Log in

Politiek met de paplepel

Elke verkiezing brengt nieuwe namen in het parlement. Of toch gedeeltelijk, want van sommige kandidaten klinkt de familienaam bekend in de oren. Politiek leek het voorbije decennium meer dan ooit in de genen te zitten. De Wetstraat leek soms een familiebedrijf. In dit artikel willen we nagaan of deze bekende namen van verkozenen op zichzelf staan dan wel het topje vormen van een breed fenomeen van familiepolitisering, zichtbaar op diverse niveaus van politiek engagement en in diverse geledingen van de familie. Als bloed kruipt waar het niet gaan kan… een onderzoek naar familiepolitisering in Vlaanderen.

INLEIDING

Politiek ambitieuze zonen en dochters van politici kregen het voorbije decennium de media-spotlights op zich, blonken uit op de kieslijsten en kwamen vaak in parlementen of regeringen terecht. Of werden uit het niets nationaal partijvoorzitter. Niet dat dit een nieuw fenomeen is, wel integendeel. In een vroeger tijdperk was politiek een beroep dat bij uitstek binnen families circuleerde. Maar ook in verregaand gedemocratiseerde samenlevingen, in België en in andere westerse landen (niet het minst de VS), blijft politiek één van die beroepen waar kinderen vaak in de professionele voetsporen van een familiale voorganger, meestal ouder, treden. Dat dit soms kan wringen met een democratische basisveronderstelling zoals gelijkheid van kansen, wordt er dikwijls bij gedacht. Maar de kiezer lust deze neofieten met geërfd politiek kapitaal wel en creëert op die manier zelf politieke dynastieën. Net zoals klanten bij familiebedrijven lijken kiezers het doorgeven van ervaring en knowhow binnen de betrouwbare familiekring een troef te vinden en beloont hij deze - vaak jonge - kandidaten met (vroeg) electoraal succes (Laband & Lentz, 1985; Kurtz, 1995; Van Liefferinge, Devos & Steyvers, 2010).
In de Vlaamse media werd het voorbije decennium ruimschoots aandacht besteed aan het stijgende aantal politieke dynastieën. Freya Van den Bossche, Bruno Tobback, Jean-Jacques De Gucht, Mathias De Clercq, Alexander De Croo, het zijn maar enkele bekende protagonisten die de voorbije jaren hun intrede of doorbraak kenden in de nationale politiek. Iets minder op de voorgrond zien we bijvoorbeeld Hilde Claes, Marie De Clerck, Maya Detiège, Willem-Frederik Schiltz of Peter Van Rompuy. Over de generatiegrenzen heen - en daarom ook in mindere mate gelinkt met hun familiale voorganger - zien we dan weer Bert Anciaux, Steven Vanackere, Bart Somers, Marleen Vanderpoorten, of zelfs Ingrid Lieten. Het aantal voorbeelden van politici die een familielid hebben dat hen in die job voorafging, is talrijk.

Wat wij ons echter in dit artikel afvragen is in welke mate politiek werkelijk een familieaangelegenheid is. Zijn deze bekende namen het enige bestaansbewijs van een politieke microbe of is familiepolitisering een breder gegeven dat zich ook uit op lagere niveaus van politieke participatie en bij andere familieleden dan de ouders? Aan de hand van een schriftelijke survey, getiteld ‘Familie en politiek’, verstuurd naar de Vlaamse kandidaten op de federale kieslijsten van 2003 en 20071, gaan wij na hoe wijd vertakt diverse gradaties van politiek engagement binnen families zijn op het niveau van verkiezingskandidaten.
Kandidaten vormen een interessante onderzoeksgroep, aangezien zij zowel de voormalige ministers als de trouwe partijmilitant bevatten. De globale respons van de survey bedroeg 51,70% (882 op 1706 unieke kandidaten) en is representatief voor beide verkiezingsjaren voor wat betreft leeftijd, kiesomschrijving en geslacht. Voor wat de verdeling per partij betreft, stellen we vast dat Vlaams Blok/Belang-kandidaten ondervertegenwoordigd zijn, terwijl kandidaten van Groen! en N-VA licht oververtegenwoordigd zijn. Om familiepolitisering te meten, gebruiken we vier indicatoren, die als treden op de politieke participatieladder kunnen worden beschouwd. Van laag naar hoog zijn dat partlijlidmaatschap, partijactivisme (o.a. lid afdelingsbestuur, lid jongerenafdeling), verkiezingsdeelname (voor eender welk politiek niveau) en mandaathouderschap.
In wat volgt bekijken we achtereenvolgens de spreiding van familiepolitisering in aantallen en naar soort familielid. Daarna staan we kort stil bij het verschil tussen verkozen en niet verkozen kandidaten, alsook bij de perceptie door de kandidaten van familiale invloed op hun politiek engagement. We sluiten af met een vergelijking tussen de Vlaamse partijen.

SPREIDING FAMILIEPOLITISERING IN AANTALLEN

Bekijken we vooreerst de concentratie van familiepolitisering in aantallen bij de Vlaamse kandidaten. Tabel 1 toont aan dat de kandidaten die geen familiaal partijpolitiek engagement kennen (in brede zin, i.e. van ouders tot en met neven en nichten), ruimschoots in de minderheid zijn: minder dan een vijfde heeft geen familie met een partijlidkaart en ongeveer een derde heeft geen familie actief in een partij of die aan verkiezingen heeft deelgenomen. Iets meer dan de helft van de kandidaten heeft tot slot geen mandatarissen in de familie. Als we deze laatste zin omdraaien, komt ze wel anders over. Bijna de helft van de kandidaten heeft een familielid met een verkozen politiek mandaat.

Tabel 1: Verspreiding van familiepolitisering in aantallen (N = 882)

Zoals verwacht geldt dat hoe hoger men de participatieladder betreedt, hoe minder breed het politiek engagement in de familie wordt. In elk geval tonen deze cijfers aan dat familiepolitisering breed geïnterpreteerd mag worden. Politiek engagement is inderdaad vaak een familiale aangelegenheid. Hoewel, vooraleer we echt over een politiek gen of een politieke familiemicrobe kunnen spreken, kijken we best eerst naar de verdeling naargelang het soort familielid. Een verre neef in de politiek is namelijk van een andere aard dan een vader of grootvader in de politiek. Waarden en normen, naambekendheid, contacten, politieke knowhow,… het zijn zaken die allicht het vaakst in directe lijn worden doorgegeven of toch het meeste impact hebben. Daarom gaan we in de volgende paragraaf meer specifiek in op de aard van de politiek geëngageerde familieleden.

SPREIDING FAMILIEPOLITISERING: OUDERS EN DE BREDE FAMILIE

Dat ouders een zeer belangrijke politieke socialisatieagent zijn, is niet nieuw. Tal van politieke socialisatiestudies tonen aan dat kinderen en adolescenten heel gevoelig zijn voor de politieke prikkels die ze rondom zich ervaren: normen en waarden, praten of discussiëren over politiek of politiek engagement, het zijn zaken die vaak indruk maken tijdens beïnvloedbare levensjaren.
We onderzoeken de aanwezigheid van onze vier indicatoren van familiepolitisering zowel bij de ouders als bij de brede familie.

Tabel 2 geeft weer hoe wijd verspreid politiek is onder de brede families van de kandidaten. Ze toont hoeveel percent van de kandidaten verwanten heeft die lid zijn/waren van een partij, actief zijn/waren binnen een partij, aan minstens 1 verkiezing deelnamen en minstens 1 mandaat bekle(e)d(d)en. We bespreken kort de opvallendste cijfers en trends in de volgende paragrafen.

1.1. Partijlidmaatschap

Partijlidkaarten zijn rijkelijk verdeeld onder de familieleden van de kandidaten. Vooral de partners en vaders van de kandidaten hebben er één op zak, in meer dan de helft van de gevallen. De partners worden vooral genoemd door vrouwen, wat aangeeft dat mannelijke kandidaten vaker als enige van het gezin partijlid zijn, terwijl dat bij vrouwelijke kandidaten frequenter een gezinsaangelegenheid is.3 In de directe familiale omgeving is ook de moeder opvallend partijgebonden met ruim 40%. Een generatie verder in de directe afstammingslijn zien we dat ook de grootvaders relatief vaak lid zijn of waren van een partij (bijna 29%). Zonen en dochters scoren lager, maar dit is dan ook een moeilijker interpreteerbare categorie aangezien enkel de relatief oudere leeftijdsgroepen al volwassen kinderen hebben. We laten daarom deze categorie verder buiten beschouwing. De cijfers van de verdere verwanten tonen aan dat partijgebondenheid zich niet beperkt tot het kerngezin. Toch zijn ze minder sprekend dan deze van de nauwe verwanten, aangezien het hebben van ‘een oom’ of ‘een nicht’ met een partijlidkaart meer kan voorkomen dan een vader of partner, vanwege de grotere aantallen en de mogelijks verre persoonlijke relatie. Anderzijds moeten we dit niet overrelativeren en kunnen we duidelijk concluderen dat de families van de kandidaten sterk tot zeer sterk gepolitiseerd zijn in de vorm van passief politiek engagement, met name via partijlidmaatschap. Deze vaststelling tekent zich af tegen de internationale - en ook in Vlaanderen bevestigde - trend van een dalend partijlidmaatschap onder de algemene bevolking gedurende de laatste decennia (Mair & Van Biezen, 2001; Fiers et al., 2007). In de volgende paragrafen zoeken we uit of die familiale concentratie ook geldt voor de meer actieve vormen van politiek engagement.

1.2. Partijactivisme

De partner en vader van de kandidaten zijn niet alleen de familieleden die het vaakst partijlid zijn, ze zijn ook het vaakst partijactivist, zij het in omgekeerde volgorde en op veel ruimere afstand van elkaar. Bijna één kandidaat op drie heeft een partijpolitiek actieve vader (gehad), terwijl dat voor bijna één op vijf kandidaten het geval is voor de partner. Verdere analyse toont aan dat ruim twee derde van de kandidaten met een partijpolitiek actieve partner vrouwen zijn,4 wat erop wijst dat de partners naar wie hier verwezen wordt in hoofdzaak mannen zijn.
Vooral de mannelijke familieleden worden vaak genoemd als partijactivist: oom(s), grootvader(s), broer(s), ne(ef)/-ven. De percentages kandidaten met een mannelijk partijpolitiek actief familielid bevinden zich ruim boven de 10%, namelijk tussen 12,4% en 29,5%. De percentages respondenten met een vrouwelijk partijactief familielid liggen daarentegen een stuk lager, onder de 10%, namelijk tussen 9,4% (moeder) en 2,6% (grootmoeder). Dit hoeft niet te verbazen gezien de algemene lagere participatiegraad van vrouwen naarmate we onze blik hoger op de politieke participatieladder richten.

1.3. Verkiezingsdeelname5

Naast partijactivist is de vader van de kandidaten ook het familielid dat het meest ook zelf kandideerde op een kieslijst. Bijna een kwart van de kandidaten heeft namelijk een vader die net als zij ooit op een lijst heeft gestaan. Verkiezingsdeelname wordt niet alleen van vader op kind doorgegeven, ook binnen het eigen gezin van de kandidaat is kandideren een gezamenlijke bezigheid. Bijna één op vijf kandidaten, waarvan een significante meerderheid vrouwen,6 heeft namelijk een partner die zich ook al verkiesbaar heeft gesteld. Geslacht speelt hier trouwens nog een rol. Twee derde van de kandidaten met een moeder die aan verkiezingen heeft deelgenomen zijn vrouwen.7 Dezelfde trend is overigens ook waar voor de grootmoeders, zij het niet significant.8 Met andere woorden, hier lijkt erfelijkheid in politieke participatie langs vrouwelijke lijn wel degelijk een rol te spelen. Vrouwelijke familiale voorbeelden in politieke participatie stimuleren vrouwen duidelijk om in die voetsporen verder te gaan, meer dan mannen in dit geval.
Maar het aandeel van de vrouwelijke voorbeelden binnen de familie is klein en we zien in Tabel 2 duidelijk dat andermaal het mannelijke deel van de familie de hogere percentages achter zich heeft staan, wat ook logisch is vanwege het historische karakter van de vraagstelling en het nog relatief korte bestaan van quota voor vrouwen op de kieslijsten. De 10%-grens dient hier opnieuw als scheidingslijn. In directe lijn vallen de broers en grootvaders van de kandidaten op. Beide worden door ongeveer 1 op 8 van de kandidaten genoemd als verkiezingskandidaat. In de ruimere familie heeft bijna 1 op 5 kandidaten een oom die aan verkiezingen deelnam.
Nadere analyse wijst erop dat het bestuursniveau waarvoor de familieleden van de kandidaten het vaakst kandideerden, met verre voorsprong het lokale bestuursniveau is, op grote afstand gevolgd door het provinciale niveau en nog verder door de hogere niveaus. Enkel de vaders van de kandidaten deden vaker mee aan nationale dan aan provinciale verkiezingen.9

1.4. Mandaathouderschap

Bekijken we tot slot de familiale spreiding van het summum van politieke participatie, namelijk het bekleden van een politiek mandaat. Opnieuw zien we dat de vader boven de andere familieleden uittorent. Bijna één op de vijf kandidaten heeft een vader die een politiek mandaat bekleedt of bekleedde. Als we deze verdeling op het niveau van beide ouders samen bekijken, komen we aan 19,5% van de kandidaten die uit een gezin komen waar vader of moeder een politiek mandaat bekleedt of bekleedde. Bovendien betekent het doorgeven van een mandaat en eigenlijk politiek engagement in het algemeen meestal ook het doorgeven van de partijkleur. Hoe meer partijpolitiek geëngageerd de ouders, hoe sterker de partijovereenkomst met het kind.10
Keren we terug naar de politieke mandaten in de brede familie. Opvallend is ook de grootvader die eruit springt, namelijk meer dan één op de tien kandidaten heeft een mandaathoudende grootvader (gehad). In de brede familie zijn het opnieuw de ooms die opvallen, met name één op acht heeft minstens één oom met een politiek mandaat. Alle andere familieleden worden in minder dan 10% van de gevallen genoemd. Toch is er nog een duidelijk verschil waar te nemen tussen enerzijds de neven, broers en partners11 van de kandidaten en anderzijds de tantes, nichten, (groot)moeders en kinderen. Net als op de andere treden van de partijpolitieke participatieladder zijn de vrouwelijke familieleden het minst politiek actief.
Net als de verkiezingsdeelname is ook het mandaathouderschap van de familieleden van de kandidaten in zeer grote mate een lokale aangelegenheid. Zonder uitzondering is het mandaat op gemeentelijk niveau bij elk familielid het vaakst genoemde mandaat, op grote afstand gevolgd door het provinciale mandaat en in nog kleinere aantallen door de mandaten op hoger niveau.12

POLITICI VERSUS ANDERE KANDIDATEN

Het bovenstaande overzicht toont duidelijk het bestaan aan van politieke families, in de eerste plaats binnen het ouderlijke gezin, maar in tweede instantie ook veel breder naar andere takken en generaties van de familie, alsook naar het nieuwe, eigen gezin. Belangrijk is echter te noteren dat de belangrijkste van deze cijfers veel uitgesprokener zijn als we de kandidaten die nooit verkozen zijn geweest vergelijken met diegenen die wel (ooit) op eender welk niveau een mandaat hebben gehad, de politici zeg maar. De ruimte ontbreekt om die vergelijking hier volledig te maken, maar we halen toch even de cijfers voor de vaders aan. Een ruime meerderheid van de politici (54,6%) heeft een vader met partijlidkaart, van de niet verkozen kandidaten is dat 41,3%. Bijna één op drie politici (32,5%) heeft een vader-partijactivist, terwijl dat bij de niet verkozen kandidaten ruim één op vijf (22,0%) is. Voor wat betreft kandidaatschap zien we dat 26,6% van de politici een vader heeft die ook ooit aan verkiezingen heeft deelgenomen, bij de niet verkozenen is dat 17,7%. Het verschil is echter het grootst met betrekking tot het politieke mandaat. Hier merken we op dat meer dan 1 op 5 (20,9%) ooit verkozen politici een vader heeft die eveneens mandataris is/was. Van de kandidaten zonder mandaat heeft slechts ruim 1 op 10 (11,6%) een vader met mandaat.13 Een politiek actieve vader speelt dus duidelijk een grotere rol voor verkozen politici dan voor niet verkozen kandidaten. Men zou kunnen zeggen hoe sterker het engagement van de vader, hoe sterker het engagement van zijn kind, of hoe hoger zijn kind geraakt in de politiek. Want vooral in de laatste vergelijking van het mandaathouderschap zien we duidelijk een dynastieke factor aan het werk: vaders met een politiek mandaat komen bijna dubbel zo vaak voor bij politici als bij niet verkozen kandidaten. Naambekendheid, een beschikbaar netwerk en contacten, op jonge leeftijd de knepen van het vak geleerd hebben,… het speelt duidelijk een rol aan de laatste poort in het rekruteringsproces, met name het opstapje van kandidaat naar politicus.

SUBJECTIEVE INVLOED

Het vaststellen van familiaal engagement via objectieve parameters is één zaak. Een andere vraag is in hoeverre dat ook door de kandidaten als factor van invloed op hun eigen engagement wordt beschouwd. We stellen vast dat 60% van alle kandidaten aan zijn ouders een invloed toedicht in hun keuze voor politiek (waarvan 60% naar vader verwijst en ruim 26% naar beide ouders). Bijna 45% zegt dat ook andere familieleden dan hun ouders van belang zijn geweest voor hun politiek engagement.14 Vooral partner, grootouder(s) en oom(s)/tante(s) worden genoemd als belangrijkste personen naast de ouders, gevolgd door broers en zussen. Toch is het voor hen vaak geen of-of- maar wel een en-en-verhaal.15 Familiepolitisering mag inderdaad breed geïnterpreteerd worden, maar de ouders spelen nog altijd de eerste viool in het doorgeven, aanzetten of beïnvloeden van politiek engagement.

VERSCHILLEN TUSSEN VLAAMSE PARTIJEN

Tot slot onderzoeken we of er qua familiaal politiek engagement verschillen zijn tussen de Vlaamse politieke partijen. Om de cijfers enigszins overzichtelijk en gebald weer te geven, werden de afzonderlijke data voor zowel voor de politiseringsgraad van de ouders als voor de brede familiepolitisering opgeteld en worden gemiddelden per partij weergegeven.16 Nadien lichten we er enkele opvallendheden uit.

We verwezen eerder naar de nauwe band tussen politiek engagement van de ouders en het doorgeven van dezelfde partijvoorkeur. Wegens hun lange staat van dienst, hoeft het niet te verwonderen dat de drie traditionele partijen het hoogst scoren qua politieke activiteitsgraad binnen het gezin. Toch is er nog een verschil tussen enerzijds CD&V- en Open Vld-kandidaten en anderzijds sp.a-kandidaten. De kandidaten uit de eerste twee partijen komen veruit uit de sterkst gepolitiseerde ouderlijke milieus. Bekijken we de vaders van deze kandidaten bijvoorbeeld, zien we dat bijna 2 op 3 een partijlidkaart heeft, ruim 1 op 3 partijactivist is, en respectievelijk 27,6 en 26,7% een politiek mandaat heeft (gehad). Sp.a-kandidaten zijn minder gepolitiseerd van thuis uit (bijvoorbeeld 16,3% heeft vader met mandaat), maar wel meer dan de andere, recentere partijen. Groene kandidaten hebben politiek het minst met de paplepel meegekregen. Minder dan een derde van de groene kandidaten heeft een vader met lidkaart, iets meer dan 10% een vader met mandaat.
Familiepolitisering op het brede familieniveau toont een ander resultaat. Hier zien we dat de drie traditionele partijen worden vooraf gegaan door N-VA. Nadere analyse toont aan dat vooral partijlidkaarten wijd verspreid zijn binnen de families van de N-VA-kandidaten. Ook partijactivisme en verkiezingsdeelnames komen proportioneel vaker voor in de families van de N-VA-kandidaten, maar voor de verdeling van mandaten moeten ze CD&V- en Open Vld-kandidaten laten voorgaan.17 Deze partijpolitieke verwevenheid in de brede familie past binnen het beeld van het klassieke Vlaams-nationalisme als zijnde een familieaangelegenheid. Dat verklaart allicht ook gedeeltelijk het verschil tussen Vlaams Belang en Groen!, die hoewel even jong toch een andere familiale relatie hebben met partijpolitiek. Groene kandidaten blijken, net als op het ouderlijke gezinsniveau, ook in de brede gelederen van de familie het minst partijgebondenheid te kennen. Niet alleen de jonge leeftijd van de partij, maar ook en vooral van het groene gedachtegoed als politieke traditie, verklaart deze cijfers. In tegenstelling tot N-VA en Vlaams Belang, spruiten de groenen niet voort uit een andere langere partijpolitieke traditie rondom hetzelfde of gelijkaardig ideeëngoed. Tot slot merken we ook de op één na laagste score van sp.a op. In tegenstelling tot wat enkele zeer bekende ‘zonen en dochters van’ in de huidige toprangen van de socialisten doen vermoeden, is politiek er minder een familiezaak dan bij de meeste andere partijen.

CONCLUSIE

Politiek is anno 2010 nog steeds in aanzienlijke mate een familiebedrijf. Politieke dynastieën vormen het topje van een brede ijsberg van families waarbinnen partijpolitiek engagement op alle niveaus wordt doorgegeven. Tot nu zien we dat actieve politiek vooral het mannelijke deel van de familie inspireert. Rekening houdende met de toenemende participatie van vrouwen in de politiek, onder meer via quota, valt te verwachten dat de politieke rol van moeders binnen het gezin of van vrouwen in hun brede familie in de toekomst zal toenemen. Bovendien bleken niet alle partijen even sterk gepolitiseerd. CD&V- & Open Vld-kandidaten toonden het sterkste overgeërfde engagement van (vooral) vader op kind, gaande van partijlidmaatschap tot mandaat. De N-VA kent het breedste - niet-geïnstitutionaliseerde - engagement doorheen de hele familie. Groene kandidaten kwamen zowel binnen hun gezin als binnen de brede familie het minst met politiek in aanraking.
Maar terwijl in de algemene bevolking het wantrouwen tegenover politiek naar ongekende hoogtes piekt en politiek engagement (o.a. in jongerenafdelingen van partijen) al enige tijd afkalft, zit politiek engagement voor een niet onbelangrijk deel geconcentreerd binnen politiek actieve families. Een mix van redenen aan de aanbod- en vraagzijde van het rekruteringsproces zijn hiervoor te bedenken, maar deze vallen grotendeels buiten het opzet van dit artikel. Op de lagere niveaus, partijlidmaatschap en partijactivisme, wijst het vooral op het socialiserende aspect van familiepolitisering. Politiek is geen gen waar je mee geboren wordt, wel een microbe die je kan opdoen. Enkele geparachuteerde voorbeelden niet te na gesproken, wordt in politieke families meestal vroeg een partijlidkaart aangeschaft, gemiliteerd en eventueel gekandideerd. Bovendien toont de dominante rol van de vader in dit verhaal (en in veel mindere mate ook van de grootvader) het niet te onderschatten belang van naambekendheid aan, zeker voor verkiezingsdeelnames en het verkozen geraken. Een bekende naam opent deuren en de opvolger kan meestal al van bij het begin meegenieten van het politieke (en electorale) kapitaal dat zijn voorganger heeft opgebouwd. Dit geeft hen een voorsprong tegenover andere kandidaten, waardoor ze sneller geselecteerd worden en waardoor er disproportioneel veel bekende familienamen in onze verkozen instellingen terecht komen. Wie daar echter bewijst enkel een familienaam en geen voornaam te bezitten, verliest veel van zijn geërfd kapitaal en ziet zijn kansen op een langdurige politieke carrière slinken.

Hilde Van Liefferinge, Carl Devos en Kristof Steyvers
Vakgroep Politieke Wetenschappen, UGent

Noten
1/ De groep respondenten bestond uit de Vlaamse kandidaten van de federale kieslijsten van 2003 en 2007, van alle partijen die aan beide verkiezingen deelnamen en die daarbij minstens 1 verkozene in het parlement hadden. Concreet komt dit neer op de volgende partijen: (Open)Vld, sp.a, CD&V, N-VA, Vlaams Blok/Belang, Agalev/Groen! en Spirit. Wegens te kleine aantallen werd Spirit niet in de analyse opgenomen.
2/ Bij de familieleden werd in de vragenlijst ook een categorie ‘niet van toepassing’ voorzien voor wie bijvoorbeeld geen broer of nichten heeft. Deze werd in de analyse als missing value beschouwd en dus niet meegerekend in de percentages. Voor de categorieën waar meerdere familieleden in kunnen thuishoren (broers, grootmoeders, tantes, neven,…), werd om praktische redenen gepeild naar ‘minstens één persoon uit die categorie’.
3/ 54,4% (N=230) van de kandidaten van wie de partner een partijlidkaart heeft zijn vrouwen, tegenover 45,6% (N=193) mannen. Phi=0,082; p=0,021. Dit is het enige significante verschil op de variabele geslacht.
4/ Phi= 0,174; p=0,000.
5/ De kandidaten werd gevraagd aan te geven wie van bovenstaande familieleden ooit aan verkiezingen heeft deelgenomen en konden daarbij specificeren of het om lokale, provinciale, regionale, nationale of Europese verkiezingen ging. De percentages zijn berekend op de aantallen geldige antwoorden, wat inhoudt dat niet alleen de missing values, maar ook de categorie ‘niet van toepassing’ niet werd meegerekend. Dit zorgt vooral bij de categorieën dochters, zonen, zussen en broers voor relatief veel missing values.
6/ 60,3% van de kandidaten die een partner hebben die ooit verkiezingskandidaat was, zijn vrouwen (phi=0,094, p=0,008).
7/ 62,2% (N=46) van de kandidaten met een moeder op de lijst zijn vrouwen; phi= 0,072; p=0,036.
8/ 72,7% van de kandidaten met een grootmoeder op de lijst zijn vrouwen; phi= 0,053; p=0,133.
9/ 205 kandidaten hebben een vader die aan verkiezingen deelnam (24,1%). 94,1% van die vaders stond op een lokale lijst, 23,4% op een provinciale, 27,8% op een nationale, 10,7% op een regionale en 4,8% op een Europese lijst.
10/ Voor alle vormen van participatie hadden kandidaten significant vaker (drie vierde en meer) dezelfde partijvoorkeur als hun vader en moeder indien er thuis enige vorm van politiek engagement bestond.
11/ 60,3% (N=88) van de kandidaten van wie de partner een mandaat heeft (gehad) zijn vrouwen, wat opnieuw bevestigt dat de meeste partners naar wie verwezen wordt mannen zijn. Phi= 0,094; p=0,008.
12/ 156 kandidaten hebben een vader die een politiek mandaat bekleedt of bekleedde. Voor 92,3% van die vaders was dat een mandaat op lokaal niveau, voor 19,9% op provinciaal niveau, voor 7,0% op regionaal niveau, voor 19,2% op nationaal niveau en voor 0,3% op Europees niveau.
13/ Phi partijlidmaatschap= 0,108 (p=0,002); Phi partijactivisme=0,093 (p=0,007); Phi kandidaatschap=0,084 (p=0,016); Phi mandaathouderschap=0,097 (p=0,005).
14/ Phi=0,145; p=0,000.
15/ Wie zijn ouders van invloed vindt, dicht in ruim de helft van de gevallen (50,3%, N=259) ook een invloedrijke rol toe aan één of meerdere andere familieleden. Wie zegt dat zijn ouders geen belang hebben gehad in de keuze voor politiek, geeft ook maar in ruim een derde (35,6%, N=124) van de gevallen een rol van betekenis aan een ander familielid. Omgekeerd heeft ruim twee derde (67,6%, N=259) van de respondenten die een ander familielid aanduiden, ook zijn ouders aangeduid.
16/ De politiseringsgraad van de ouders werd berekend door de 4 indicatoren van familiepolitisering (partijlidkaart, partijactivisme, verkiezingsdeelname en mandaat) voor zowel vader als moeder code 1 te geven indien aanwezig en code 0 indien afwezig. Op die manier komen we tot een schaal van 0 t.e.m. 8. Voor de brede familiepolitisering deden we hetzelfde voor de 13 categorieën van familieleden, waardoor 0 het minimum is en 52 het maximum. De gemiddelden tussen de partijen zijn significant (p=0,000).
17/ De verschillen qua brede familiepolitisering tussen de partijen zijn enkel significant voor partijlidkaart (p=0,000) en verkiezingsdeelname (p=0,018).

Referenties
- Fiers S., Van Langenakker I., Inglese C. (2007). Wie is van de partij? De betekenis van het partijlidmaatschap in een eroderende particratie. Paper gepresenteerd op het Politicologenetmaal, Antwerpen 31 mei -1 juni.
- Kurtz D.M. (1995). Inheriting a political career: the justices of the United States and Louisiana Supreme Courts. Social Science Journal, 32 (4), pp. 441-457.
- Laband D., Lentz B. (1985). Favorite Sons: Intergenerational Wealth Transfers among Politicians, Economic Inquiry, 1985, 23(3), pp. 395-414.
- Mair P., Van Biesen I. (2001). Party Membership in Twenty European Democracies, 1980-2000. Party Politics, 7(1), pp. 5-21.
- Van Liefferinge H., Devos C., & Steyvers K. (2010). Cumulation or compensation? The role of family politicization in federal candidates’ pre-electoral party engagement and political career path. Paper gepresenteerd op Politicologenetmaal, Leuven, 27-28 mei 2010.

familiepolitisering - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 16 tot 25