Achter de afschaffing van de Senaat gaat een breder institutioneel vraagstuk schuil. Welk model van federale democratie willen we institutioneel verankeren?
Op 3 april zette de Senaat een belangrijke stap richting zijn eigen afschaffing: de plenaire vergadering keurde een voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet goed, samen met een voorstel van bijzondere wet. Een paar dagen eerder, op 30 maart 2026, had de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden diezelfde voorstellen al goedgekeurd. Het debat over de afschaffing van de Senaat wordt hiermee opnieuw op de politieke agenda geplaatst.
Wie dit debat louter leest als een efficiëntie-oefening of besparingsoperatie, gaat voorbij aan het feit dat de Senaat niet zomaar een extra vergaderzaal is. De Senaat is, hoe uitgehold ook, een symbool én een instrument van checks and balances: een plek waar territoriale belangen en wetgevende kwaliteitscontrole traditioneel worden georganiseerd. Vanuit institutioneel oogpunt rijst dan de vraag hoe je een federaal land laat werken met een unicameraal parlement. Met andere woorden: als je een tweede kamer afschaft, welke functies verdwijnen dan mee, en waar worden ze voortaan georganiseerd?
Hoe laat je een federaal land werken met een unicameraal parlement?
Om die vraag scherp te stellen, moeten we eerlijk zijn over de evolutie van de afgelopen jaren. België heeft de Senaat niet plots overbodig verklaard; het heeft hem geleidelijk uitgehold. Sinds de zesde staatshervorming is de Senaat geen rechtstreeks verkozen kamer meer. Sinds 2014 bestaat hij uit 60 senatoren: 50 deelstaatsenatoren die worden aangewezen door de parlementen van gewesten en gemeenschappen, en 10 gecoöpteerde senatoren. De Senaat is vandaag ook niet langer de klassieke tweede kamer die wetgeving systematisch herleest. Zijn wetgevende rol is beperkt; zijn politieke identiteit ligt eerder in overleg tussen deelstaten en in reflectie dan in wetgeven.
Precies daarom blijft een punt in het publieke debat vaak onderbelicht: een tweede kamer is zelden gewoon een extra parlement. In federale staten heeft ze historisch meestal minstens één van twee functies. Ofwel is ze een territoriale kamer, die deelgebieden structureel mee aan tafel zet in het federale besluitvormingsproces. Ofwel is ze een second look kamer, die wetgeving vertraagt en verfijnt, precies omdat vertraging soms kwaliteit oplevert. België heeft in de hervormingen geprobeerd om de Senaat meer in de eerste richting te duwen, een Senaat van de deelstaten, maar die rol werd nooit echt ten gronde vervuld. Het resultaat is een hybride instelling die tegelijk te weinig doet om onmisbaar te zijn, maar wel verwijst naar functies die in een federale staat niet zomaar verdwijnen.
Staatshervormingen duwden de Senaat richting een Senaat van de deelstaten, maar die rol werd nooit echt ten gronde vervuld
Als de Senaat afgeschaft wordt, dringt zich dus eerst een vraag op over die territoriale functie. België is immers een federale staat met meerdere democratische legitimiteiten: federale verkiezingen, regionale en gemeenschapsverkiezingen, en dus ook meerderheden die kunnen verschillen. In zo'n context gebeurt afstemming sowieso; de vraag is alleen waar en door wie. Vandaag zien we dat veel interfederale coördinatie verschuift naar de uitvoerende macht: overlegcomités, interministeriële conferenties, bilaterale afspraken, en allerlei technisch vooroverleg. Dat kan efficiënt zijn, maar het heeft ook een democratische kost: het is minder zichtbaar, minder controleerbaar, en zwakker parlementair verankerd. Als je de Senaat afschaft zonder alternatief, versterk je het risico dat interfederaal België nog meer bestuur wordt tussen regeringen, en dat er nog minder debat plaatsvindt tussen parlementen.
Dan is er de tweede functie: de second look. Voorstanders van afschaffing hebben een punt wanneer ze zeggen dat een tweede lezing dubbel werk kan zijn, zeker in een land waar de Senaat zijn klassieke wetgevende rol al grotendeels kwijt is. Maar de logica achter een tweede lezing blijft relevant: wetgeving is complex, en in een versneld politiek tempo zijn fouten, slordigheden en onbedoelde neveneffecten geen uitzondering. Als de Senaat verdwijnt, moet je daarom expliciet maken welke kwaliteitsmechanismen je elders versterkt. Unicameralisme kan perfect werken, maar dan moet de Kamer niet alleen méér doen; ze moet ook anders georganiseerd worden.
Een afschaffing is pas vooruitgang als ze gepaard gaat met ontwerpkeuzes die de verschuivende functies ondervangen
Net hier toont het dossier zijn ironie. Voor wie al jaren zegt dat de Senaat niets meer voorstelt, lijkt afschaffing de logische eindhalte. Maar institutioneel gezien is afschaffing pas vooruitgang als ze gepaard gaat met ontwerpkeuzes die de verschuivende functies ondervangen. Anders krijg je een paradox: je schaft een zwakke territoriale kamer af, en je eindigt met een federaal systeem waarin territoriale afstemming nog meer in informele circuits terechtkomt, precies het soort politiek dat burgers vaak ervaren als ondoorzichtig.
Achter de afschaffing van de Senaat gaat dus een breder institutioneel vraagstuk schuil. Welk model van federale democratie willen we institutioneel verankeren? Een model waar interfederale afstemming vooral parlementair zichtbaar en controleerbaar is? Of een model waar die afstemming vooral in uitvoerende overlegstructuren plaatsvindt? En als we kiezen voor een unicameraal parlement, welke kwaliteitsmechanismen bouwen we dan expliciet in, zodat snelheid niet eindigt in slordigheid?
De Senaat mag dan vandaag een schaduw zijn van wat hij ooit was, maar de vragen die hij symboliseert verdwijnen niet met hem. Federale staten moeten territoriale belangen verzoenen en wetgeving kwaliteitsvol maken, of ze dat nu doen via een tweede kamer of via andere mechanismen. Wie de Senaat wil afschaffen, moet daarom niet alleen argumenteren waarom het huidige model niet werkt, maar vooral aantonen welk alternatief wél werkt - en hoe dat alternatief democratische controle en transparantie versterkt. Anders vervangen we een imperfect instituut door een vacuüm, en laat een federale staat zich zelden lang besturen met een vacuüm.