Samenleving & Politiek

Strategische autonomie begint in de chemie

Petrochemische industrie in de Antwerpse haven

Zonder basischemicaliën geen defensie, geen zorg, geen energietransitie. Waarom behandelen we onze industriële basis dan alsof er niks aan de hand is?

De Europese chemiesector staat onder zware druk. Hoge energieprijzen, felle concurrentie uit Azië en een steeds complexer kluwen van regels tasten het concurrentievermogen aan van een industrie die decennialang tot de ruggengraat van de Europese economie behoorde. Wat zich vandaag aftekent, is geen klassieke conjuncturele terugval, maar een structurele crisis met verstrekkende economische, sociale en geopolitieke gevolgen.

Nergens wordt die spanning zo scherp gevoeld als in de belangrijkste chemische clusters van Noordwest-Europa, ook wel bekend als de ARRRA-regio (Antwerp–Rotterdam–Rhine–Ruhr Area). Dit gebied vormt het krachtigste industriegebied van Europa, met Antwerpen als het zwaartepunt van de Vlaamse chemie en één van de meest invloedrijke chemische clusters wereldwijd. Duizenden banen staan onder druk, installaties sluiten en hele regio’s riskeren hun industriële basis te verliezen.

De fundamentele vraag is niet alleen wat er fout liep, maar vooral hoe Europa, België en Vlaanderen opnieuw een geloofwaardig toekomstperspectief kunnen uittekenen voor een sector die tegelijk strategisch, kapitaalintensief en maatschappelijk gevoelig is.

Een uniek maar kwetsbaar ecosysteem

De Antwerpse haven geldt al decennia als toonbeeld van industriële samenwerking. Als grootste geïntegreerde chemiecluster van Europa – en wereldwijd slechts voorafgegaan door Houston – combineert Antwerpen schaal, diversiteit en uitzonderlijke logistieke connectiviteit.

Meer dan 500 chemiebedrijven zijn er actief op een relatief beperkte oppervlakte van ongeveer 2.500 hectare. Ze delen infrastructuur, energievoorziening en logistiek, en gebruiken elkaars reststromen als grondstof. Die verregaande verwevenheid verhoogt de efficiëntie en verlaagt de kosten, maar creëert tegelijk sterke onderlinge afhankelijkheden die het systeem gevoelig maken voor schokken.

Samen met de centrale ligging in West-Europa en het uitgebreide pijpleidingennetwerk verklaart dit waarom multinationals als BASF, Borealis, Evonik, Covestro, ExxonMobil en TotalEnergies hier decennialang zwaar investeerden. Volgens Flanders Investment & Trade bedroegen die buitenlandse investeringen meer dan 13 miljard euro tussen 2010 en 2020.

Voor Vlaanderen betekent de chemie tienduizenden directe en indirecte jobs en een belangrijke bron van welvaart. Die concentratie maakt het ecosysteem echter ook kwetsbaar wanneer internationale omstandigheden structureel verslechteren: verlies in de basis werkt door in de waardeketen, met domino-effecten die zich moeilijk laten afremmen.

Onzekerheid troef

Sinds 2022 verloor Europa naar schatting 37 miljoen ton chemische productiecapaciteit, bijna 9% van het totaal. In 2025 alleen al verdween 17,2 miljoen ton capaciteit – een record – terwijl nieuwe investeringen in capaciteit terugvielen tot amper 0,3 miljoen ton. Dat verlies ging gepaard met een zesvoudige toename van het aantal sluitingen. Meer dan 20.000 directe banen gingen verloren en naar schatting kwamen bijna 89.000 indirecte jobs onder druk te staan.

Volgens de Europese sectorfederatie Cefic situeert het merendeel van de sluitingen zich in energie-intensieve basissegmenten: petrochemie, basischemicaliën, meststoffen en standaardpolymeren. Vooral stoomkrakers, ammoniakinstallaties en oudere anorganische productielijnen blijken kwetsbaar. Het gaat daarbij niet om marginale installaties, maar om kerncapaciteit die historisch het fundament vormde van geïntegreerde industriële clusters.

Het geografische zwaartepunt van de afbouw ligt in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en delen van Frankrijk en Nederland. Vooral de Duitse chemische en farmaceutische sector zakte vorig jaar dieper weg. Tienduizenden chemiejobs staan onder druk, vaak bij grote, geïntegreerde sites. Bedrijven als BASF, Dow, Vynova, Sabic en ExxonMobil kondigden sluitingen, capaciteitsreducties of het uitstel van investeringen aan.

Ook in België zijn de effecten zichtbaar, zij het voorlopig minder uitgesproken

Ook in België zijn de effecten zichtbaar, zij het voorlopig minder uitgesproken. Sluitingen en herstructureringen bij onder meer BASF, Envalior, Evonik en TotalEnergies leidden tot verlies van basiscapaciteit en jobs. In Antwerpen gaat het daarbij niet alleen om directe tewerkstelling: elke geschrapte job in de chemie zet een veelvoud aan indirecte banen onder druk in logistiek, onderhoud, engineering en ondersteunende diensten. Dit onderstreept het systemische karakter van de crisis: individuele bedrijven kunnen deze dynamiek niet op eigen kracht keren.

Nieuwe investeringen lopen intussen terug. Grote basischemieprojecten zijn in Europa zeldzaam; een opvallende uitzondering is de bouw van de INEOS-ethaankraker in Antwerpen, goed voor een investering van 4 miljard euro. Project ONE, naar verwachting operationeel eind 2026, wordt de meest duurzame kraker van Europa, met ongeveer de helft minder CO₂-uitstoot dan het huidige gemiddelde.

Waar wel wordt geïnvesteerd door bestaande bedrijven, gaat het vaker om onderhoud van bestaande installaties, beperkte uitbreidingen of niches met hoge toegevoegde waarde. Dat bevestigt zowel de structurele aard van de crisis als de urgentie van een fundamentele koerswijziging.

Structurele handicaps

Energie is een cruciale factor voor de chemische industrie. In vergelijking met landen als de VS en China is energie hier veel duurder. Europese chemiebedrijven betalen vaak twee tot drie keer meer voor aardgas dan hun Amerikaanse concurrenten, terwijl ook elektriciteit aanzienlijk duurder is. Dat prijsverschil vertaalt zich rechtstreeks in hogere productiekosten en dus in een structureel concurrentienadeel. Bedrijven die meer moeten betalen voor energie, zien hun marges krimpen of verdwijnen, en moeten hun producten duurder verkopen. Daardoor wordt het steeds moeilijker om te concurreren met spelers uit de VS of Azië, waar energie goedkoper en voorspelbaarder is. Dit is één van de belangrijkste redenen waarom Europese chemie vandaag marktaandeel verliest.

Hoewel de Europese gasprijzen de laatste jaren zijn gedaald – onder meer door meer import uit alternatieve bronnen – blijft de kloof groot genoeg om bedrijven te dwingen productie te verplaatsen of investeringen uit te stellen.

Daarbovenop komt een zwakke wereldwijde vraag en een aanzienlijke overcapaciteit, vooral in China. Chinese producenten, vaak ondersteund door de staat, exporteren tegen lage prijzen naar Europa. Handelsverdediging of protectionisme bestaat, maar wordt in Europa traag en terughoudend ingezet, terwijl de impact op Europese producenten onmiddellijk voelbaar is.

Ook het regelgevend kader speelt een rol. Strengere milieunormen zijn noodzakelijk, maar de combinatie van complexe procedures, lange vergunningstrajecten en voortdurend wijzigende regels creëert onzekerheid. Chemische investeringen worden afgeschreven over twintig tot dertig jaar. Beleid dat sneller verandert dan die investeringscycli ontmoedigt kapitaal, zonder de wereldwijde uitstoot noodzakelijk te verlagen.

Milieu-ambities niet opgeven

De vraag is niet of Europa zijn milieu-ambities moet opgeven. Dat is noch wenselijk, noch haalbaar. De echte uitdaging ligt in de manier waarop die ambities worden vertaald in werkbaar en voorspelbaar beleid. Wanneer regels te snel veranderen, onvoldoende rekening houden met technologische maturiteit of economisch niet haalbaar zijn, schrikken ze net de investeringen af die nodig zijn om te verduurzamen.

Een chemiesector die veel minder afhankelijk is van fossiele grondstoffen is mogelijk, maar de weg ernaartoe is complex. Fossiele stoffen dienen vandaag niet alleen als energiebron, maar ook als essentiële bouwstenen voor chemische producten. Alternatieven bestaan – zoals elektrificatie, groene waterstof, biogebaseerde grondstoffen, hergebruik van CO₂ en chemische recyclage – maar die zijn voorlopig duur, technisch uitdagend en vaak nog niet op grote schaal inzetbaar. Daarom volstaat zelfs goedkopere energie niet.

Zonder snelle en voorspelbare vergunningen, publieke investeringen in infrastructuur, stabiele regelgeving en steun voor proef- en opschalingsprojecten dreigt te strenge milieuregulering haar doel voorbij te schieten. In plaats van tot vergroening te leiden, duwt ze bedrijven ertoe hun productie naar het buitenland te verplaatsen, met meer uitstoot wereldwijd als gevolg.

Om ecologisch alternatieven werkelijk van de grond te krijgen, volstaat louter ' meer goedkope energie' niet

Een deel van de industrie en sommige politieke stemmen pleit in dit debat expliciet voor een derde weg: het behoud van de bestaande basischemiecapaciteit, desnoods ten koste van versoepeling van milieu- en sociale wetgeving, uitstel van strengere normen en extra subsidies of gunstige ETS-behandeling zolang de koolstofheffing niet volop werkt – een positie die in de aanloop naar de informele EU-top in Alden-Biesen in februari scherp naar voren kwam. Hoewel deze derde weg de acute pijn van de Europese chemie kan verzachten, draagt ze het risico dat de transitie verder wordt uitgesteld en Europa structureel achter raakt in groene technologieën. Om ecologisch én economisch houdbare alternatieven werkelijk van de grond te krijgen, volstaat louter 'meer goedkope energie' niet: er zijn vooral versnelde vergunningen, gerichte publieke investeringen in essentiële infrastructuur (zoals koolfstofafvang en -opslag, en waterstofnetwerken), stabiele langetermijnregels en forse steun voor de opschaling van innovaties nodig – voorwaarden die de huidige beleidsmix nog onvoldoende waarmaakt.

Europa moet kiezen

De chemische industrie is voor de EU veel meer dan een economische sector: ze vormt de ruggengraat van vitale ketens in gezondheidszorg, energie, mobiliteit en defensie. Zonder sterke eigen productie verliest Europa concurrentiekracht én strategische onafhankelijkheid. Sinds de Russische inval in Oekraïne is industrieel beleid ook veiligheidsbeleid geworden.

Dat besef leidde in februari 2024 tot de Antwerp Declaration, ondertekend door honderden topmanagers uit chemie, staal en pharma: de groene transitie kan alleen slagen als investeringen economisch realistisch blijven. De Europese Commissie reageerde in februari 2025 met de European Clean Industrial Deal, gericht op betaalbare energie, robuustere ketens, vraag naar schone producten en forse investeringen. Op 11 februari van dit jaar schetste Commissievoorzitter Von der Leyen tijdens de European Industry Summit in Antwerpen vooruitgang: transitie-investeringen verdubbelden in 2025 tot 115 miljard euro en een herzien ETS moet meer opbrengsten doorsluizen naar energie-intensieve sectoren.

Toch klonk er felle kritiek vanuit de industrie: te veel woorden, te weinig daden. De Antwerp Declaration Community – intussen een brede coalitie van ruim 1.300 bedrijven en vakbonden – drong aan op concrete ‘noodmaatregelen’ die nog in 2026 merkbaar moesten zijn op de fabrieksvloer. Premier Bart De Wever nam die boodschap mee naar de informele EU-top in Alden Biesen op 12 februari. Hij eiste dat energie-intensieve sectoren zoals de petrochemie nog steeds gratis uitstootrechten krijgen via het ETS-systeem, zolang de koolstofgrensheffing (CBAM) niet bewezen effectief is tegen oneerlijke import uit landen met lagere normen. Hij bekritiseerde ook dat te weinig ETS-gelden terugvloeien naar de industrie zelf. In een scherp VRT-radio-interview zei De Wever: “Die politici zijn nog nooit in een petrochemisch bedrijf geweest.”

Klimaateconomen zoals Johan Eyckmans (KULeuven) reageerden even scherp: zij zien ETS net als een bondgenoot voor de Europese industrie, omdat het de dure gasafhankelijkheid aanpakt – de echte hoofdoorzaak van de concurrentieproblemen – en groene investeringen stimuleert via hogere koolstofprijzen en energie-efficiëntie. Milieuregelgeving verklaart volgens empirisch onderzoek amper 1 à 2% van de industriële achteruitgang, terwijl versoepeling van ETS de broodnodige transitie zou vertragen en het kind met het badwater weggooien.

Milieuregelgeving verklaart amper 1 à 2% van de industriële achteruitgang

Europa staat alleszins voor een cruciale keuze: ambitieuze plannen omzetten in werkende instrumenten, of goede intenties laten stranden – een risico dat het continent zich geopolitiek niet kan permitteren.

Kansrijke niches

De Antwerpse chemiecluster is historisch gegroeid rond een sterke en diep geïntegreerde basischemie. Die basis blijft essentieel. Zonder competitieve productie van basismoleculen verdwijnt niet alleen de economische onderbouw voor gespecialiseerde toepassingen, maar ook de industriële capaciteit die nodig is voor strategische autonomie.

Bedrijfsleiders zoals Hans Casier, voormalig CEO van Ineos in België, wijzen er terecht op dat wie de basischemie loslaat, de controle verliest over volledige waardeketens. Dat geldt niet alleen voor consumentengoederen, maar evenzeer voor defensietoepassingen, medische producten en kritieke infrastructuur.

De uitbouw van een Europese defensie-industrie kan onmogelijk los worden gezien van een robuuste chemische sector die grondstoffen, materialen en technologieën levert. Tegelijk is het duidelijk dat de toekomst niet kan steunen op louter massaproductie van gestandaardiseerde, goedkope basischemicaliën. Die productie verschuift onvermijdelijk naar regio’s met structureel lagere energiekosten en minder strenge regelgeving. Europa kan die race niet winnen, en hoeft dat ook niet te willen.

De echte sterkte van Antwerpen en Vlaanderen ligt in de combinatie van schaal, geïntegreerde clusters, uitstekende logistiek via de haven, diepgaande kennis, innovatie en toegepast onderzoek, en een groot specialisatievermogen. De toekomst ligt daarom in een gerichte focus op geavanceerde materialen en kennisintensieve chemie met hoge toegevoegde waarde. In die segmenten zijn innovatie, kwaliteit, betrouwbaarheid en leveringszekerheid doorslaggevend, vaak belangrijker dan de laagste prijs. Dat opent kansen voor functionele materialen voor elektrische mobiliteit, luchtvaart en defensie – van batterijmaterialen tot lichte composieten en gespecialiseerde coatings – voor geavanceerde polymeren en additieven in hightech, bouw, voeding en gezondheidszorg, en voor een meer circulaire en koolstofarme chemie op basis van biogebaseerde grondstoffen, chemische recyclage, CO₂-valorisatie en groene waterstof.

Europa kan een voortrekkersrol spelen in de ontwikkeling van veilige alternatieven voor omstreden stoffen zoals PFAS

Daarnaast kan Europa een voortrekkersrol spelen in de ontwikkeling van veilige alternatieven voor omstreden stoffen zoals PFAS. Dit is niet alleen een milieu- en gezondheidskwestie, maar ook een strategische opportuniteit: wie normen en technologie bepaalt, bepaalt vaak ook de markt. Technologieën zoals koolstof-afvang en -opslag (CCS) en duurzame materialen voor bouw en elektronica sluiten hier nauw bij aan.

Deze niches benutten optimaal de logistieke en industriële sterktes van de Antwerpse haven. In dat perspectief kan strenge Europese regelgeving zelfs een concurrentievoordeel worden, op voorwaarde dat ze voorspelbaar is en gepaard gaat met investeringssteun en schaalmogelijkheden. Zonder een competitieve basischemie ontbreekt immers de industriële ruggengraat om innovatieve technologieën effectief en rendabel uit te rollen.

Kentering of achteruitgang

De toekomst van de Antwerpse chemie ligt dus niet in een keuze tussen basischemie óf niches, maar in een doordachte combinatie van beide. Alleen zo kan Vlaanderen zijn positie behouden en versterken als Europees knooppunt voor kennis, industrie en strategische waarde-ketens in een wereld waar economische veerkracht, duurzaamheid en veiligheid steeds sterker met elkaar verweven raken.

Dat dit geen abstract debat is, blijkt uit recente gebeurtenissen. Begin 2026 trok Vioneo, een dochter van A.P. Moller-Maersk, een geplande groene plasticsfabriek in Antwerpen terug ten gunste van China. Doorslaggevend waren onder meer betere toegang tot groene methanol en lagere kosten. Het voorbeeld illustreert scherp dat strategische ambities alleen geloofwaardig zijn als beleid erin slaagt investeringen ook daadwerkelijk in Europa te verankeren.

De crisis in de chemie markeert een kantelpunt. Ofwel aanvaardt Europa een geleidelijke afbouw van zijn industriële basis, ofwel kiest het expliciet voor heruitvinding. Voor Antwerpen en Vlaanderen betekent dat: niet vasthouden aan het verleden, maar gericht investeren in een combinatie van basischemie, innovatie, infrastructuur en menselijk kapitaal.

Uitstel is geen neutrale optie meer, maar een beleidskeuze met blijvende economische, sociale en strategische gevolgen.

 

SAMPOL ONLINE

40€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
Meest gekozen 

SAMPOL COMPLEET

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL STEUN

100€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
 

SAMPOL SPONSOR

500€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*