Log in

Ons land kleurt diepblauw

redactioneel

Middenin de zomervakantie bereikte de regering-Michel een akkoord over de begroting 2018 en over een rist structurele hervormingen. Met een ongezien enthousiasme werd het aan de pers voorgesteld. Met recht en reden. De regering heeft immers haar interne cohesie teruggevonden en kon derhalve haar regeerakkoord verder uitvoeren, waarmee ze - en dat wordt vaak over het hoofd gezien - een aantal systeemhervormingen probeert uit te rollen.

Het akkoord is in eerste instantie een akkoord over hervormingen, met de begroting 2018 als flauw aanhangsel. Want het voorgenomen structureel begrotingsevenwicht wordt verder uitgesteld naar de volgende regeerperiode. Schaduwpremier De Wever gaf eind juni de voorzet om de ambitie van het begrotingsevenwicht voorlopig los te laten. Daarbij kreeg hij onmiddellijk steun van academici, zoals Wim Moesen, die van mening waren dat de prille economische heropleving niet mocht worden gefnuikt door al te zware besparingen. Die inval van helderziendheid gaf de indruk dat ze plots adepten werden van een Keynesiaans anticyclisch beleid dat vraagondersteuning op een moment van (nog) zwakke groei voorstaat. Schone schijn. Met die uitgekiende strategie wil Michel in de eerste plaats inzetten op hervormingen. De aanpak van de budgettaire gevolgen is voor later. First things first, of zoals Minister De Croo het treffend uitdrukte in De Tijd: 'We zetten hiermee onszelf met de rug tegen de muur, zodat we niet anders zullen kunnen dan later te besparen op de overheidsuitgaven'. Vrij vertaald: eerst de transfert richting bedrijfsleven voortzetten, later de besparingen verhalen op de overheid en de Sociale Zekerheid.

Want van transferts richting bedrijfsleven is er wel degelijk sprake. De taxshift - met de verlaging van werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid van 33 naar 25% als kern - wordt verder uitgerold en bovendien komt er een nieuwe taxshift bij, met name een drastische verlaging van de vennootschapsbelasting op de ondernemingswinsten van bijna 34% naar 29% en vervolgens 25%. Die shift is geen echte taxshift van een minder naar een meer gewenste belastinggrondslag, wel van de belastingen op ondernemingswinsten naar besparingen. Belastingverschuivingen die op dit moment ongedekt zijn en vroeg of laat zullen uitmonden in besparingen. Voor de eerste taxshift is dit zwart op wit aangetoond, recent opnieuw door de NBB die het over een ongedekte factuur van 4,78 miljard euro heeft. De regering zal betwisten dat dit het geval is bij de verlaging van de vennootschapsbelasting, want in haar notificatie liet ze optekenen dat dit een begrotingsneutrale operatie is. Maar Minister Van Overtveldt weigert alle kaarten op tafel te leggen die moeten bewijzen dat de verlaging van het nominale tarief wel degelijk gecompenseerd wordt door het schrappen van aftrekposten. Benieuwd of hij het parlement binnenkort volledig inzage zal geven, en of hij daarbij ook rekening zal houden met de plausibele veronderstelling dat de verlaging van het tarief een verdere vervennootschappelijking in de hand zal werken ten koste van de opbrengsten in de personenbelasting. Het uitgangspunt van een louter budgetneutrale hervorming is trouwens een fout uitgangspunt als men de belastingen rechtvaardiger wil maken. Moet er van winstgevende bedrijven niet verwacht worden dat ze collectief een extra bijdrage leveren aan de maatschappelijke behoeften?

Fiscale rechtvaardigheid zat er dus weer niet in, ondanks de cinema die de regering daar de afgelopen jaren over maakte. Een meerwaardebelasting is weerom afgevoerd. In het buitenland bedragen de tarieven op de meerwaarde bij de verkoop van aandelen tussen 25% en 50%, bij ons: zero, zero, zero. Ja, er komt een aanzet tot een vermogensbelasting via de 'abonnementstaks op effectenrekeningen'. Met een tarief van 0,15% op rekeningen van meer dan 500.000 euro gaat het wel om peanuts. Fiscale experts zoals Michel Maus toonden al aan dat er heel wat achterpoortjes zijn, waardoor het een effectentaks zonder effect dreigt te worden. Misschien komt men tot de vaststelling dat dit weinig opbrengt en gaat de effectentaks de weg op van de speculatietaks, opdoeken dus. Het zakgeld dat vermogenden in het beste geval ondertussen wel zullen moeten betalen, wordt bovendien al onmiddellijk voor een stuk gecompenseerd: op de eerste schijf van dividenden moet voortaan geen roerende voorheffing meer worden betaald.

Ondertussen gaat de drooglegging van de sociale zekerheid onverminderd voort. We stipten reeds aan dat de taxshift niet voor het volle pond wordt gecompenseerd. Maar de regering besliste om de drooglegging voort te zetten door een rist voordelen in het leven te troepen waarop simpelweg geen of bijna geen bijdragen voor de sociale zekerheid verschuldigd zijn. Straks kan men 500 euro per maand bijverdienen zonder sociale en fiscale bijdragen. Nu nog beperkt tot enkele functies in de socialprofit. Werkgevers kunnen nu ook soepeler winstpremies toekennen, zonder bijdragen. De regering besliste al eerder dat bedrijfswagens kunnen worden omgezet in een voordeel in cash waar geen bijdragen op verschuldigd zijn. Kortom, de weg is verder vrijgemaakt voor een steeds grotere korf aan voordelen zonder sociale (en fiscale) bijdragen. Slachtoffer zijn de werknemers die op het einde van hun loopbaan zullen vaststellen dat al die snoepjes niet meegeteld worden voor de berekening van hun pensioen, want ze waren niet alleen niet bijdrageplichtig maar jammer genoeg ook niet uitkeringsplichtig.

Diezelfde werknemers zullen ook nog eens gepakt worden door de besparingen op de Sociale Zekerheid zelf. De helft van de reële inspanningen om de begroting minimaal op koers te houden conform de Europese doelstellingen is immers voor rekening van de sociale zekerheid. Vanaf 2019 wordt meer dan 250 miljoen euro bespaard op de gelijkgestelde periodes. In mensentaal: periodes waarin werknemers pech hebben, zoals werkloosheid, worden niet meer volwaardig meegeteld bij de berekening van hun uitkeringen waaronder hun pensioen. Tweemaal pech dus. Maar ook dit is een systemische verandering die de regering-Michel doorvoert. Mooi verpakt in de slogan 'werken opnieuw lonend maken'. Op het eerste gezicht plausibel, maar dit komt neer op het veranderen van het karakter van de Sociale Zekerheid (verzekering én solidariteit) die steeds minder solidair wordt.

Terug naar de werkgevers. Nog niet bekomen van de blijde boodschap dat er minder bijdragen moeten worden betaald en winsten minder zullen worden belast, komt daar nog een reeks geschenken als manna uit de hemel nedergedaald onder de vorm van flexibiliteit. Flexi-jobs niet langer beperkt tot de horeca, als zoveelste compensatie voor de witte kassa, maar nu ook in handel en distributie. Een versoepeling van nachtarbeid en weekendwerk in de e-commerce, terwijl uit de Global Retail Index (een maatstaf om de attractiviteit voor de onlinemarkt aan te geven) blijkt dat België op de 4de plaats staat binnen de EU28. Lagere minimumbrutolonen voor jongeren, terwijl de werkgevers indertijd via sociaal overleg waren overeengekomen om daar een einde aan te stellen. Herinvoering van kortere opzegperiodes de eerste maanden van tewerkstelling, terwijl de afschaffing van de proefperiode was afgesproken in het akkoord over de harmonisering van de statuten van arbeiders en bedienden. Verruiming van de mogelijkheid om als werkgever eenzijdig - zonder sociaal overleg - meer winstpremies aan de werknemers te kunnen toekennen, terwijl het loonoverleg intussen aan handen en voeten gebonden is aan steeds strengere loonnormen. Ook de werknemers in de openbare diensten krijgen hun portie flexibiliteit in de maag gesplitst via uitzendarbeid en, vooral, via de afbouw van de statutaire tewerkstelling. De regering besliste eenzijdig om voor haar eigen werknemers gaandeweg komaf te maken met het statuut van vastbenoemde ambtenaar, en indirect dus ook met het betere ambtenarenpensioen. Harmonisering heet dat. Naar beneden weliswaar. Dat de regering met al die maatregelen ook heel flexibel omspringt met het sociaal overleg zal ondertussen wel duidelijk zijn.

Of de regering-Michel hier makkelijk mee weggeraakt is een andere zaak. Ze heeft een aantal troeven achter de hand. De internationale economische conjunctuur trekt aan en dat levert aardige groeiprognoses op en een dalende werkloosheid, ook al bengelt ze met de Belgische resultaten achteraan het Europese peloton. En ze heeft machtige bondgenoten, zoals de werkgeversorganisaties die momenteel triomferen. Al is dit laatste wel kortzichtig en zouden ze beter moeten weten, want een doorgeschoten flexibiliteit en een aantasting van de sociale bescherming zijn geen garantie voor een duurzame groei en duurzame sociale vrede. Bovendien profiteert de regering op dit ogenblik van een verzwakte linkse oppositie die op zoek is naar een tweede adem. En veel van de regeringsmaatregelen zijn ondoorzichtig of hebben pas op termijn een negatief sociaal effect.

Maar wie denkt dat de bevolking niet merkt dat dit beleid verre van evenwichtig is en niet rechtvaardig, is naïef. En als de tegenbeweging ook de bevolking kan overtuigen dat er alternatieven zijn, dan kan de slinger terug in de andere richting gaan. Anders en beter.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 7 (september), pagina 1 tot 3