Log in

De toekomst

redactioneel

De Vlamingen willen meer eigen bevoegdheden. Dat hebben de kiezers, zo valt te horen, op 10 juni duidelijk laten blijken. Partijen die de Vlaamse kaart sterk uitspeelden, zoals CD&V/N-VA en LDD, wonnen overtuigend. Partijen die zich ter zake minder ambitieus of uitgesproken opstelden, zoals sp.a-spirit, Open Vld of Groen!, scoorden ondermaats of alvast minder dan verwacht. En het VB? God ja, die hadden wat last van groeivertraging, LDD en een kwakkelende positionering. Bovendien weten we uit vroeger onderzoek dat VB-stemmen maar in beperkte mate op communautaire overwegingen steunen.

Nochtans is er geen fatsoenlijk wetenschappelijk onderzoek dat deze geldende wijsheid onderbouwt. Ook niet om het tegenovergestelde te bewijzen. Er is gewoon geen onderzoek dat wat dan ook hard kan maken. Het gaat dus om vermoedens. Om strategische interpretaties.
De idee dat 10 juni een communautaire radicalisering liet optekenen, is stilaan common sense. Ze is zo krachtig dat wie er zich tegen verzet wel een naïeve negationist lijkt, of alvast iemand die wél om politieke redenen een evidentie in vraag stelt. Maar wie kan uitsluiten dat het succes van CD&V/N-VA misschien evenveel, wie weet meer, te verklaren is door een grote paarsmoeheid, door de manier waarop het kartel ‘het alternatief’ belichaamde, door de rechtvaardigheidsagenda, het benadrukken van een geloofwaardige overheid, enz? Misschien genoot LDD wel van de sympathie voor de rebelse underdog, van de appreciatie voor een niet-ranzige anti-systeempartij of voor een duidelijker rechts-liberalisme? Wie weet verloren sp.a en spirit omwille van alle redenen die ze in hun analyserapporten hebben opgesomd? Waarvan het fletser communautaire profiel er inderdaad een kan zijn? Kan.
Of dat democratisch argument - Vlaanderen koos voor meer communautaire radicalisering - klopt, valt nog te bezien. Is dat zeer belangrijk? Neen. Want de partijen die geacht worden die kiezers te vertegenwoordigen interpreteren hun resultaat alvast in die termen. Vlamingen die van op afstand de politiek aanschouwen informeren zich uitsluitend via Vlaamse media, horen alleen Vlaamse partijen die bijna unisono verklaren dat meer Vlaanderen dé oplossing is die het voor ons allen beter maakt. Dat steeds meer Vlamingen ervan overtuigd zijn dat meer Vlaanderen nodig is, is dus inderdaad logisch en aannemelijk. Maar wie gelooft dat dit voor de Vlaming ook hét geloofspunt bij uitstek is, mag als nationalistische partij proberen om solo de kiesdrempel te overleven. Ondertussen heeft wetenschappelijk onderzoek wel overtuigend en voldoende aangetoond dat vragen om méér Vlaanderen niet hetzelfde is als pleiten voor separatisme. Een onderscheid waar de Franstaligen het bijzonder moeilijk mee (willen) hebben. Het separatisme is in Vlaanderen een (intensieve) minderheidsstroming. De meeste Vlamingen vragen een bevoegdheidsherverdeling binnen het Belgisch kader.
Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat we in de aanloop naar 10 juni een fatsoenlijk debat hebben beleefd over de staatshervorming. Het was dan wel ‘een communautaire campagne’, zeggen we achteraf, maar veel meer dan enkele slogans hebben we toen niet zien passeren. ‘De meest definitieve staatshervorming ooit’ moest er komen, omdat dat nu eenmaal goed is. Veel argumenten of details kwamen daar niet aan te pas. Fraai democratisch debat. Als de Vlaming op 10 juni voor meer Vlaanderen stemde, heeft hij alvast geen duidelijk verlanglijstje kunnen legitimeren. Het was wachten tot het geridiculiseerde lijstje in Le Soir voor de eerste publieke verschijning van de Vlaamse eisen. De resoluties van 1999 waren eerder al afgevoerd, de Vlamingen wilden zich redelijk opstellen. Maar hoe redelijk precies?
Er schort dus iets aan de ‘assumptie’ dat de toekomstige staatshervorming alvast democratisch gelegitimeerd is. Aan de Franstalige overzijde geldt het spiegelbeeld: daar werden alleen schakeringen van non aangeboden. Ook daar was van een tegensprekelijk debat of gediversifieerd politiek aanbod niet meteen sprake. Hoe kan de kiezer dan richting geven aan het politieke spel?
De voorbije maanden bleek eens te meer dat voorstanders van defederalisering met rugwind spelen. Alsof regionalisering altijd voordelig is. Dat theoretisch argument klopt niet. Zet vijf leden van VOKA en het VBO rond de tafel en meteen blijkt hoeveel discussie er onder werkgevers is over de voordelen van defederalisering. Zo evident is de beleidswinst dus niet. Wie de literatuur over federalisme kent, weet dat regionalisering niet intrinsiek, niet per definitie optimaal is. Het omgekeerde geldt uiteraard evenmin zomaar, maar de veronderstelling dat de transfer van bevoegdheden naar de deelstaten altijd in hun voordeel zou zijn, klopt niet. Defederalisering kan verstandig zijn, maar daar moeten argumenten voor zijn. En die zijn heel vaak te vinden. Of regionalisering verstandig is, hangt nu eenmaal af van de specifieke bevoegdheden waarover het gaat: de context, doelstellingen,… Maar vandaag is de politieke bewijslast omgedraaid: ze ligt bij wie stelt dat defederalisering niet zomaar de default positie is, bij wie beweert dat er misschien alternatieve wegen zijn om bepaalde beleidsdoelen te bereiken, zoals betere afspraken binnen het Belgisch federale kader.
Maar dat ontslaat het pleidooi voor meer Vlaanderen niet van de nood aan expliciete motivatie: welke bevoegdheden zijn nodig om welk Vlaanderen te maken? Om wat ermee te doen? We mogen wantrouwig staan tegenover diegenen die meer instrumenten vragen maar niet precies willen zeggen wat ze er nadien mee aanvangen.

Hier ligt een grote opdracht voor links Vlaanderen: het politiek-intellectueel debat voeren, niet enkel over ‘meer’ maar ook over ‘welk’ Vlaanderen we willen. Of en hoe is een staatshervorming eventueel nodig om een beter Vlaanderen te maken? Kortom, het ‘Vlaams-nationalisme’ - waarvan de gematigde versie, meer Vlaamse bevoegdheden, mainstream geworden is - van haar centrumrechts imago ontdoen. Opkomen voor een sterker Vlaanderen lijkt te vaak nog het alleenrecht van centrumrechts, omdat vooral centrum- en extreemrechts zegt dat het daar voor is. Daardoor lijkt het alsof LDD of CD&V/N-VA de goede Vlamingen zijn, en dat de links-progressieve partijen sukkelen met een soort latent Belgicistische reflex. Alsof ze zich ongemakkelijk voelen in meer Vlaanderen. Dat komt omdat ze schrik hebben dat dat een rechts Vlaanderen zal zijn. Dit defaitisme is onproductief.
Het regionalisme - het is niet evident, maar zelfs in een rijkere regio ten opzichte van een armere regio - kan een open emancipatiebeweging zijn. Verstandige defederalisering kan in het belang van Vlamingen en Franstaligen zijn. Links-progressief Vlaanderen moet die emancipatiebeweging niet aan centrum- of extreemrechts overlaten. Maar dan moet aan de links-progressieve zijde wat meer geïnvesteerd worden in het politiek-intellectueel debat over Vlaanderen. Welke staatsinrichting is nodig om welk beter en socialer Vlaanderen te maken? Hoe kunnen we o.a. via de staatshervorming de ongelijkheid in Vlaanderen bestrijden, zonder de ongelijkheid tussen de Belgen te vergroten, meer nog, die ondertussen ook te verminderen?
Straks, bij de verkiezingen van 2009, staat vermoedelijk alweer een communautaire campagne op het menu, gezien de verwachtingen over de nakende staatshervorming eerder bescheiden zijn. Links Vlaanderen moet tegen dan een eigen, warm, sociaal en solidair Vlaams verhaal hebben, dat in een geest van solidariteit en kameraadschap ook de Franstaligen vooruit helpt. Hopelijk wordt de sp.a ondertussen niet vooral opgeslorpt in het onding tripartite. Een nieuwe regeringsdeelname is evenmin bevorderlijk voor de grondige herbronning waar de sp.a nochtans zo dringend behoefte aan heeft. Het gevaar is niet denkbeeldig dat straks wordt overgegaan tot de beheersorde van de dag. En dat de les van 10 juni al vergeten is nog vooraleer ze geleerd is.

Er is dus ook de komende maanden volop voer voor Samenleving en politiek, waarvan vanaf 1 januari 2008 Patrick Vander Weyden de stuwende kracht is. Ik wens de nieuwe kapitein van dit schip een bijzonder goede vaart. Zoals over enkele nummers al zal blijken, is hij een zegen voor Sampol. Patrick kan alvast rekenen op de fantastische medewerkers van uitgever Stichting Gerrit Kreveld en op een schitterende redactieploeg. Ik wil jullie heel hartelijk danken voor het jarenlange plezier en enthousiasme waarmee we samen dit boeiende blad gemaakt hebben. Ik heb veel geleerd van de spionkop van de redactieraad. Ik waardeer hun grote inzet en betrokkenheid heel erg. Bovenop hun dagtaak reiken ze onderwerpen en auteurs aan, evalueren ze teksten en stellen ze verbeteringen voor, denken ze mee na over de koers van het socialisme. Ik bedank ook de vele auteurs die in ruil voor een bescheiden boekenbon en veel waardering Sampol toelaten om sterke en soms spraakmakende stukken te publiceren. Dat is niet evident: de redactieraad is kritisch en veeleisend, de academische waardering voor een blad als Sampol is bijna onbestaande. Het is vooral dankzij de auteurs en dankzij het vertrouwen van steeds meer lezers dat de maatschappelijke relevantie van Sampol is wat ze geworden is. Zij hebben samen van Sampol een referentie gemaakt. Het was een eer samen met jullie die tocht te mogen maken.
Waarom dan aan land gaan? Omdat ik nog heel graag hoofdredacteur ben. Het is beter te stoppen vooraleer dat een sleur wordt waar ik me met lichte tegenzin of zonder veel enthousiasme moet toe dwingen. Omdat het goed gaat met Sampol. En ik dus iets moois kan achterlaten, waar anderen op verder kunnen bouwen. Omdat ze zeggen dat ik een stempel op het blad heb gedrukt. Als dat zo zou zijn, dan lijkt het me beter dat niet te lang te doen, zodat iemand anders met nieuwe, frisse, andere en vooral betere ideeën de schwung garandeert. Om vele positieve redenen lijkt het me beter Sampol in de goede handen van een nieuwe hoofdredacteur te laten. Maar heel veel zal dat wel niet uitmaken. Daarvoor is Sampol te veel een ploegsport. Het gaat ons goed. Tot gauw.

Carl Devos
Hoofdredacteur

edito - communautaire problemen - hoofdredacteur - Samenleving en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 10 (december), pagina 1 tot 3