Het huidig conflict tussen ABVV en Vooruit over de pensioenen is geen misverstand, maar een fundamenteel en historisch meningsverschil.
In het huidige debat over de pensioenhervormingen leggen de vakbonden terecht de nadruk op het feit dat de gemiddelde gezonde levensverwachting sterk verschilt naargelang de scholing. Niet iedereen leeft langer gezond. De gezonde levensverwachting van laag opgeleide mannen ligt op 62 jaar, tegenover 72 jaar bij hoogopgeleide mannen. Voor vrouwen is de kloof nog groter: bij laag opgeleide vrouwen ligt de gezonde levensverwachting op 61,5 jaar, tegenover 75 jaar bij hoog opgeleide vrouwen. Deze vaststelling is niet nieuw. Ze stond eerder in het rapport van de Nationale Arbeidsraad (2023) en het boek Hou België gezond (2025) van Eric Mortier en John Crombez. Wie deze kloof niet kent (of niet gelooft), kan niet begrijpen waarom de vakbonden in België zich zo hardnekkig verzetten tegen verhogingen van de pensioenleeftijd. Die kan ook niet begrijpen waarom datzelfde verzet in Frankrijk zo hevig en succesvol was tegen de optrekking van de leeftijd van 62 naar 64 jaar.
Journalist Walter Pauli ziet het, zoals wel vaker, juist (Knack, 24/7/2025): “De kloof tussen Vooruit en ABVV inzake pensioenen is fundamenteler dan een verschil in tactiek of strategie. Het gaat ook niet om het stugge karakter van Frank Vandenbroucke of de profileringsdrang van Bert Engelaar. Het gaat om een wezenlijk politiek, haast ideologisch meningsverschil: Vandenbroucke heeft nooit anders gedacht en gehandeld dan vandaag, en SP/SP.A/Vooruit eigenlijk ook niet.” Pauli gaat verder: “Wat Vooruit inzake pensioenen mee heeft beslist in de regering-De Wever, is in wezen weinig anders dan wat Vandenbroucke exact tien jaar geleden al voorstelde.”
Merk op hoe ook Pauli Vandenbroucke en Vooruit vereenzelvigt. Dat is terecht. Want het is Vandenbroucke die al verschillende decennia de politieke lijn inzake het sociaal beleid bij Vooruit bepaalt en de kaders in die richting heeft gevormd. De basisfilosofie was: alleen door met zijn allen langer te werken, kan het pensioen voor allen betaalbaar blijven.
In een democratie is het natuurlijk het recht van iedereen om die mening te verkondigen. Het gaat er hier niet om elkaar te verwijten als ‘verrader’, of – omgekeerd – als ‘klein links’. Maar het is natuurlijk ook zo dat vakbonden zowat de enige organisaties zijn die lager en midden geschoolden massaal verenigen, en dat het hun plicht is om ervoor te zorgen dat ook deze mensen nog enkele jaren van hun pensioen in goede gezondheid kunnen doorbrengen. Maar de regering-De Wever voorziet zelfs voor de zware beroepen geen uitzonderingen meer. Die ‘zware beroepen’ zijn nochtans gedefinieerd in sociale akkoorden, zowel voor de publieke sector (het ontwerpakkoord van 23/5/2018) als voor de privé (ploeg- en nachtarbeiders, bouwvakkers, mensen met een zeer lange voltijdse loopbaan).
Laat ons eens teruggaan in de tijd.
De politicus Vandenbroucke
Toen ik in 1994 adviseur voor sociale zekerheid werd bij het ABVV, had staatsecretaris van Pensioenen in de regering-Martens VIII en IX (1988-1992), Leona Detiège (SP), pas de pensioenmalus van 5% afgeschaft voor elk jaar dat je stopte met werken vóór je wettelijke pensioenleeftijd. Een vrouw kon al met vijf loopbaanjaren op vervroegd pensioen vanaf 55, kreeg een volledig pensioen met 40 loopbaanjaren en haar wettelijke pensioenleeftijd was 60 jaar.
Kort nadien was Frank Vandenbroucke geen minister kunnen worden vanwege het Agusta-schandaal, maar dirigeerde hij wel achter de schermen Marcel Colla (SP), minister van Pensioenen in de regering-Dehaene I en II (1994-1999). Tussen 1997-2009 werden de pensioenen van de vrouwen geleidelijk geharmoniseerd met die van de mannen, werden de welvaartsaanpassingen afgebouwd, en moest je minstens 35 loopbaanjaren hebben om nog op vervroegd pensioen te gaan. Er werd echter ook onderhandeld. Mia De Vits, algemeen secretaris van het ABVV, slaagde erin om een minimumrecht in te voeren voor vrouwen met kleine deeltijdse uurroosters, en er werd beloofd dat de gelijkgestelde periodes zouden worden gehandhaafd. Daarom passeerde deze hervorming geruisloos.
Omdat de sociale uitkeringen nog altijd niet hersteld waren van de zware besparingen onder de regeringen Martens en Verhofstadt, begonnen de vakbonden tegelijkertijd wel een campagne om de sociale uitkeringen opnieuw te koppelen aan de welvaart. Tussen 1998 en 2004 organiseerden ze daarvoor vier grote manifestaties. Maar voor Frank Vandenbroucke, toen vicepremier en minister van Sociale Zaken én Pensioenen in de paarsgroene regering-Verhofstadt, moesten alle marges naar de sector gezondheidszorg.
Met het Generatiepact kwam een vertrouwensbreuk tussen vakbonden en socialisten
In 2005 kregen we met het Generatiepact, waarbij de (brug)pensioenleeftijden stevig werden opgetrokken, dan ook een hevige confrontatie. Het resultaat was een vertrouwensbreuk tussen vakbonden en socialisten. De vakbonden slaagden er achteraf in om het effect van het Generatiepact af te vlakken door het inschrijven van meer gelijkgestelde perioden, tot grote ontsteltenis van sommige sp.a-technocraten. Eén van hen, Jan Vanthuyne, ging dat zelfs aanklagen bij het VBO, dat prompt een Generatiepact bis eiste.
Vandenbroucke stelde in 2004 – vlak voor de verkiezingen – uiteindelijk dan wel een eerste kleine enveloppe alsook het principe van de welvaartsaanpassingen voor. Het was PS die de berekening van een tweejaarlijkse enveloppe voor de welvaartsaanpassingen liet inschrijven in de wet van het Generatiepact.
Ook de regering-Di Rupo (2011-2014) verhoogde daarna de (brug)pensioenleeftijden. Na een 24urenstaking werd – onder leiding van Yasmine Kherbache, de uiterst bekwame kabinetschef van Di Rupo – met de vakbonden onderhandeld, en werd verkregen dat de werknemers met zware beroepen of met zeer lange loopbanen toch nog op 60 op brugpensioen konden gaan. Ook nu weer leidden échte onderhandelingen ertoe dat een akkoord gevonden werd.
De conclusie is echter even hard als onontkoombaar: gedurende twintig jaar, tussen 1988 en 2007, waren de Vlaamse socialisten ononderbroken verantwoordelijk voor het departement Pensioenen. Op het einde daarvan waren onze pensioenen bij de allerlaagste van West-Europa. Alleen Duitsland scoorde nog slechter, dankzij de hervormingen van Gerhard Schröder (SPD) in 2004, waarna SPD de verkiezingen verloor en Schröder vertrok naar het Gazprom van Poetin.
De professor Vandenbroucke
Minister van Pensioenen in de regering-Di Rupo, Alexander De Croo (VLD), richtte een Commissie Pensioenhervorming op onder leiding van Vandenbroucke, inmiddels professor. Het rapport van 2014 voorzag in een systeem waarbij geen pensioenbedragen meer zouden worden opgebouwd, maar punten. Elk jaar zou voor de mensen die het volgend jaar op pensioen gaan de waarde van zo’n punt bepaald worden, onder andere in functie van de demografische en budgettaire situatie. Volgens de vakbonden en PS was dat het begin van een sluipende afkalving. Zij konden de invoering ervan verhinderen.
In het rapport van de Commissie Pensioenhervorming werd ook een opening gemaakt om de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar te verhogen. Dat gebeurde uiteindelijk ook. De regering-Michel (2014-2018) verhoogde de wettelijke pensioenleeftijd tot 66 jaar voor wie geboren is na 1960, en tot 67 jaar voor wie geboren is na 1964. ‘Daar ben ik altijd voorstander van geweest’, verklaarde Vandenbroucke nadien in Humo (6/9/2023). De regering-Michel beloofde ook uitzonderingen voor de zware beroepen. Die zijn er nooit gekomen, ondanks een ontwerpakkoord voor de publieke sector. Belangrijker nog was dat de regering-Michel via de taxshift 12 miljard euro cadeau gaf aan de bedrijven, wat zorgde voor een gat in de begroting. De Wever gaf toe dat ze wisten dat dat later onvermijdelijk zou leiden tot besparingen in de sociale zekerheid.
Maar ook Vandenbroucke koos ervoor om het mes te zetten. Op 20 mei 2015 pleitte hij in de Kamercommissie Sociale Zaken om, naast een bonus voor wie langer werkt, ook een malus in te voeren voor wie vervroegd op pensioen gaat. “Ik zou de bonus integreren in een mechanisme waarbij er ook een negatieve correctie is. Als u dat een malus wil noemen, dan kan dat. Eigenlijk moet men dus een bonus-malus hebben,” aldus Vandenbroucke toen.
Hét grote alternatief was: help uzelf, onderhandel met de werkgevers voor een tweede pijler
In plaats van de lage wettelijke pensioenen te verbeteren, schoven de socialistische ministers van Pensioenen het stelsel van de bedrijfs- en sectorpensioenen naar voor. Dat moesten ze niet zelf betalen. Hét grote alternatief van Willockx, Colla, Vandenbroucke en Tobback junior was: help uzelf, onderhandel met de werkgevers voor een tweede pijler. Vandenbroucke ontwikkelde daarvoor zelfs de Wet Aanvullende Pensioenen, de WAP, die wel enige bescherming gaf.
De vakbonden hadden helaas toen al niet meer de krachtsverhouding om de werkgevers te doen bijdragen voor dit systeem, ook al werd het fiscaal erg gestimuleerd. Bovendien gaven die vakbonden de voorkeur aan het wettelijk pensioenstelsel, dat zeker bij de werknemers sterk solidair is. De geschiedenis heeft hen geen ongelijk gegeven. De één derde werknemers die in de zwakke sectoren werken, hebben helemaal geen tweede pijler. Voor de helft van de vrouwen die wél een aanvullend pensioen hebben, is dat maar goed voor – zegge en schrijve – 14 euro per maand. De pensioenkloof tussen mannen en vrouwen is in die tweede pijler maar liefst 53%. Dat staat in schril contrast met de tientallen miljoenen die sommige bedrijfsmanagers, grotendeels op kosten van de gemeenschap, voor zichzelf reserveerden. Tegen deze schrijnende ongelijkheid is nooit politiek opgetreden.
Het sociaal overleg werd door politici steeds minder serieus genomen. Zo wil huidig minister van Pensioenen, Jan Jambon (N-VA), dat toekomstige loonmarges gereserveerd worden voor het optrekken van de bijdragen voor de tweede pijler. Vooruit-voorzitter, Conner Rousseau, wil dan weer een netto koopkrachtpremie. De waarheid is dat alleen een bruto loonsverhoging twee vliegen in één klap slaat: een verhoging van de koopkracht én een verhoging van het wettelijk pensioen.
Toch is de armoede bij de gepensioneerden zeer drastisch gedaald. Ten eerste omdat John Crombez, als voorzitter van sp.a, in de aanloop naar de verkiezingen van 2019 de oude vakbondseis van onder het stof haalde om de minimumpensioenen te verhogen tot minimum 1.500 euro per maand. Minister van Pensioenen, Karine Lalieux (PS), en haar adjunct-kabinetschef Celien Vanmoerkerke (nu ABVV), verwezenlijkten dat onder de regering-De Croo (2020-2025). Ten tweede omdat de sociale partners ondertussen de minimumuitkeringen sinds 2007 geleidelijk met bijna 20% verhoogden bovenop de index, dankzij het mechanisme van de welvaartsaanpassingen. Het Planbureau verwachtte zelfs dat de armoede bij de gepensioneerden zou dalen tot 4%.
Armoede zal opnieuw stijgen
Dit alles is nu opnieuw teruggedraaid. De deal voor de regering-De Wever was duidelijk: zware besparingen in de pensioenen en de werkloosheid, op kruissnelheid goed voor 15 miljard euro, en een enorme flexibilisering van de arbeidsmarkt. N-VA en MR mochten dat uitvoeren. In ruil kreeg minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Frank Vandenbroucke, 4 miljard extra voor zijn gezondheidszorg, die hij zelf mocht beheren. Cd&v speelt nog nauwelijks mee, want niet meer geïnteresseerd in sociale departementen.
Grootste slachtoffer van de huidige pensioenhervorming zijn de vrouwen
Grootste slachtoffer van de huidige pensioenhervorming zijn de vrouwen, met een malus voor wie te veel deeltijds werkte en de afbouw van het overlevings- en echtscheidingspensioen. De ambtenaren worden gedownsized naar het niveau van de pensioenen van de werknemers van de privésector. Mensen met een zwaar beroep of een moeilijk uurrooster – ploeg- en nachtarbeiders, bouwvakker, rijdend treinpersoneel – moeten voortaan even lang werken als de rest.
Logisch dat de vakbonden in het verweer gingen. De vakbondsmanifestaties hadden wel tot gevolg dat ziekte en tijdskrediet tóch meetellen als werk om de malus te ontwijken. En de groepen die het meest prominent aanwezig waren op de eerste betoging van januari 2025 (onderwijs, gezagsdepartementen), zullen dan toch nog een jaar vroeger op pensioen kunnen.
Ook Vooruit en de christendemocraten konden enkele belangrijke correcties verkrijgen. Ziekte telt voortaan mee om aan het aantal gewerkte dagen te komen om van het minimumpensioen te genieten. En wie 42 jaar loopbaan heeft, mag vanaf 60 op pensioen. Maar de voorwaarden zijn hier zo streng – je moet elk jaar minstens 234 dagen effectief gewerkt hebben – dat slechts zeer weinig mensen hieraan voldoen.
De gevolgen van de pensioenmaatregelen van de regering-De Wever zijn niet min: de vervangingsratio bij zelfstandigen zullen dalen met 3%, bij ambtenaren met 12%, en bij werknemers met meer dan 9%. We zaten al aan de staart van het West-Europese peloton inzake pensioenen, en dat zal er niet op verbeteren.
Dé inzet voor de volgende regering zal het hernemen van de welvaartsaanpassingen zijn, anders zal de vervangingsratio bij de pensioenen tegen 2070 dalen met 24%. Wie daarvoor rekent op PS, moet zich ook herinneren dat het voorakkoord van Magnette en De Wever in 2019 in Vollezele zowat alles regionaliseerde, behalve de schuld, defensie en pensioenen. Je kan al denken wat er in zo’n constellatie met onze pensioenen zal gebeuren …