Abonneer Log in

Dreef door de eerste tellen

Samenleving & Poëzie

Meity Völke (Roermond, 1980) schrijft poëzie en proza. Ze studeerde Nederlands in Nijmegen, en is in december 2019 afgestudeerd aan de Schrijversvakschool te Amsterdam. Op 7 februari 2019 heeft ze met haar gedicht ‘Onder Water’ de Turing Gedichtenwedstrijd gewonnen, een prestigieuze poëziewedstrijd. ‘Onder Water’ werd gekozen uit ruim 7000 inzendingen van bijna 2500 dichters. Het was bovendien een jubileumeditie van de Turing Gedichtenwedstrijd, die dat jaar voor de tiende keer werd gehouden. Een jaar later werd haar poëziedebuut Aan het licht gepubliceerd. Een nieuwe dichtbundel is in voorbereiding. In november 2020 kwam de biografie Rode komeet van Sylvia Plath uit, waarin 750 dichtregels vertaald zijn naar het Nederlands door haar. Een soort tweede debuut, maar dan in een andere discipline. Gedichten van Meity Völke zijn gepubliceerd in Het Liegend Konijn en Meander. Verschillende werken van Meity Völke zijn te bestellen in iedere boekwinkel, via de site van de Singel Uitgeverijen | De Arbeiderspers of via de gebruikelijke internetboekhandels.

1.

Dreef door de eerste tellen van de dag waarin het lijf
gewichtloos is. Stond op toen de zwaarte kwam.
Werd droevig van zwerfafval. Liet evengoed liggen.
Zei hardop: je leeft om de dingen heen. Dronk geen
alcohol maar wilde wel. Telde drie parels:
het warrige haar van mijn zoon op mijn kussen,
een onverwacht telefoontje, een bonte specht
op het gazon. Vertaalde regels van een Amerikaanse
dichteres. Hoorde de deadline aanrukken als een
trommelcorps. Besloot van tijdsdruk te houden.
Waaierde uit over een onbeschreven A4. Miste. Hield aan.

2.

Sliep om een mug heen. Leidde drie tomatenplanten
omhoog. Zag donkere bewolking komen die eenmaal
boven mijn hoofd geen bui meer droeg. Dacht aan de inkt
van slecht nieuws en hoe die je altijd droog bereikt.
Luisterde naar de oudste man die ik ken. Legde een
blauwdruk aan van het moment. Wist: wat ik mij
herinner Is wat overblijft. Woog oude en nieuwe
vakantiefoto’s. Vergeleek bagage. Maakte iets klaar
dat over datum was. Ontwarde. Streek glad.

3.

Bezocht de randen van de stad waar tuinen
ongemerkt overgaan in weideland en water.
Nam mijn dochters hand. Noemde die blank,
de mijne bruin. Noemde die wit, de mijne
getint. Kreeg buikpijn van de tijdgeest. Haalde een
ziek konijn van de weg en gaf het schaduw. Zag
de snelheid van het einde of dat snelheid eindig is.
Bedacht: ze sterven altijd in dezelfde houding.
Wilde gevulde aubergine. At courgettesoep.
Haalde diep adem. Zwaaide uit. Wuifde weg.

4.

Vroeg de wifi-code in een kerk. Kreeg die.
At een vis naast het altaar. Sprak over vluchten,
kou en treinwagons, over heimweesporen in
de grond. Werd bedankt. Nam moeilijk aan.
Wist niet of ik als dichter ooit tevreden was.
Besloot dat mijn gedichten haltes zijn tot waar
ik schrijf of wacht om bij een nieuwe regel in
te stappen. Reed drie uur snelweg. Zag geen heuvels.
Zocht een synoniem voor vlak. Vond: afgestompt.

5.

Ontwaakte in gisteren. Hees me in het heden.
Gaf de ander vrij van mij. Zocht de zon op voor het
raken van mijn huid. Omhelsde mijn vaders broer.
Herkende. Omhelsde mijn moeders broer. Huilde.
Legde mijn huissleutels in een regenlaars, mijn niet
genomen stappen in de armen van een oude vrouw.
Hield twee voeten in het gras, twee ogen in de schaduw.
Dacht uit het niets aan oneindigheid. Beloofde mijn
hoofd een pauze maar remde niet. Volgde de lijnen van
mijn nieuwe huis. Overdacht de winter. Hoopte. Sloot uit.