Abonneer Log in

De laatste gouverneur

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 6 (juni), pagina 80 tot 82

Een grote verdienste van Rik Van Cauwelaert met dit boek is dat hij exact doet wat centrale banken niet graag hebben: hun beleid politiseren en dus potentieel voorwerp maken van maatschappelijke discussie.

De laatste gouverneur

Rik Van Cauwelaert
Davidsfonds, Leuven, 2021

Monetair beleid impliceert uiteindelijk allemaal mensenwerk en getouwtrek. Vooral mannenwerk ook.

Het beeld van het land dat z'n rug rechtte na de roomsblauwe besparingsgolf, verdient meer nuance.

Centrale banken behoren wellicht tot de meest bekende, maar minst begrepen instellingen van ons economisch bestel. Dat centrale banken wereldwijd – vooral de Amerikaanse – biljoenen dollars, euro's en ponden drukten om in 2008 een enorme systeemcrisis te voorkomen is velen bekend. Sommigen herinneren zich ook de fameuze quote 'Whatever it takes' waarmee 'Supermario' Draghi de eurocrisis (2012) bezwoer, die Europa in een institutionele en economische dieperik dreigde te storten. Maar wat centrale banken nu eigenlijk doen, welke keuzes ze daarbij maken en welke effecten die sorteren, dat leidt voornamelijk tot schouderophalen. Voer voor gespecialiseerde technocraten in een 'onafhankelijk' en gedepolitiseerd instituut is het credo de afgelopen decennia.

Een grote verdienste van De laatste gouverneur is dan ook dat het exact doet wat centrale banken niet graag hebben: hun beleid politiseren en dus potentieel voorwerp maken van maatschappelijke discussie. Of dit de expliciete bedoeling was van auteur Rik Van Cauwelaert laat ik in het midden, maar de timing zit alvast goed: door de pandemie worden de monetaire zeilen opnieuw bijgezet en dringt een debat over de rol en het mandaat van centrale banken zich op.

Maar bon, eerst naar het bijzonder lezenswaardige boek dat – getuige ook de verkoopcijfers – niet voor monetaire nerds is geschreven. Hulde aan Van Cauwelaert die in het boek drie zaken schijnbaar naadloos combineert: allereerst schetst hij een indringend portret van Fons Verplaetse, die eerst als cabinetard bij premier Wilfried Martens en later als gouverneur van de Nationale Bank van België (NBB) een cruciale rol speelde in de politiek-economische ontwikkeling van ons land. We krijgen een ietwat heroïsch beeld van de 'tegendraadse' en volkse Verplaetse, die in de aristocratische en Franstalige getinte NBB de gevestigde belangen en ideeën niet spaarde. Dat Verplaetse zelf kind was van een steenrijke ondernemers en de juist geplaatste nonkels had wordt – zoals het een Van Cauwelaert betaamt – met de mantel der Vlaamse (naasten)liefde verteld.

Daarnaast dompelt het boek je onder in de Belgische politieke geschiedenis van de jaren 1980 en 1990, ideaal voor jonge veertigers zoals uw dienaar, voor wie Poupehan hoogstens een juist antwoord betekende in een scoutsquiz. Van Cauwelaert beschrijft de machinaties achter de grote socio-economische ontwikkelingen van toen: van de devaluatie in 1981 en de zogenaamde flankerende (besparings)maatregelen om wat heet 'de competitiviteit te herstellen' tot de publieke saneringsrace naar de Europese muntunie. Verplaetse bleek hierbij cruciaal om de christelijke vakbond mee in het rooms-blauwe bad te trekken en het 'land buiten adem' – België werd geplaagd door hoge werkloosheid en inflatie, een tekort op de betalingsbelans en een zwakke munt – 'de rug te laten rechten'. Later, als gouverneur, tekende Verplaetse voor de snelle liberalisering van de 'vetgemeste' financiële sector en leidde hij 'road shows' langs internationale kapitaalmarkten van Londen tot Brunei om Belgisch overheidspapier aan te prijzen. Treffend voor de invloed van Verplaetse en de NBB is de uitspraak van compagnon de route Jean-Luc Dehaene, toen de eerste aandrong op een nieuwe besparingsronde richting Maastricht-normen: 'Fons, we moeten toch een beetje de schijn van onafhankelijkheid van de regering ophouden'.

Ten slotte wordt het verhaal van onze 'laatste gouverneur' – de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt deelt nu de lakens uit – ingebed in de (Belgische) monetaire en economische geschiedenis. U leest hoe een klassieke run op een roekeloze bank – de Société Générale – in het revolutiejaar 1848 leidde tot de oprichting van de NBB. Maar ook hoe later het internationale netwerk van centrale bankiers gehuisvest in het Zwitserse Bazel wereldwijd kapitaalstromen dirigeerde op maat van de gewenste (geo)politieke ontwikkelingen. Het boek besteedt dan ook veel aandacht aan de genese van het voorlopige hoogtepunt van monetaire eenmaking, de euro.

Van Cauwelaert kleurt deze zakelijke materie met een stevige dosis 'human interest' – opgemaakt uit een zeer rijk interviewbestand – die illustreert dat dit monetair beleid geen functie is van harde economische wetmatigheden, maar uiteindelijk allemaal mensenwerk en getouwtrek impliceert. Vooral mannenwerk ook. Uitgenomen Marcia 'Chicago School' De Wachter, komt er helaas geen vrouw aan te pas. Mannen met een netwerk dus, met bepaalde ideeën over hoe de wereld functioneert. Zoals Van Cauwelaert zelf misschien.

Monetair beleid impliceert uiteindelijk allemaal mensenwerk en getouwtrek. Vooral mannenwerk ook.

Mijn voornaamste kritiek op het boek bestaat dan ook uit het eenzijdige discours dat de auteur hanteert over de rol van centrale banken en financiële markten in onze samenleving. Monetaire autoriteiten worden gekarakteriseerd als neutrale en objectieve bewakers van 'discipline'. Deze elitaire, 'aparte kaste' moet ons dan hoeden voor de excessen van 'de politiek' – met hun corporatistische belangen, met hun ingedommelde instellingen en met hun spilzuchtige politici. Een neoliberaal discours dat niet toevallig in het tijdperk Verplaetse mondiaal aan kracht won. De vraag wie wat disciplineert en wie hier baat bij heeft, wordt echter niet gesteld door Van Cauwelaert.

In de zogenaamde gouden jaren van het kapitalisme regelde de democratische natiestaat het internationale betalingsverkeer. Mondiale (vaak speculatieve) kapitaalstromen, van nature op zoek naar de hoogste winstvoet – ook ten koste van mens en milieu – werden via kapitaalcontroles 'ingebed' in het naoorlogse compromis tussen arbeid en kapitaal, weliswaar geschraagd door economische groei. Met de desintegratie van Bretton Woods kwam het stokje echter in private, financiële handen. De reële macht verschoof opnieuw naar de financiële centra, zoals de obligatiehandelaars in de City, die de staatshuishoudens disciplineerden. Wat Van Cauwelaert er niet bij vertelt, is dat net de City een cruciale rol speelde in het ondermijnen van die naoorlogse orde: Londen maakte opgang als 'offshore' financieel centrum waarin het internationale dollarkapitaal – afkomstig van westerse multinationals en oliemagnaten – ontsnapte aan regulering en belasting.

Deze clash tussen democratische (her)verdeling en het mondiale kapitaal werd in 1981 mooi geïllustreerd door de zogenaamde 'U-turn' van François Mitterand. Wat in het boek als 'desastreus beleid' wordt betiteld is een feite het aantreden van de eerste linkse regering in decennia, waarbij een publieke investeringsagenda en herverdeling op de agenda stonden. De kapitaalvlucht die hierop volgde noopte Mitterand, zoals vele andere landen tot een drastisch saneringsbeleid, opgedrongen door de 'financiële markten'. Het feit dat ook in België niet alleen het sociale overleg maar ook de parlementaire democratie feitelijk buitenspel werd gezet – met 'bijzondere volmachten' die we ook kennen van de huidige pandemie – om een liberalisings- en saneringsagenda door te voeren geeft deze spanning goed weer. De onlangs fel bediscuteerde loonnorm stamt niet toevallig uit deze periode.

Het beeld van het land dat z'n rug rechtte na de roomsblauwe besparingsgolf, verdient meer nuance.

Het beeld van het land dat z'n rug rechtte na de roomsblauwe besparingsgolf verdient dus meer nuance. Vanaf de jaren 1980 steeg natuurlijk wel het aandeel kapitaalsinkomen – ten koste van het inkomen uit arbeid – en gingen de beurzen met 300% omhoog, maar de vraag of de lusten en lasten van deze nieuwe disciplinering billijk werden verdeeld, wordt niet gesteld. Eenzelfde kritische reflex ontbreekt wanneer het bijvoorbeeld gaat over de haastige uitverkoop van onze publieke kredietinstellingen begin jaren 1990. Naar mijn weten moesten deze 'lethargische' instellingen nooit met miljarden belastinggeld worden gered. De ijzeren discipline van financiële markten bleek in 2008 in elk geval niet voor haarzelf te gelden.

Bovenstaande doet echter geen afbreuk aan de kwaliteit van dit intrigerende en bijzonder goed gedocumenteerde boek. Het beschrijft op unieke wijze de structurele macht van de financiële sector, gedirigeerd door centrale banken en onomkoombaar verweven met de politiek. Het toont tevens aan dat het hardnekkige pleidooi voor 'onafhankelijke centrale banken' in wezen antidemocratisch is, zeker nu het stokje ergens ligt in een hoge toren langs de Main. Mocht de auteur het hiermee niet eens zijn, is in elk geval een gezond debat geopend.

We kunnen het dan bijvoorbeeld hebben over het enge mandaat van de Europese Centrale Bank (ECB), momenteel louter gericht op prijsstabiliteit. Dit kan worden aangevuld met objectieven inzake werkgelegenheid – zoals vaker het geval – maar ook met nieuwe doelstellingen zoals de strijd tegen klimaatopwarming en ongelijkheid. Pierre Wunsch, de huidige gouverneur van de NBB en bestuurslid van de ECB, zal het (misschien) graag horen.

Greg Van Elsen

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 6 (juni), pagina 80 tot 82