden in dichte drommen op elkaar gestampt, en ze voelden elk in zich de leegte van hemel en aarde. Zij, die heel ziek waren, hadden zich op de geelgestoppelde aarde uitgerekt. De kinderen sliepen kreunslapen aan de triestige borst der moeders. Mannen trachtten het wild branden in hunne handen te lesschen in de beken die door de vlakte sneden. Twee hoeren zongen hunne droefheid in een geil lied van vroegere passies... Men had, uit jonge boomen, vier vuren aangeleid, en de vlammen worstelden hunne doorntongend oor de lam-vredige lucht...