Log in

Opslag? Niet als het van deze regering afhangt

OP DE PLANK VAN MICHEL I

De kans is miniem dat de komende jaren werknemers een loonsverhoging bovenop de index mogen verwachten. Althans als het van de regering-Michel, en in het bijzonder Minister van Werk Kris Peeters, afhangt. Achter het schimmenspel rond een meerwaardebelasting en een lagere vennootschapsbelasting heeft de regering de afspraak gemaakt om het loonoverleg in een dwangbuis te steken en de minimumlonen voor jongeren te verlagen. Deze regering lijkt hiermee het Belgische overlegmodel te willen torpederen.

DE PIRAMIDE VAN HET BELGISCH LOONOVERLEG

Bedrijven voeren niet zomaar loonsverhogingen door. Ze houden zich aan de afspraken die binnen een sector gemaakt zijn. In organisaties waar individueel onderhandeld wordt over het loon, wordt globaal ook niet afgeweken van de sectorafspraken.

Maar ook sectoren sluiten niet zomaar loonafspraken. Het interprofessioneel overleg - ‘over’ de sectoren heen - bepaalt de contouren van het sectoraal loonoverleg. Het Belgisch loonoverleg heeft dus een piramidestructuur: interprofessioneel overleg - sectoren - bedrijven. Dat interprofessioneel overleg vindt iedere twee jaar plaats binnen de groep van 10, de top van de piramide. De zwaargewichten van bonden en werkgevers komen samen om over alle sectoren heen een kader vast te leggen: een interprofessioneel akkoord (IPA). Centraal in dit akkoord staat de loonnorm. Deze norm geeft aan hoeveel de lonen kunnen stijgen bovenop de index.

Hoe dit interprofessioneel overleg moet verlopen, is vastgelegd in de wet van ’96. De evolutie van de Belgische lonen moet volgens die wet het stijgingsritme van de lonen in de buurlanden aanhouden. In het verleden kwamen de sociale partners op interprofessioneel niveau een norm overeen waarna ze de sectoren opriepen om deze norm te respecteren. De norm was met andere woorden ‘indicatief’, hij gaf de richting aan. De sectoren konden naargelang hun economische realiteit afwijken van de norm.

Als de wet van ’96 de structuur van de Belgische loonvorming bepaalt, dan wordt de basis gevormd door het gewaarborgd minimum maandinkomen (GMMI). Dit is de absolute ondergrens qua lonen in België. Sectoren kunnen hogere minimumlonen afspreken, maar mogen niet onder het GMMI.

ONTSPORINGEN? NIET BIJ DE WERKNEMERS

De afgelopen jaren wordt tot in de treure gezegd dat de Belgische lonen ‘te hoog’ zijn om de Belgische bedrijven concurrentieel te kunnen houden. Die mythe ontkrachten is een sisyfusarbeid, maar het loont. Stilaan dringt ook bij internationale instellingen zoals de OESO en de Europese Commissie het besef door dat het Belgische loonkostenverhaal genuanceerder is dan de klaagzang die we dagelijks te horen krijgen van bedrijfsleiders en boekverkopende beleggingsadviseurs.

Het klopt dat onze lonen hoger zijn dan in sommige buurlanden, maar dat hoeft op zich geen probleem te zijn. Onze productiviteit ligt in dezelfde mate hoger. Een bedrijf zal een investeringsbeslissing niet enkel laten afhangen van hoeveel iemand in zijn bedrijf kost, maar vooral hoeveel hij/zij zal opbrengen. Een Belgische werknemer brengt - door onder meer het excellente onderwijssysteem - meer op dan andere Europese werknemers. Maar die werknemer kost daardoor ook iets meer. Dat is het resultaat van een ‘sociaal pact’ tussen werkgevers en vakbonden na de Tweede Wereldoorlog. Als de productiviteit zou stijgen, zouden de lonen in dezelfde mate stijgen. Zo zou de welvaart en de sociale vrede gegarandeerd blijven.

Tot voor kort is het ‘pact’ steeds gerespecteerd geweest. De Nationale Bank1 kwam recent echter tot de conclusie dat sinds 1996 de lonen een ‘achterstand’ hebben opgelopen van ongeveer 5% op de productiviteit. Sinds 1996 bracht een Belgische werknemer per uur 19% meer aan waarde voort, maar zijn verloning steeg slechts met 14%. Inderdaad een ontsporing, maar één in de richting van bestuurders en aandeelhouders.

Sinds 2011 krijgen werknemers habbekratsjes. Tabel 1 geeft een overzicht van de reële loonstijgingen (bovenop de index) sinds 2011.

Tabel 1: Resultaten van het interprofessioneel overleg 2011-2016.

|

2011

|

0% loonstijging

|
|

2012

|

0,3% loonstijging

|
|

2013

|

0% loonstijging

|
|

2014

|

0% loonstijging

|
|

2015

|

0% loonstijging

|
|

2016

|

0,5% (+ 0,3%)

|

Via Guberna2, het instituut voor bedrijfsbestuurders, kan de evolutie van de vergoeding voor bestuurders onderzocht worden. Wie de meest recente cijfers over de periode 2011 tot 2013 bekijkt, zal vaststellen dat de mediaanvergoeding van de bestuurders in ‘kleine’ beursgenoteerde bedrijven steeg met 43%. De vergoeding van bestuurders van bel20 bedrijven met een kwart. Des te opmerkelijk, omdat in dezelfde periode een quasi loonstop gold voor de werknemers.

Als naar de aandeelhouders wordt gekeken, is het feestje compleet. Volgens cijfers van de Nationale Bank en de CRB steeg de loonmassa van werknemers tussen 1996 en 2013 met 90%. De netto dividenden (uitgekeerde minus ontvangen dividenden) steeg met meer dan 150%.

De wet van ’96 in haar huidige vorm heeft ervoor gezorgd dat de Belgische lonen sterk gematigd werden. De hogere productiviteit, gecombineerd met lonen die niet in dezelfde mate stegen, maakte dat bedrijven de nodige reserves konden opbouwen. Macro-economische indicatoren duiden erop dat disproportioneel meer van deze ‘extra ademruimte’ werd uitgekeerd aan aandeelhouders dan dat er werd geïnvesteerd in bedrijven en haar mensen.

HET KAN ALTIJD ERGER: EEN NIEUWE WET VAN ’96...

Werknemers moeten al bijna een decennium op hun ‘kin kloppen’ terwijl de opbrengsten van hun arbeid als water uit een lekgeslagen zwembadje wegvloeien richting bestuurders en aandeelhouders. Onze regering lijkt daar geen probleem mee te hebben. Integendeel. Ondanks het consumentenvertrouwen dat op het laagste peil staat in twee jaar3 geeft de regering in haar begrotingsvoorstellen aan dat ze de loonvorming wil hervormen.

Het mechanisme in de wet van ‘96 om de loonnorm bovenop de index te bepalen, wordt een pak strikter. Voornamelijk door het toepassen van een hoop extra correctiefactoren. Volgens de oorspronkelijke formule is de loonnorm gelijk aan het verschil tussen de verwachte loonstijgingen in de drie buurlanden in de komende twee jaar en de verwachte indexering in België. Wat overblijft noemen we de ‘beschikbare marge’. Over de beschikbare marge kunnen de sociale partners verder onderhandelen tijdens de interprofessionele onderhandelingen.

De regering zou de marge waarover de sociale partners hun zeg mogen hebben een pak willen verkleinen. Zo zal van de ‘beschikbare marge’ de volledige loonkostenhandicap sinds 1996 tussen België en de buurlanden moeten worden afgetrokken én daarvan nog eens een veiligheidsmarge die minimaal 0,5% bedraagt. De regering wil een deel van de loonkostenverlagende maatregelen in België die in de periode 2015-2016 aan de werkgevers werden toegekend niet meer laten meetellen bij de berekening van de loonkostenhandicap. Zo ontstaat er opnieuw een loonkostenhandicap - die er in feite geen is. De regering bouwt een mechanisme in om de Belgische lonen op termijn op een gelijk niveau te brengen dan de buurlanden. Niet langer is de evolutie sinds 1996 de enige graadmeter.

Bovendien krijgen de werkgevers voor miljarden aan loonkostensubsidies (meer dan 6 miljard euro in 2015). Dit zijn belastingen die van uw brutoloon worden afgehouden, maar die de werkgever niet moet doorstorten aan de fiscus. De huidige regering doet alsof deze subsidies niet bestaan en wil ze niet in rekening nemen bij de bepaling van de marge. Daarnaast zou ze de uiteindelijke marge veel strenger willen toepassen en hogere sancties voorzien voor sectoren en bedrijven die zich niet aan de afspraken houden.

Simulaties maken, is moeilijk. Gezien het gebrek aan voorspellingen. Maar zelfs in de meest positieve scenario’s komen de toekomstige marges amper boven nul uit. Voor de periode 2017-2018 spreken we van een laag cijfer achter de komma. In het meest waarschijnlijke geval gaan we dus naar enkele jaren waar werknemers géén opslag zullen kunnen krijgen bovenop de index.

Na jaren van loonmatiging krijgen werknemers dus stank voor dank. Mocht de economische groei de komende jaren (eindelijk) terug op gang komen dan zullen de werknemers hier op geen enkele manier de vruchten van kunnen plukken. Maar dat is niet alles. De vrijheid van collectief onderhandelen zou met deze nieuwe wet in zijn kern geraakt worden. Nochtans bevestigen tal van internationale verdragen dit fundamentele recht. De bestaande wet van ‘96 zorgt al voor een begrenzing (of afbakening) van het collectief onderhandelen, maar ze gaf de sociale partners enigszins de vrijheid om tot leefbare akkoorden te komen. De hervorming neemt die vrijheid volledig weg.

Een juiste hervorming van de wet van ’96 zou deze vrijheid respecteren zodat de sociale partners op een verantwoorde manier de loonvorming kunnen sturen. Bovendien zou een billijke wet van ’96 zich niet enkel focussen op de loonkosten, maar ook voorzien in een matiging van de andere inkomsten in moeilijke tijden zoals bestuurdersvergoedingen en dividenden. Ze zou ook de nodige engagementen vragen van de werkgevers op het vlak van opleidingsinspanningen en investeringen in R&D. Niets van dat alles is echter terug te vinden in de voorstellen van de regering.

... EN EEN GAT IN DE BODEM: WEG MET DE MINIMUMLONEN VOOR JONGEREN

Dat wat betreft de corpus van de loonvorming. Maar er is meer. De regering heeft de intentie het interprofessionele minimumloon voor jongeren opnieuw te verlagen. Dit is het absolute bodembedrag dat uitbetaald moet worden door de werkgever. Jongeren een slecht betaalde baan geven, zou hen volgens de regering het beste wapenen tegen armoede. Om haar stelling te staven wijst de regering op het lagere minimumloon voor jongeren in Nederland. Daar zouden de armoedecijfers opmerkelijk lager liggen dan in België. Ook gerenommeerde armoede-experts wezen op de noodzaak voor een lager minimumloon voor jongeren. Ze dwalen.

Cijfers van Eurostat4 tonen een compleet omgekeerde evolutie aan. De afgelopen tien jaar is het risico op armoede en sociale uitsluiting bij jongeren (15-24 jaar) in Nederland opgelopen met bijna 6%. In 2015 stond deze graadmeter op 27,1%. Over dezelfde periode nam in België het armoederisico in deze leeftijdscategorie met 2,7% toe. Het risico op armoede bij jongeren tussen 15 en 24 jaar ligt in België met 26% hoog, maar lager dan in ‘gidsland’ Nederland. Lagere minimumlonen als barrière tegen armoede bij jongeren? Een mythe.

Nederland komt trouwens helemaal terug van het beleid van lagere lonen. De voorzitter van de Nederlandse Nationale Bank, Klaas Knot, stelde enkele maanden onverbloemd dat Nederland een loonsverhoging nodig heeft.5 Zijn instelling kwam tot de conclusie dat de werknemers in Nederland de afgelopen paar jaar minder loonstijging kregen dan economisch verantwoord is.6 De jarenlange loonmatiging was een foute beslissing die de binnenlandse consumptie in Nederland zwaar aantastte. Zo werd de economische groei gehypothekeerd en werd Nederland met een gigantisch overschot op de lopende rekening opgezadeld. En wat doet de regering-Michel? Die schaamt zich niet om dit model als voorbeeld te nemen. Economische en sociale waanzin.

WAT ZIT ER ACHTER DEZE MAATREGELEN?

Waarom legt deze regering de sociale partners dan een systeem op dat niet werkbaar is? Zij moet toch ook beseffen dat vakbonden niet zullen willen onderhandelen over de kruimels die ze op hun bord krijgen. Sterke sectoren met hoge productiviteitswinsten zijn met de nieuwe wet van ’96 een pak strikter gebonden aan de loonnorm. De sectorale vrijheid om hier en daar een procentje bij te geven, is voorbij. Deze sectoren zullen het nieuwe kader nooit aanvaarden. De steeds terugkerende kritiek dat een centraal gestuurde loonvorming niet werkbaar is, omwille van de sectorale verschillen, klopt niet. De huidige loonnorm laat genoeg ruimte over voor sectoren om de ‘centrale’ loonnorm anders in te vullen.

We kunnen ons de vraag stellen of het niet de bedoeling is van de regering om het interprofessionele overleg te doen imploderen: een Thatcheriaanse strategie waar de vakbonden zich uitermate goed van bewust zijn. Het breken van het centraal gestuurde loonoverleg zou een uitgelezen kans zijn om heel wat solidariteitsmechanismen in onze samenleving bij het oud vuil te zetten. Interprofessioneel loonoverleg zorgt er immers voor dat sectoren waar vakbonden niet al te sterk staan, een duw in de rug krijgen door het interprofessionele niveau. Sterkere sectoren temperen hun eisen om de ‘zwakkere broertjes’ wat te gunnen. Bovendien is de wet van ’96 de enige wet waarin de automatische indexering expliciet vermeld staat… En interprofessioneel gaat niet enkel over loon, maar ook over arbeidstijd, werkomstandigheden, opleiding, innovatie. Op al die vlakken zouden sectoren waar vakbonden minder sterk staan, verliezen.

Wat is het alternatief, onderhandelen op bedrijfs- of sectoraal niveau? Inderdaad, het is een systeem dat in tal van landen wordt gebruikt. Maar is het ook beter? Een recente studie van de Universiteit van Durham7 kwam tot een opmerkelijke vaststelling. Zij gingen na wat de invloed is van het systeem van collectief onderhandelen op de productiviteit van bedrijven. Deze studie onderzocht de productiviteitsresultaten van meer dan 22.000 Europese bedrijven. In hun conclusies stellen de onderzoekers onder meer het volgende: ‘company bargaining and individual bargaining are clearly outperformed by coordinated sectoral bargaining and governed multi-level bargaining systems.’ Op alle vlakken is gecoördineerd collectief overleg beter voor je economie dan overleg dat door individuele entiteiten wordt gevoerd, of het nu op sectoraal of bedrijfsniveau is. Het systeem met het beste effect op de productiviteit is het overlegmodel waarbij op nationaal en sectoraal niveau de loonvorming wordt gecoördineerd. Klinkt dat niet bekend in de oren?

Door het interprofessioneel overleg te kortwieken, wil de regering de weg openleggen naar meer gedecentraliseerde en ongecoördineerde vormen van loonoverleg. En dat ondanks duidelijke aanwijzingen dat dit nefast is voor toekomstige economische ontwikkeling.

PRODUCTIVITEITSVERHOGINGEN ZIJN DE SLEUTEL

Zoals uit het landenverslag over België van de Europese Commissie8 blijkt, exporteert België hoofdzakelijk goederen van lagere kwaliteit, met een lage toegevoegde waarde. Hierdoor treden we in concurrentie met landen die vooral op prijs concurreren. Het is een verkeerde strategie om als Europese economie puur en simpel op prijs te concurreren. De hervorming van de wet van ’96, de lagere jeugdminimumlonen kaderen echter in zo’n strategie. Enkel een strategie die inzet op het upgraden van ons productiestructuur zal op lange termijn het behoud van onze welvaart garanderen. Een eenzijdige benadering via een verlaging van de loonkosten en een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt zorgt voor een ‘race naar beneden’ die uiteindelijk door niemand zal worden gewonnen. Het in de hand houden van kosten gecombineerd met het inzetten op een hogere productiviteit is de enige juiste weg.

Zoals eerder aangeduid kent België een historisch hoge productiviteit, waardoor onze lonen hoger liggen. Tot op heden worden deze hogere lonen volledig gecompenseerd door de hogere productiviteit (Tabel 2).

De voorsprong van België op het vlak van productiviteit daalt. Onze grootste uitdaging ligt in het verhogen van deze productiviteit. Twee elementen staan hierin centraal: vorming en innovatie. België is jarenlang geprezen om haar inspanningen (en resultaten) inzake onderwijs en continue vorming. Maar België verliest snel zijn voorsprong op dat vlak. De verantwoordelijkheid van de overheid en de werkgevers is overdonderd. Ondermaatse investeringen in onderwijs (ook in infrastructuur), in permanente vorming, in leren op de werkvloer, ... we worden door iedereen voorbijgesneld. Eurostat-cijfers zijn in dat opzicht bijna choquerend. Toen in 2015 door de EU via een enquête werd gevraagd ‘hebt u de afgelopen vier weken enige vorm van opleiding gevolgd?’ antwoordde in Frankrijk en Nederland meer dan 18% van de respondenten positief. In België amper 7%.9 Op vlak van innovatie-investeringen halen we in de verste verte de vooropgestelde doelen van de EU niet.

De discussie over de hoge loonkosten is een nuttig middel om het niet over de kern van de zaak te hebben: de Belgische economie staat stil. Het loonkostendebat maakt werkgevers lui. Door lonen laag te houden, zal je ondernemingen er niet toe brengen om hun productgamma te upgraden. Aan de TU Delft onderzocht professor Kleinknecht10 de link tussen de stijging van reële lonen en productiviteitsstijgingen. Zijn onderzoek naar 19 OESO-landen (1960-2004) toonde aan dat een ‘stijging van 1% in de reële lonen overeenstemt met een stijging van 0,28 à 0,39% van de arbeidsproductiviteit.’ Verder wijst de studie op de wenselijkheid van een politiek die eenzijdig inzet op loonkosten: ‘lagere loonkosten en flexibilisering zullen mogelijk het aantal jobs verhogen, maar het zal de productiviteitsgroei beperken; dit is problematisch gezien de verouderende bevolking in Europa’.

Een duurzame competitiviteitsstrategie zet in op productiviteitsstijgingen die gevoed worden door investeringen in menselijk kapitaal, in innovatie en in infrastructuur. De huidige Belgische regering scoort abominabel slecht op deze punten. Integendeel, met een strikter loonvormingsproces (wet ’96) en een flexibelere arbeidsmarkt legt zij een zware hypotheek op het slagkracht van de Belgische economie.

Lars Vande Keybus
Economisch adviseur Studiedienst Federaal ABVV

Noten
1/ https://www.nbb.be/doc/ts/publications/economicreview/2015/ecotijdii2015.pdf.
2/ http://www.guberna.be/.
3/ https://www.nbb.be/doc/dq/n/dq3/pne.pdf.
4/ http://ec.europa.eu/eurostat/web/products-datasets/-/ilc\_peps01.
5/ https://www.nrc.nl/nieuws/2016/01/27/een-loongolf-als-economische-remedie-1585130-a93945.
6/ http://nos.nl/artikel/2101863-dnb-bedrijven-kunnen-hogere-lonen-betalen.html.
7/ https://mpra.ub.uni-muenchen.de/70025/1/MPRA\_paper\_70025.pdf.
8/ http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/csr2016/cr2016\_belgium\_nl.pdf.
9/ http://ec.europa.eu/eurostat/web/products-datasets/-/tesem250.
10/ http://www.fep.up.pt/conferencias/eaepe2007/Papers%20and%20abstracts\_CD/Vergeer.pdf.

interprofessioneel overleg - loonvorming - minimumloon - Michel I

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 9 (november), pagina 18 tot 24