Abonneer Log in

Het verdriet van Spanje

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 73 tot 75

Christiane Stallaert portretteert een natie in de puberteit die moeilijkheden ervaart om volwassen te worden. Het doet me als Marokkaanse-Belg denken aan een andere natiestaat die met zichzelf overhoop ligt.

Het verdriet van Spanje

Christiane Stallaert
Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2020

Iemand die graag iets over het islamitisch verleden van Spanje in het Nederlands wil lezen, komt algauw terecht bij Morisco's. Een vergeten etnische zuivering in Andaloesië (epo, 2009) van Lucas Catherine of De gouden eeuwen van Andalusië (Bulaaq, 2006) van María Rosa Menocal. Naast deze boeken is er ook het werk Etnisch nationalisme in Spanje. De historisch-antropologische grens tussen christenen en Moren (Universitaire Pers Leuven, 1996) van Christiane Stallaert, hispaniste en antropologe aan de Universiteit Antwerpen. Bij uitgeverij Vrijdag kwam er onlangs een volledige vernieuwde versie van het boek uit onder de titel Het verdriet van Spanje. Een natie op zoek naar zichzelf. Het is een goed onderbouwd boek met veel details en informatie. Er lopen drie grote hoofdlijnen doorheen het boek die ik hieronder zal behandelen. Eigenlijk zijn het de drie breuklijnen die de hedendaagse Spaanse samenleving structureren.

De eerste breuklijn is de religieuze. In 1492 valt het doek over het laatste islamitisch emiraat Granada. De val van emiraat betekende dat de Joden zich moesten bekeren of vertrekken uit Spanje. Een deel van hen vertrok naar Portugal waar ze ten slotte ook in 1497, onder druk van het Spaanse koninkrijk, werden gedeporteerd naar andere gebieden zoals de Nederlanden, Marokko of het Ottomaanse rijk. De moslims daarentegen werden in de jaren erna verplicht bekeerd tot het christendom. Ze voelden zich niet christen en er ontstond een hele subcultuur bij de bekeerlingen. Deze christenen staan bekend als Morisken (in de academische literatuur als Moriscos). Ze leidden een dubbel leven: intern trachten ze zich als moslims te gedragen en extern hielden ze er een oppervlakkig christelijke identiteit op na. Christiane Stallaert laat duidelijk zien welke identiteitsmarkers, rituelen en houdingen de Morisken allemaal ontwikkelden om afstand te houden van de oud-christenen. Waar ze niet op ingaat, is het gewetensbezwaar van de Morisken bij hun verplichte bekering, terwijl er al veel onderzoek hierover is gevoerd. Het werk Guardians of Islam: Religious Authority and Muslim Communities of Late Medieval Spain (2008) van Kathryn A. Miller behandelt onder andere de vele morele dilemma's waarmee de Morisken in Aragon te maken kregen. De Morisken vroegen zelfs aan medegeloofsgenoten in Noord-Afrika hoe ze met de Spaanse context, die assimilatie van hen verwachtte, moesten omgaan. Uiteindelijk maakte het voor de Morisken niet veel uit. Want tussen 1609 en 1613 werden ze gedeporteerd naar Noord-Afrika en het Ottomaans rijk. Stallaert beschrijft vervolgens de ideologische gevolgen van de deportatie. De sociaaleconomische gevolgen komen niet aan bod, terwijl in regio's als Valencia de Morisken tot 30% van de lokale bevolking uitmaakten. Er ontstond een maatschappelijke obsessie met de Morisken en de Joden. De Spaanse inquisitie vroeg zich na de deportatie af of er nog Moriscos en Joden onder de christenen vertoefden. Ze introduceerde zuiverheidsattesten die elke christen in Spanje moest voorleggen om te bewijzen dat men geen Joodse of Moriske afkomst had. Maar wat belangrijk is, is dat het Spanje dat hieruit voortkwam een anti-islamitische natie was. Het christendom – lees Castiliaans Katholicisme – bepaalde de identiteit van het land. Maar het was een identiteit die een negatief zelfbeeld propageerde. Het varken bijvoorbeeld ging de vis als symbool voor het christendom vervangen omdat het als anti-islamitisch identiteitsmarker gold.

Deze identiteitsobsessie muteerde gaandeweg tot een nieuwe breuklijn: de ideologische. In de 18e eeuw vond de Franse Revolutie gehoor in Spanje. Napoleon Bonaparte bezette zelfs een deel van Spanje. Cruciaal aan die periode en breuklijn is dat er twee kampen ontstonden. Een progressief (Stallaert zelf gebruikt het woord liberaal) en een conservatief. Het eerste wilde Spanje moderniseren, de inquisitie afschaffen en de staat pluriformer maken. Het conservatieve kamp wilde van dat alles niets weten en was voorstander van het behoud van de Castiliaanse katholieke identiteit als ordenend principe voor de staat. Het conflict zal Spanje tot de dag vandaag in die twee kampen verdelen. Hier kunnen we naast Spanje als een anti-islamitische natie, ook spreken van de twee Spanjes. In de 19e en 20e eeuw werden verschillende oorlogen uitgevochten tussen de twee kampen, met als het hoogtepunt de Spaanse burgeroorlog tussen 1936 en 1937. Stallaert laat zien dat er in beide kampen contradicties aanwezig waren. Generaal Franco, de aanvoerder van het conservatieve kamp tijdens de Spaanse burgeroorlog, deed een beroep op islamitische Berbers uit de Marokkaanse Rif regio om het 'ongelovige deel' van Spanje te onderwerpen. Hij benadrukte de broederlijkheid en de religiositeit tussen zijn troepen en de Berberse huurlingen, terwijl in het progressieve kamp de Berbers werden aanzien als de nakomelingen van de Berbers en Arabieren die in 711 het Iberisch schiereiland veroverden. De auteur toont tal van paradoxen tussen en in de twee Spanjes. Ze legt aan de hand van een voorbeeld over grootgrondbezit in Extremadura dat het conflict vooral van sociaaleconomische aard was. Toch blijft haar analyse beperkt tot de politieke dimensie van het conflict. Het sociaaleconomische aspect is niet zo uitgewerkt zoals het politieke. Desondanks geeft ze duidelijk weer wat de gevolgen zijn van de burgoorlog. Eén van de meest opvallende ontwikkelingen, en ineens ook een nieuwe breuklijn, waren de geboortes van verschillende regionaal nationalismen.

Tijdens de vele gewelddadige conflicten tussen het progressieve en conservatieve kamp ontsproot er zich bij de Basken er een raciaal nationalisme. Het Baskisch nationalisme neemt het referentiekader van conservatief Spanje over en keert het tegen de rest van Spanje. Het nationalisme in Catalonië daarentegen benadrukte haar taaleigenheid. In Andalusië was het nationalisme een elitaire aangelegenheid en probeerde het een historische basis te geven. Natuurlijk is deze classificatie van de verschillende regionale nationalismen historisch en is de toestand sindsdien geëvolueerd. Na de overgang van Spanje van een militaire dictatuur naar een democratisch bestel in 1975 veranderden de regionaal nationalismen van gedaante. Het Catalaanse nationalisme combineerde de taalstrijd met de roep voor meer autonomie en/of onafhankelijkheid. Een deel van de Baskisch nationalistische beweging deed dat ook maar voegde er een socialistische dimensie aan toe. Het Andalusisch nationalisme vertrok als een elitebeweging – wat het ook grotendeels is gebleven – maar werd een islamitische revival beweging. Stallaert belicht het Baskisch, Catalaans en Andalusisch nationalisme. Het nationalisme van de Canarisch eilanden, Asturië en Galicië komen dus niet aan bod, uitgezonderd hier en daar een verwijzing. Dit is eerder een aanvulling van mijn kant dan kritiek. Haar boek gaat over de Spaanse natie, niet over regionaal nationalismen in Spanje. Het Spaans (lees: Castiliaans) nationalisme onder invloed van het progressieve kamp en ook een deel van het conservatieve deel van de bevolking probeert een nieuwe weg in te slaan. De vormingen van verschillende deelparlementen, de toekenning van de Spaanse nationaliteit aan de nakomelingen van de gedeporteerde Sefardische Joden, het samenwerkingsverdrag met de moslimgemeenschap en een voorzichtige verzoeningspoging tussen het progressieve en conservatieve kamp zijn verworvenheden onder het Spaans nationalisme.

Toch blijft Spanje worstelen met haar verleden en haar toekomst. De inval van de Verenigde Staten in Irak waar ze aan heeft geparticipeerd, haar conflict met het Catalaans en Baskisch nationalisme, het taboe dat rust op de Spaanse burgeroorlog en de deportatie van de Moriscos om maar een aantal onderwerpen op te noemen, spelen haar nog allemaal parten. Spanje ligt overhoop met zichzelf. Het is een land met verschillende identiteiten: regionaal, cultureel, religieus, sociaaleconomisch en politiek. Het is een natie in de puberteit die moeilijkheden ervaart om volwassen te worden. Het doet me als Marokkaanse-Belg denken aan een andere natiestaat die met zichzelf overhoop ligt.

Mohamed El Khalfioui

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 73 tot 75