Niemand staat boven de wet, ook degenen niet die regeren. Wanneer alles goed gaat, lijkt die eis abstract. Wanneer alles misgaat, wordt ze van levensbelang.
De voorbije weken hebben twee gebeurtenissen, op duizenden kilometers van elkaar, nochtans dezelfde boodschap uitgedragen. De VS besloten Iran aan te vallen buiten elk kader van het internationaal recht, zonder mandaat van de VN en met miskenning van de principes die het gebruik van geweld tussen staten regelen. In België verklaarde de minister van Asiel en Migratie, Anneleen Van Bossuyt (N-VA), dat zij een arrest van het Grondwettelijk Hof over het opvangbeleid naast zich neer zal leggen. In een open brief uit het personeel van Fedasil nu scherpe kritiek op het beleid: "we zien dagelijkse schendingen van rechtsstaat".
In beide gevallen is de boodschap dezelfde: wanneer het recht beperkend wordt, vinden sommigen dat men zich er maar van moet kunnen losmaken. Dat is nooit een louter institutioneel detail. Het is altijd een signaal, een gevaarlijke verschuiving. Het idee dat het recht een obstakel zou zijn, dat regels de daadkracht van beleid afremmen, dat rechters politieke beslissingen bemoeilijken. En dat men uiteindelijk, in bepaalde omstandigheden, de regels maar moet kunnen omzeilen. En daar begint de glijdende helling.
Net in periodes van angst, spanning of conflict wordt de verleiding van willekeur het grootst
De rechtsstaat is geen luxe voor rustige tijden. Hij is een baken in tijden van storm. Het principe is eenvoudig: niemand staat boven de wet, ook degenen niet die regeren, en de uitoefening van macht moet altijd binnen regels blijven en gecontroleerd worden door onafhankelijke rechters. Wanneer alles goed gaat, lijkt die eis abstract. Wanneer alles misgaat, wordt ze van levensbelang. Want net in periodes van angst, spanning of conflict wordt de verleiding van willekeur het grootst. Dan hoor je stemmen die zeggen dat regels tijdelijk moeten worden opgeschort, dat rechterlijke uitspraken genegeerd kunnen worden, dat het internationaal recht kan worden omzeild, in naam van efficiëntie of veiligheid.
Maar dat is een val. Als we aanvaarden dat het recht alleen nog 'à la carte' wordt toegepast, volgens politieke voorkeuren, emoties of belangen, dan houdt het op recht te zijn. Het wordt een instrument van macht. En vanaf dat moment is niemand nog beschermd.
Als we aanvaarden dat het recht alleen nog 'à la carte' wordt toegepast, volgens politieke voorkeuren, emoties of belangen, dan houdt het op recht te zijn
Dit principe geldt op alle niveaus. Het geldt binnen onze staten, wanneer een regering ervoor kiest een rechterlijke beslissing niet te respecteren. Het geldt ook op het internationale toneel, wanneer een macht meent militair of politiek te kunnen ingrijpen zonder juridisch kader, simpelweg omdat zij daartoe de middelen heeft. In beide gevallen is de logica dezelfde: de kracht in de plaats stellen van de regel.
De rechtsstaat is precies ontstaan om dat te voorkomen. Hij is voortgekomen uit de geschiedenis, uit machtsmisbruik, uit willekeurig geweld, uit regimes die op een dag besloten dat de wet niet langer voor hen gold. Democratieën hebben daaruit een eenvoudige les getrokken: macht moet worden beperkt, omkaderd en gecontroleerd. Het is die institutionele architectuur die onze vrijheden beschermt. Het verschil tussen barbarij en beschaving is niet altijd spectaculair. Soms ligt het in een zeer dunne lijn: die van het recht. Wanneer die lijn verdwijnt, wordt alles mogelijk: willekeur, wraak, het recht van de sterkste. En eenmaal die grens is overschreden, is het bijzonder moeilijk om terug te keren.
Daarom is het verdedigen van de rechtsstaat geen morele houding of politieke naïviteit. Het is een beschavingskeuze. Het betekent dat we, zelfs tegenover de ergste misdaden, zelfs tegenover de ergste regimes, zelfs in de meest gespannen momenten, weigeren afstand te doen van wat ons definieert. Want uiteindelijk is de vraag eenvoudig: als wij onze eigen principes opgeven, wat onderscheidt ons dan nog van datgene wat wij beweren te bestrijden?