We geloofden in de kracht van de markt en de belofte van vooruitgang. Maar pas nu beseffen we: klimaatbeleid is machtspolitiek.
In 2026 zal ik 25 jaar met klimaatbeleid bezig zijn. In 2001 begon ik als jonge beleidsmedewerker bij de Vlaamse milieuadministratie, net op het moment dat Europa een experiment startte dat destijds door velen werd afgedaan als utopisch: een markt voor CO₂-emissierechten. Het EU Emission Trading System (EU ETS) was meer dan een klimaatinstrument - het was de belichaming van een ideologie. De overtuiging dat de markt, eenmaal voorzien van de juiste prijsprikkels, de klimaatcrisis zou oplossen. De staat hoefde alleen de regels te stellen en vervolgens op te stappen. Industriebeleid was een vies woord, staatssteun was taboe, en technologieneutraal beleid - oftewel: geen keuzes maken - was het devies.
Ik zat rond 2002 aan de onderhandelingstafel toen de EU ETS-richtlijn vorm kreeg, en later bij de omzetting ervan in Vlaanderen. Het was een tijd van hoop, maar ook van naïviteit. President Bush had net het Kyotoprotocol afgezworen, de VS keerden klimaatwetenschap de rug toe, en Europa stond er alleen voor. Wij zouden het anders doen. Wij zouden bewijzen dat economische groei en klimaatactie hand in hand konden gaan - via marktwerking, innovatie en Europese samenwerking.
Vijfentwintig jaar later moet ik constateren: we hadden deels gelijk, maar maakten cruciale strategische fouten. De technologie om te decarboniseren is er en spectaculairder, goedkoper en soms sneller dan we hadden durven hopen. Maar Europa heeft de afgelopen decennia systematisch industriële capaciteit, strategische autonomie en geopolitieke invloed verloren. Terwijl China na de financiële crisis van 2008 massaal investeerde in hernieuwbare energie, elektrische voertuigen en strategische industrieën, koos Europa toen voor austeriteit, begrotingsdiscipline en het geloof dat "de markt het wel zou oplossen". Het resultaat? China domineert nu de groene technologiesectoren die Europa had kunnen leiden, Duitse auto-industrie verkeert in crisis, en onze afhankelijkheid van Russisch gas bleek een strategische ramp.
ER IS OOK GOED NIEUWS
Laten we beginnen met het goede nieuws, want dat is er. De energietransitie die 25 jaar geleden nog een vage belofte was, is nu een onomkeerbare realiteit. De cijfers zijn ronduit spectaculair.
Neem zonne-energie. In 2001 kostte 1 watt zonnepaneelcapaciteit ongeveer 5 euro. Vandaag is dat rond de 0,1 euro - een prijsdaling van meer dan 95%. Wereldwijd is de geïnstalleerde capaciteit aan zonne-energie gegroeid van amper 1,5 gigawatt in 2000 naar meer dan 2000 gigawatt in 2024, en dit jaar komt daar nog bijna 600 GW bij. Windenergie heeft een vergelijkbare opmars gemaakt, en offshore wind - in 2001 nog een dure niche - is nu een mainstream energiebron.
In Europa is bijna één op de vijf nieuwe auto's inmiddels elektrisch, in China zelfs één op de twee.
Elektrische voertuigen - in 2001 prototypes voor nerds en milieufanaten - zijn nu gemeengoed. In 2024 rijden er bijna 60 miljoen elektrische voertuigen wereldwijd, en de verkoop groeit snel. In Europa is bijna één op de vijf nieuwe auto's inmiddels elektrisch, in China zelfs één op de twee. Batterijkosten zijn met 90% gedaald sinds 2010 en vormen nu een steeds belangrijker onderdeel van een groeiend hernieuwbaar elektriciteitssysteem. Ook warmtepompen - destijds obscuur - zijn nu mainstream. In 2021 waren er bijna 200 miljoen operationeel wereldwijd. De verwachting is dat dat er tegen 2030 zo'n 600 miljoen zullen zijn.
Europa heeft zijn broeikasgasuitstoot sinds 1990 met bijna 40% verminderd, terwijl de economie de afgelopen 20 jaar met bijna 30% groeide. In 2024 kwam voor het eerst bijna de helft (47,4%) van de Europese elektriciteit uit hernieuwbare bronnen.
VERRASSING KWAM UIT HET OOSTEN
De verrassing kwam echter uit het Oosten. China, in 2001 synoniem met kolencentrales, is vandaag wereldleider in hernieuwbare energie. Het land installeert meer zonnepanelen en windturbines dan de rest van de wereld samen, produceert meer dan 80% van alle zonnepanelen wereldwijd, domineert batterijen en elektrische voertuigen, en controleert cruciale stappen in waardeketens voor kritieke grondstoffen voor de energietransitie. Dit was geen toeval - het was strategisch industriebeleid. Na de crisis van 2008 lanceerde China een stimuluspakket van ongeveer 500 miljard euro, gericht op infrastructuur en strategische industrieën. Het "Made in China 2025" programma mobiliseerde staatsbanken, subsidies en thuismarktbescherming.
In Europa gebeurde toen het tegenovergestelde. Zonnepanelen werden in Europa uitgevonden, maar de productie verhuisde naar China. Europese fabrikanten gingen failliet. De periode 2008-2020 was Europa's verloren decennium. De Europese schuldencrisis leidde tot draconische bezuinigingen. Infrastructuurprojecten werden uitgesteld, subsidies verlaagd, industriebeleid bleef taboe. Het EU ETS stortte in - de CO₂-prijs zakte naar 3 euro per ton in 2013 om pas in 2021 boven 40 euro uit te komen. Er was geen prikkel meer voor schone investeringen.
De Duitse auto-industrie illustreert de blindheid. Decennialang weigerde de sector elektrificatie serieus te nemen. Dieselgate in 2015 - Volkswagen fraudeerde met miljoenen auto's - was symptomatisch. Terwijl Chinese bedrijven zoals BYD miljarden investeerden in batterijen en EV's, bleef Duitsland hangen in het verleden. Het resultaat is nu zichtbaar. Chinese EV's zijn goedkoper en beter, de Duitse exportmarkt stort in, Volkswagen kondigde in 2024 fabriekssluitingen in Duitsland aan - voor het eerst in de geschiedenis.
Een andere misrekening was Europa's afhankelijkheid van (goedkoop) Russisch gas. Decennialang was "Wandel durch Handel" de mantra in Duitsland. De filosofie dat handel met onfrisse regimes daar wel voor verandering zou zorgen. Nord Stream 2 werd gebouwd, ondanks waarschuwingen. Tot de Russische invasie van Oekraïne in februari 2022. Plots stond de Europese industrie op instorten door exploderende gas- en elektriciteitsprijzen.
IDEOLOGISCHE VAL
Waarom faalde Europa hier? Drie factoren springen eruit.
Een. Het neoliberale geloof dat de markt alles oplost. Staatssteun was 25 jaar geleden quasi taboe (of heel restrictief), industriebeleid was "picking winners" (en dus dom), en technologieneutraal beleid betekende in de praktijk geen keuzes maken. Deze ideologie negeerde een fundamentele les uit de economische geschiedenis: grote technologische transities vereisen publieke investeringen, strategische sturing en risicobereidheid die private markten niet leveren. Deze ideologie vertaalde zich ook in naïef globalisme en vrijhandel waardoor delen van industriële waardeketens Europa verlieten. Voor deze ideologie was het geen probleem als de basisindustrie uit Europa vertrok. Zolang we maar goedkoper staal en aluminium importeerden. Europa zou een economie drijvend op de dienstensector worden.
Twee. Ook institutioneel is de EU vaak verlamd om snel een daadkrachtig op te treden met 27 lidstaten en unanimiteit op cruciale terreinen zoals fiscaal beleid. Voorts zijn er de onnodig strakke begrotingsregels die de facto publieke investeringen beteugelen. Terwijl China en de VS snel konden schakelen, bleef Europa verstrikt in eindeloos onderhandelen. Zelfs vandaag nog zitten hervormingen rond energiefiscaliteit muurvast op EU-niveau.
Europa betaalt een prijs voor goedbedoeld maar naïef multilateralisme.
Drie. Europa betaalt ook een prijs voor goedbedoeld maar naïef multilateralisme. De VN-klimaattop in Kopenhagen (2009) was een keerpunt: de VS en China sloten achter gesloten deuren een deal, zonder Europa. Het continent stond aan de zijlijn, irrelevant. Toen Europa zijn EU ETS fors wilde uitbreiden naar de luchtvaart en China dreigde met handelsrepresailles, zwichtten Europese leiders heel snel. Klimaatbeleid bleek ondergeschikt aan economische druk. Aan deze vernederingen van Europa lijkt geen einde te komen. Deze zomer bogen Europese leiders nog snel voor de groteske handelstarieven van bullebak Donald Trump.
ONTWAKEN - MAAR TE LAAT?
Covid-19 was een schok. Europa realiseerde zich hoe afhankelijk het was van China en Azië voor essentiële beschermingsmiddelen tegen het virus. Een geblokkeerd containership in het Suezkanaal beklemtoonde de fragiliteit van globale waardeketens. Snel daarna volgde de Russische invasie van Oekraïne en de energiecrisis, en betaalden we een hoge prijs voor goedkoop Russisch aardgas. In de VS lanceerde president Biden de Inflation Reduction Act (IRA). Een groot, eenvoudig en doelgericht fiscaal instrument om de energietransitie te versnellen. Helaas, grotendeels ter ziele gegaan onder de nieuwe administratie.
Plots ontwaakt Europa. De Green Deal Industrial Plan, het Net-Zero Industry Act, de Critical Raw Materials Act. Eindelijk praat men over industriebeleid. In december 2024 lanceerde Commissievoorzitter Von der Leyen de Clean Industrial Deal. Het Draghi-rapport schetste de omvang van de uitdaging. Om competitief te blijven en de klimaattransitie te realiseren, moet de EU jaarlijks 800 miljard euro extra investeren. Het equivalent van het naoorlogse Marshallplan, elk jaar opnieuw.
China heeft een voorsprong van vijftien jaar in belangrijke technologieën en waardeketens.
Maar is het genoeg? China heeft een voorsprong van vijftien jaar in belangrijke technologieën en waardeketens. Europa heeft plannen maar met beperkte slagkracht. Zo is er geen gemeenschappelijke schuld die de noodzakelijke schaalgrootte heeft voor investering, er is beperkte politieke eenheid. In 2024 keerde president Trump terug, met een agenda die klimaatwetenschap ontkent. Populisme wint terrein - van AfD tot PVV, van Rassemblement National tot Fratelli d'Italia.
Ondertussen stijgen mondiale emissies nog altijd. In 2022 bereikten ze een record van 57,4 gigaton CO₂. We stevenen af op 2,5 tot 3°C opwarming - ver boven de 1,5°C die in het akkoord van Parijs vooropgesteld werd.
'GRAND STRATEGY' NODIG
Het fundamentele probleem is dat Europa klimaatverandering behandelt als een milieuprobleem dat kan worden opgelost met milieubeleid. Maar klimaatverandering is een geopolitiek probleem, een industrieel probleem, een veiligheidsprobleem. Het raakt de fundamenten van economie en machtsverhoudingen. China begreep dit in 2008. Europa is dit aan het leren.
Een fundamentele les uit de geschiedenis is dat geopolitieke macht voortkomt uit de capaciteit om te produceren wat de wereld nodig heeft. In de 20ste eeuw was dat olie, staal, auto's. De VS domineerde na 1945 omdat ze het zogenaamde "arsenaal van de democratie" was. In de 21e eeuw zijn het zonnepanelen, batterijen, chips, elektrische voertuigen, groene waterstof en AI. China begreep dit en investeerde strategisch. Europa dacht dat het slim was door productie uit te besteden en zich te focussen op diensten en financiële engineering. Het resultaat was afhankelijkheid en kwetsbaarheid.
Europa heeft een overkoepelende visie nodig die klimaat, industrie, geopolitiek en veiligheid integreert.
Europa heeft geen nieuw klimaatplan nodig. Het heeft een 'grand strategy' nodig - een overkoepelende visie die klimaat, industrie, geopolitiek en veiligheid integreert. Die strategie rust op drie pijlers:
- Strategische autonomie door industriële capaciteit. Europa moet productiecapaciteit heropbouwen voor technologieën die cruciaal zijn voor de transitie: batterijen, zonnepanelen, windturbines, elektrolysers, chips, kritieke grondstoffen, groene staal- en cementproductie. Niet volledige autarkie - dat is onmogelijk en onwenselijk - maar voldoende capaciteit om niet volledig afhankelijk te zijn van één leverancier.
- Economische veiligheid door energie-onafhankelijkheid. De Russische gasdeal leek economisch rationeel totdat het een wapen werd. Europa betaalde honderden miljarden voor noodvoorzieningen en een recessie die vermeden had kunnen worden. De les is dat energie-onafhankelijkheid gelijk staat met economische veiligheid. Europa beschikt over enorme hernieuwbare energiebronnen - wind, zon, waterkracht. Het kan in zijn eigen energiebehoefte voorzien als het de infrastructuur bouwt. Dat vereist een Europees infrastructuurprogramma op de schaal van het naoorlogse Marshallplan.
- Geopolitieke allianties op basis van wederzijds belang. Naïef multilateralisme werkt niet. Europa moet allianties smeden op basis van wederzijds belang, niet ideologie. Met progressieve delen van de VS die hun eigen klimaatbeleid voeren. Met China en India op terreinen waar belangen overlappen - transactioneel, niet naïef. Met ontwikkelingslanden via groene investeringspartnerschappen die lokale verwerking en technologieoverdracht omvatten. Met traditionele bondgenoten zoals Japan, Zuid-Korea en Canada.
VAN STRATEGIE NAAR ACTIE
Een 'grand strategy' is waardeloos zonder uitvoering. Europa's grootste zwakte is besluitvormingsverlamming. De oplossing is niet wachten tot alle 27 lidstaten het eens zijn. De oplossing is vooruitstrevende coalities binnen de EU - nauwere samenwerking, zoals gebruikt wordt voor de euro en Schengen.
Stel dat 15 lidstaten besluiten een gezamenlijk investeringsfonds op te richten, gefinancierd door gemeenschappelijke obligaties, voor energie-infrastructuur en groene industrie. Dat ze hun overheidsopdrachten coördineren om alleen nog koolstofarme materialen in te kopen. Dit zou een economisch blok van honderden miljoenen mensen creëren met een gezamenlijk bbp van een tiental biljoen EUR - groot genoeg om standaarden te zetten en geopolitiek gewicht in de schaal te leggen. Andere lidstaten kunnen later aansluiten. Maar ze kunnen de voorlopers niet meer blokkeren.
De tweede barrière is geld. Europa's begrotingsregels stammen uit de jaren 1990 en zijn ontworpen voor een andere tijd. Draghi's rapport is glashelder: Europa moet jaarlijks 800 miljard euro extra investeren. Dat vereist gemeenschappelijke Europese schuld. NextGenerationEU bewees dat dit kan. Europa heeft een permanent Europees investeringsfonds nodig voor energie-infrastructuur, strategische industrieën, innovatie en Just Transition-ondersteuning.
Naast Europese financiering zijn nationale investeringsbanken nodig. België kan Belfius omvormen tot een investeringsbank zoals de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid die in de jaren 1950 de industriële heropleving financierde.
Industrie kan alleen overleven als ze vooroploopt in koolstofarme productie.
Industrie kan alleen overleven als ze vooroploopt in koolstofarme productie. Dat vereist kapitaal (publieke financiering via ontwikkelingsbanken), infrastructuur (groene stroom, waterstof, CO₂-transport) en afzetmarkten (groene overheidsopdrachten). De publieke sector in Europa besteedt jaarlijks 2 biljoen euro. Als overheden alleen nog koolstofarme materialen ("made in Europe") inkopen, ontstaat een lead market die schaalvoordelen creëert.
Ten slotte moet sociale rechtvaardigheid centraal staan. De transitie dreigt een tweeklassenmaatschappij te creëren. Dit is politiek onhoudbaar. Inkomsten uit het nieuwe emissierechtenhandelssysteem moeten proactief worden herverdeeld naar huishoudens met lage inkomens. Huurders moeten worden beschermd. Regio's afhankelijk van fossiele industrie moeten proactief worden ondersteund. Niet nadat de nieuwe CO2-taks betaald is. Dit is geen altruïsme - het is politieke noodzaak.
EUROPA OP KRUISPUNT
Europa kan kiezen voor strategische volwassenheid: industriebeleid, geopolitieke allianties, massale investeringen, sociale rechtvaardigheid. Of het kan blijven vasthouden aan ideologische dogma's: marktfundamentalisme, begrotingsorthodoxie en naïef multilateralisme.
De technologie voor decarbonisatie is er. De kennis is er. Het geld is er. Wat ontbreekt, is politieke moed en strategische visie.
De afgelopen 25 jaar hebben bewezen dat verandering mogelijk is - sneller en grootschaliger dan verwacht. Maar ook dat vooruitgang fragiel is, dat geopolitiek en populisme klimaatbeleid kunnen torpederen, en dat de kloof tussen wat we doen en wat nodig is nog steeds te groot is.
Europa kan deze kloof overbruggen. Niet door op China te lijken, maar door Europa's eigen sterktes te benutten: een grote interne markt, sterke instellingen, sociale cohesie, democratische legitimiteit, kapitaal en technologie.
De komende tien jaar zijn bepalend. Europa staat voor een keuze: strategische volwassenheid of verval, industriële heropleving of afhankelijkheid, klimaatleiderschap of klimaatslachtofferschap, sociale cohesie of populistische implosie.
In de jaren 1950 bouwde Europa uit de as van de Tweede Wereldoorlog in recordtempo een moderne economie: havens, snelwegen, chemie, staal, welvaartsstaten. Het was een tijd van visie en investeringsmoed, van geloof in een maakbare samenleving. Europa deed het toen. Het kan het opnieuw doen - maar dan groener, rechtvaardiger en slimmer.
Vijfentwintig jaar klimaatbeleid heeft geleerd dat technologische vooruitgang mogelijk is, maar dat politiek en geopolitiek bepalend zijn.
Vijfentwintig jaar klimaatbeleid heeft geleerd dat technologische vooruitgang mogelijk is, maar dat politiek en geopolitiek bepalend zijn. Dat marktwerking alleen niet werkt. Dat afhankelijkheid kwetsbaarheid is. Dat wie niet produceert, niet controleert. Dat sociale rechtvaardigheid geen luxe is maar politieke voorwaarde. En dat Europa, als het wil overleven als welvarend en vrij continent, moet kiezen voor strategische autonomie, massale investeringen en geopolitieke volwassenheid.
De keuze is aan ons. En de tijd dringt.