Abonneer Log in

Overheid + markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 2 (februari), pagina 69 tot 71

Ivan Van de Cloot trekt hij een stuk feller van leer tegen het falen van de overheid dan dat van de markt. Waarom wenst de auteur zichzelf geen neoliberaal te noemen?

Overheid + markt

Ivan Van de Cloot
Pelckmans/Itinera, Kalmthout, 2020

De overheid heeft de neiging te ver tussen te komen via staatscontrole en staatseigendom, aldus Van de Cloot.

Van de Cloot noemt ondernemerschap een productiefactor, maar geeft niet toe dat ook de sociale zekerheid dat is.

De hoofdeconoom van Denktank Itinera, Ivan Van de Cloot, heeft ondertussen al zijn zevende boek uit. In Overheid + markt gaat hij op zoek naar complementaire rollen voor de overheid en markt, al trekt hij een stuk feller van leer tegen het falen van de overheid dan dat van de markt.

Vooreerst vatten we de hoofdthesen van het boek samen. België presteert onder zijn niveau waardoor welvaartscreatie moeilijker wordt, aldus Van de Cloot. De coronacrisis toont de zwakke punten als door een vergrootglas. We vallen bestuurlijk door de mand en tonen een gebrek aan snelheid, daadkracht en efficiëntie. We moeten daar lessen uit trekken, willen we een nieuwe en duurzame toekomst uitbouwen. De auteur wil een diagnose maken van de staat van het land. Onder de juiste omstandigheden volstaat concurrentie om, tegen de juiste prijs, te zorgen voor wat consumenten willen. Maar markten kunnen falen en dan is overheidsinmenging gewenst. Overheidsinterventie en marktwerking vullen elkaar aan. We moeten wel duidelijk de rollen bepalen en het beste van beide werelden kiezen. Vertrekpunt is vertrouwen in eigen burgers en ondernemingen. In haar poging de markt te remediëren kan ook de overheid falen. Onder invloed van een minderheid kan een beleid precies die minderheid ten goede komen. De factuur wordt dan betaald door een meerderheid. Politiek is gevoelig voor dat soort lobbywerk en sluit daartoe vaak coalities. Maar de overheid kan ook falen door af te wijken van haar oorspronkelijke doelstellingen of door bureaucratische inefficiëntie.

Ook op het vlak van innovatie is een evenwicht tussen privé en overheid doorslaggevend. Het gaat dan niet om fundamenteel onderzoek, maar om commerciële en private ontwikkeling. Het is een constante drive naar nieuwe varianten, die eigenlijk monopolies worden. Technologiegiganten besteden minder aan onderzoek en ontwikkeling dan je zou denken. De 2.500 bedrijven die 90% van het budget voor onderzoek en ontwikkeling vertegenwoordigen, besteden 4% van hun omzet aan R&D. Ook in ICT-sectoren is het niet enorm. Die uitgaven gaan meer uit naar het verbeteren van bestaande producten dan naar het zoeken van iets nieuws. Ook kleine bedrijven investeren in innovatie, maar kunnen moeilijker hun technologie beschermen. We zien weinig fundamentele doorbraken, wel veel gadgets. De overheid moet ervoor zorgen dat er nog voldoende fundamenteel onderzoek gebeurt en zo nodig bijsturen.

Maar hoever mag de overheid in de economie ingrijpen? In de 19e eeuw was dat beperkt tot veiligheid en rechtsorde. Ondertussen heeft ze haar terrein ver uitgebreid. De overheid moet een rol spelen op die terreinen waar zij dat het beste kan of waar alleen zij het kan. Er moet altijd worden getoetst of de markt een dienst niet kan leveren tegen een lagere kostprijs. Daarmee kun je kerntaken afbakenen, die uitgevoerd worden volgens drastische efficiëntienormen. Als er voor kerntaken te weinig middelen zijn, moet je besparen op randactiviteiten. Er moet altijd een kwaliteitstoets zijn en belangrijk is dat vooruitgang geëvalueerd wordt. De overheid is op de eerste plaats regulator en toezichthouder. Goed bestuur betekent dat het algemeen belang gediend wordt en dat met de langere termijn rekening gehouden wordt. Vandaag schort er duidelijk iets aan de kwaliteit van de overheidsdiensten. De ministeriële kabinetten en de politisering van het topmanagement hinderen effectiviteit. Er zijn meer resultaten nodig met minder middelen. Dat heet professioneel management. De bestuurders van de overheidsbedrijven horen onafhankelijk te zijn.

Wat zijn dan de kerntaken voor Van de Cloot? Landsverdediging, openbare orde, justitie, volksgezondheid en armoedebestrijding. Ook publieke infrastructuur, waar de overheid vandaag in tekort schiet. Daarnaast kan de private marktwerking niet helemaal gepast omgaan met: energiezekerheid, luchtkwaliteit, kansenbeleid, succesvolle integratie van nieuwkomers, investeringen in menselijk kapitaal, technologische vooruitgang en efficiënte sociale bescherming. De overheid is echt wel noodzakelijk in een complexe samenleving. Een sterke markt vereist een sterke overheid. Alleen is de rol van de overheid niet zozeer sturend en ingrijpend, maar ze moet voorwaarden scheppen, de markt ordenen en toezicht houden. De eindverantwoordelijkheid ligt niet in de uitvoering. De privé kan best wel operationele deeltaken overnemen, ook in de sociale zekerheid, arbeidsmarkt, enzovoort.

De overheid heeft de neiging te ver tussen te komen via staatscontrole en staatseigendom, aldus Van de Cloot.

De overheid heeft de neiging te ver tussen te komen via staatscontrole en staatseigendom, zo lezen we verder. België is te dirigistisch en toont te weinig respect voor de autonomie van overheidsbedrijven. Dat blijkt uit OESO-cijfers. De markt kan op die manier onvoldoende zijn werk doen. Er is veel ruimte voor verbetering, zoals ook blijkt uit internationale vergelijkingen. De overheid is daardoor een obstakel voor een gezond economisch weefsel. Er moet zeker iets gebeuren aan het ondernemersklimaat. 'Ons land heeft een specifiek probleem met ondernemerschap' (211). Ondernemerschap is nochtans een cruciale productiefactor, die gestimuleerd moet worden. Burgers die zelf verantwoordelijkheid nemen verdienen respect. Eigendom blijft de belangrijkste prikkel. Falingen zijn niet te vermijden.

Deze samenvatting doet het boek onrecht aan. Er staat veel meer in dan ik kan weergeven. Ook cijfers en grafieken en talloze uitweidingen die op een zwarte (en moeilijk leesbare) achtergrond zijn afgedrukt. Het is een taai en ietwat saai boek. Door zijn pleidooi voor het beste van twee werelden, lijkt het erop dat de auteur boven het neoliberalisme uitstijgt. In werkelijkheid gaat het hem om een zo vrij mogelijke markt. De overheid is helemaal geen gelijke partner, maar een instrument. Iedere inmenging of inperking moet zo beperkt mogelijk zijn. De overheid moet zich richten op haar kerntaken, maar eigenlijk zijn dat niet veel meer dan de taken van de nachtwachtsamenleving. Wat hij erbij voegt moet echt zo minimaal mogelijk ingevuld worden. Hij schrijft ergens dat gelijke kansen belangrijker zijn dan gelijke uitkomsten. Wie zijn kansen mist, is zelf verantwoordelijk.

Ivan Van de Cloot trekt fel van leer tegen het falen van de overheid en is veel milder voor het falen van de markt. Ik vind het nogal straf om zonder enige kritische reflectie te lezen dat de privé nauwelijks investeert in innovatie. Bestaande producten verbeteren en gadgets aan de wereld toevoegen, daar zijn ze blijkbaar beter in dan in het ontwerpen van nieuwe dingen. Van de Cloot heeft niet door dat dit samenhangt met een economie die niet bezig is met wat de mensen nodig hebben voor een goed leven. Hij heeft zijn boek afgewerkt op een moment dat de corona-epidemie al bezig was. Dat die epidemie ook te maken heeft met onze manier van leven is hem niet duidelijk geworden. Hij pleit voor een sterke markt en een sterke overheid, maar wil eigenlijk een overheid die volledig in dienst van de markt staat. Zonder de overheid en in het bijzonder de sociale zekerheid zou de coronacrisis echter een onvoorstelbare economische aardverschuiving geweest zijn. Hij noemt ondernemerschap een productiefactor, maar geeft niet toe dat ook de sociale zekerheid dat is en niet alleen maar een vervelende kost.

Van de Cloot noemt ondernemerschap een productiefactor, maar geeft niet toe dat ook de sociale zekerheid dat is.

De auteur wil dat de overheid werkt volgens duidelijke langetermijndoelstellingen. Hij waarschuwt voor verschuivingen in doelstellingen, waardoor waar het echt om gaat niet bereikt wordt. Maar waarom moet de markt geen doelstellingen op lange termijn formuleren? En is de productie van wat de auteur gadgets noemt geen verschuiving van doelstellingen? Hij klaagt over overheidsbeslag, maar hij geeft nergens aan hoe de overheid al jaren gepluimd wordt door opeenvolgende lineaire besparingen. Je kunt niet moderniseren als niet ook geïnvesteerd wordt. Hij wil dat de privé een stuk van de sociale zekerheid overneemt, maar hij negeert dat de problemen op dat vlak geen zaak van uitgaven, maar van inkomsten zijn. Er worden – ook weer al jaren – inkomsten afgeleid die eigenlijk de sociale zekerheid toekomen en wat afgeroomd werd ging naar de bedrijven, die daar uiteindelijk weinig mee gedaan hebben. De uitgaven voor sociale zekerheid zijn in ons land helemaal niet zo hoog in vergelijking met andere landen. Je moet gewoon alle uitgaven – zowel van de privé als van de overheid – bij elkaar tellen. Wat je ziet, wordt bepaald door de weg die je gekozen hebt. Ik vraag mij af waarom de auteur zichzelf geen neoliberaal wenst te noemen.

Luc Vanneste

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 2 (februari), pagina 69 tot 71