Kunnen we nog aan politiek doen zonder ergens een cultuurstrijd van te maken?
Midden februari 2026 riep België de Amerikaanse ambassadeur Bill White op het matje nadat hij het lopende onderzoek naar drie joodse rituele besnijders in Antwerpen antisemitisch noemde en opriep om de zaak te laten vallen. De Belgische regering reageerde dat dit een ongepaste inmenging is in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek, en benadrukte tegelijk dat België antisemitisme bestrijdt én dat rituele besnijdenis in België toegestaan is, maar wel onder strikte gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden.
Het is verleidelijk om de situatie met de Amerikaanse ambassadeur Bill White weg te zetten als een incident: een provocerende tweet, een diplomatieke tik op de vingers, en de volgende dag gaan we weer door, business as usual. Maar wie dat doet, mist waar het echt over gaat. Want kijk wat er in zo'n paar dagen gebeurt. Een strafrechtelijk onderzoek dat in essentie gaat over regels, bevoegdheden en medische veiligheid wordt in het publieke debat razendsnel herschreven tot een verhaal over erkenning, de plaats van religie in de moderne samenleving en identiteit: "zij vallen ons aan", "jullie begrijpen onze traditie niet", "de overheid criminaliseert geloof". En vanaf dat moment wordt elk argument beladen. Wie het over pijnbestrijding, hygiëne en veiligheid wil hebben, krijgt het verwijt dat men een religieuze minderheid viseert. Wie de religieuze betekenis benoemt, krijgt het verwijt dat men kinderrechten relativeert. Wie de onafhankelijkheid van het gerecht verdedigt, wordt weggezet als handlanger van één kamp. Het gesprek verliest zijn onderwerp en krijgt kampen waarbij al snel met de vinger naar het andere kamp wordt gewezen.
Kan politiek nog ethische conflicten oplossen zonder ze te reduceren tot cultuurstrijd? Met andere woorden: zijn we nog in staat om een botsing tussen waarden - in deze religieuze vrijheid, kinderrechten, lichamelijke integriteit, gezondheid, rechtstaat - te behandelen als een bestuurbaar probleem dat om nuance en procedures vraagt, in plaats van als een identiteitsgevecht of cultuurstrijd? Zodra een ethisch dilemma wordt herleid tot een wij-zij-verhaal, worden argumenten vaak slogans. En dan wint niet de beste oplossing, maar het luidste kamp.
Een politiek zonder cultuurstrijd moet twee dingen durven doen: helder benoemen en depolariseren
Een politiek die ethische conflicten wil oplossen zonder cultuurstrijd, moet eigenlijk twee dingen durven doen: helder benoemen en depolariseren.
Met helder benoemen bedoelen we: zeg precies waarover het conflict gaat, en waarover het níét gaat. In dit dossier is dat essentieel, omdat alles door elkaar begint te lopen zodra het woord "antisemitisme" valt of zodra "religieuze vrijheid" als absolute vrijgeleide wordt ingezet. Helder benoemen betekent dus: dit is in de eerste plaats een vraag over regels en verantwoordelijkheid bij een ingreep op minderjarigen, over bevoegdheden, medische veiligheid, toezicht en aansprakelijkheid. Tegelijk is het óók een vraag over religieuze beleving en erkenning: voor veel joodse families is dit een kernritueel. En het is óók een ethische vraag over lichamelijke integriteit en het ontbreken van toestemming van het kind. Een volwassen politiek durft die drie dimensies naast elkaar te zetten zonder ze tot één verhaal plat te slaan. Want zolang we blijven spreken in simplificaties, is er geen beleid mogelijk, enkel kampvorming.
Depolariseren betekent vervolgens: de discussie zo organiseren dat ze niet automatisch verandert in een loyaliteitstest. Dat begint bij taal. Je kan tegelijk erkennen dat antisemitisme reëel is en bestreden moet worden, én zeggen dat een onderzoek naar veiligheids- en bevoegdheidsregels niet per definitie antisemitisch is. Het ene kan perfect naast het andere bestaan. Je kan tegelijk respect tonen voor religieuze tradities, én vragen stellen bij een onomkeerbare ingreep op een kind. Depolariseren is dus niet "de waarheid in het midden leggen", maar precies het omgekeerde: ruimte maken om meerdere waarheden tegelijk te verdragen, zonder meteen te moeten kiezen wie moreel deugt en wie niet.
Depolariseren vraagt ook institutionele keuzes. Als politiek gevoelige ethische conflicten uitsluitend via incidenten, tweets en strafrechtelijke dossiers laat spelen, krijg je voorspelbaar escalatie. Depolariseren betekent daarom: het debat uit de adrenaline halen en terugbrengen naar democratische besluitvorming, met transparante regels, consultatie van betrokkenen, en vooral een kader dat niet pas wordt gemaakt wanneer er conflict is.
Misschien is cultuurstrijd voor politici soms ook gewoon aantrekkelijk
Misschien is cultuurstrijd voor politici soms ook gewoon aantrekkelijk. Ze maakt een complex dossier eenvoudig: er is een duidelijk verhaal, een duidelijke tegenstander en een duidelijk kamp waarin je moet staan. Ze mobiliseert snel, omdat verontwaardiging nu eenmaal sneller werkt dan nuance. En ze biedt een uitweg uit het moeilijke werk van afwegen: in plaats van te zoeken naar regels die verschillende waarden met elkaar verzoenen, volstaat het om morele zekerheid uit te stralen. Maar die kortetermijnwinst heeft een hoge prijs. Zodra een ethisch conflict wordt herleid tot een identiteitsstrijd, verdwijnt precies waarvoor politiek zou moeten dienen: het evenwicht zoeken tussen waarden die elk op zichzelf verdedigbaar zijn, maar in de praktijk met elkaar kunnen botsen, en erkennen dat men het soms ook gewoon oneens kan zijn zonder escalatie of conflict.
De echte uitdaging is dus niet om ethiek of religie uit de politiek te houden. De uitdaging is om te voorkomen dat ethiek telkens opnieuw eindigt als cultuurstrijd. Want zodra dat gebeurt, verdwijnen zorgvuldige regels, gedeelde verantwoordelijkheid en de bescherming van wie zelf geen stem heeft in het debat. En dan is de echte schade niet dat we het oneens zijn, maar dat we verleren hoe we meningsverschil democratisch kunnen dragen, zonder elkaar tot vijand te maken.