We staan op een kantelpunt. Werkgevers willen meer aanwezigheid op kantoor. Werknemers willen telewerk behouden. Zonder duidelijke regels groeit de frustratie aan beide kanten.
Voor Corona liep België hopeloos achter op vlak van telewerk. Tot plots, in maart 2020, alles in een stroomversnelling kwam. Van de ene op de andere dag werkte wie kon voltijds van thuis. Wat jarenlang "echt niet mogelijk" was, bleek ineens perfect haalbaar.
Zo ontdekten veel mensen de voordelen van telewerk: minder pendelen, meer autonomie en een betere combinatie van werk en gezin. Daarna werd telewerk geen noodmaatregel meer, maar een structurele manier van werken. Ook omdat bedrijven opportuniteiten zagen: kantoren konden kleiner, de verwarming kon sommige dagen uit en de huurkosten omlaag. Tegelijk werd amper nagedacht over de kosten die naar de werknemer verschoven. In 2021 kende slechts 6% van de werkgevers een telewerkvergoeding toe. Callcenteroperatoren zaten op een krukje in hun keuken te werken, zonder ergonomische stoel, zonder tussenkomst, terwijl hun energiefactuur thuis wel de hoogte in schoot.
Vandaag, vier jaar later, is er amper iets veranderd. Want tot op vandaag is telewerk nog altijd niet structureel georganiseerd. Uit een bevraging van Acerta blijkt dat 1 op de 3 werkgevers wil dat werknemers opnieuw meer op kantoor aanwezig zijn. Werkgevers voelen dat de band met het bedrijf verzwakt, dat nieuwe collega's moeilijker ingewerkt raken en dat teams minder spontaan samenwerken. Tegelijk willen werknemers net het omgekeerde: 4 op de 10 wil méér thuiswerken. Werknemers zien vooral het voordeel van minder pendeltijd en meer werk-privébalans. Beiden hebben een punt.
Het kader waar we momenteel beroep op doen, is intussen al meer dan 20 jaar oud
Om een oplossing te bieden, is een duidelijk wettelijk kader voor telewerk nodig. Het kader waar we momenteel beroep op doen, is intussen al meer dan 20 jaar oud. Volgens dat verouderd kader worden de belangrijkste afspraken over telewerken nog altijd grotendeels individueel geregeld. Een algemene regeling is er dus niet.
Het gebrek aan een modern, algemeen kader veroorzaakt verschillende problemen in de praktijk. Daarnaast zorgt telewerk, zonder duidelijk kader, er vandaag voor dat mensen zich permanent bereikbaar voelen. Zes op de tien werknemers wordt buiten de werkuren gecontacteerd. En zelfs twee op de drie voelt de druk om meteen te antwoorden.
Net daarom voerde de federale regering in 2023 wel al het recht op deconnectie in via de Arbeidsdeal. Die wet bevatte verschillende belangrijke hervormingen, zoals de invoering van de vierdagenweek en een betere sociale bescherming voor fietskoeriers. Daarnaast werd ook bepaald dat bedrijven met meer dan 20 werknemers duidelijke afspraken moeten maken over bereikbaarheid buiten de werkuren.
Op papier was de Arbeidsdeal een grote stap vooruit. In de praktijk een lege doos
Op papier was de Arbeidsdeal een grote stap vooruit. In de praktijk een lege doos, om verschillende redenen.
Eerst en vooral staat drie jaar na de Arbeidsdeal het totaal aantal sectoren met een cao over het recht op deconnectie op slechts 51. Dat is minder dan één derde van alle sectoren. Nochtans was het net de bedoeling dat dit recht via cao's en arbeidsreglementen concreet zou worden vertaald naar duidelijke afspraken binnen bedrijven en teams.
Daarnaast blijkt dat de overheid vandaag niet kan nagaan in hoeveel ondernemingen het arbeidsreglement effectief werd aangepast om het recht op deconnectie te regelen. De registratietool voor arbeidsreglementen laat niet toe dat te analyseren. Niemand heeft zicht op hoeveel bedrijven telewerk nu effectief geregeld hebben, laat staan hoe. Ook de Nationale Arbeidsraad vraagt om een beter zicht te krijgen op de afspraken die op ondernemingsniveau worden gemaakt rond deconnectie. Daarvoor moet een werkmethode worden ontwikkeld en de nodige middelen worden voorzien. Beide problemen zijn al langer duidelijk en toch heeft de minister tot op vandaag hierop geen geantwoord.
Bovendien houdt ook de arbeidsinspectie er nauwelijks toezicht op. Ze controleert of het recht op deconnectie op papier in orde is, maar in de praktijk zijn er 0 overtredingen vastgesteld. Een grote discrepantie dus met wat zich in realiteit afspeelt als 6 op de 10 werknemers wel degelijk het gevoel heeft constant bereikbaar te moeten zijn.
Verder heeft wie in een bedrijf met 19 werknemers werkt dubbele pech: daar geldt het recht op deconnectie gewoon niet. Absurd in een KMO-land als België.
En tot op de koop toe vallen telewerkers ook nog eens grotendeels buiten de klassieke regels rond arbeidstijd, nachtarbeid en zondagsrust. Dat betekent dat wie vrijdag het laatste uur van thuis werkt in theorie het hele weekend nog gecontacteerd mag worden. Net telewerk, dat de grens tussen werk en privé doet vervagen, wordt dus het minst beschermd.
Ondertussen is er gelukkig wél al een fiscale mogelijkheid om telewerkvergoedingen toe te kennen tot 160,99 euro per maand, vrij van belastingen en RSZ- bijdragen. Maar zonder duidelijk kader blijft dat afhankelijk van de goodwill van de werkgever.
Zonder duidelijk kader blijft de telewerkvergoeding afhankelijk van de goodwill van de werkgever
We staan op een kantelpunt. Werkgevers willen meer aanwezigheid op kantoor. Werknemers willen telewerk behouden. Maar zonder duidelijke regels groeit de frustratie aan beide kanten. Wat vandaag wél duidelijk is: telewerk is geen gunst. Het is geen hype. Het is een blijvende realiteit van onze arbeidsmarkt. Het geeft ook extra kansen aan mensen voor wie naar kantoor komen of er in alle drukte werken net moeilijker is.
En dus moet telewerk eindelijk ernstig geregeld worden. Met duidelijke afspraken over wanneer teams samen op kantoor zijn. Met transparante arbeidstijden en vooral een afdwingbaar recht op deconnectie voor alle werknemers, ook in kleine ondernemingen. Het debat is niet meer of minder telewerk. Het debat draait om deftig georganiseerd telewerk.