Log in

De legitimiteit van armoedebestrijding

Welkom in het jaar 2010, het Europees jaar van de Bestrijding van Armoede en Sociale Uitsluiting (hierna ‘Europees Jaar’). Op 22 oktober 2008 kwamen de Raad van de Europese Unie en het Europees parlement overeen in het jaar 2010 extra aandacht te besteden aan dit heikele sociale thema. Niet alleen expliciteerde de EU nog eens het moreel engagement om armoede en uitsluiting te bestrijden, ze moest ook met lede ogen vaststellen dat in 2008 78 miljoen mensen in de Unie leefden met een armoederisico, waaronder 19 miljoen kinderen. Een aantal reflecties bij het Europees Jaar.

INTRODUCTIE

Dit Europees Jaar vindt zijn oorsprong in het jaar 2000, bij de aanvang van het Lissabon-proces, onder een bijzonder gunstig economisch gesternte. De economie kende een hausse en ietwat euforisch kwamen de Europese regeringsleiders toen overeen om tegen het jaar 2010 de armoede volledig uit te bannen. Europa moest en zou een kenniseconomie worden waarin geen plaats meer was voor uitsluiting. Nu we daadwerkelijk in het jaar 2010 zijn aanbeland, blijkt de realiteit er anders uit te zien: armoede en sociale uitsluiting zijn niet uitgeroeid, zelfs geen klein beetje. Het Europees Jaar wordt bijgevolg geen jubeljaar maar een jaar om mensen (opnieuw) bewust te maken van de problematiek.1 Nu heet het dat ‘het een unieke gelegenheid [is] om een heel ruim en gevarieerd publiek te sensibiliseren en te mobiliseren voor de problematiek van en de strijd tegen armoede, om zo weer een stap dichter te komen bij de totale uitroeiing van armoede’.2 Als voorzitter van de Europese Unie in de tweede helft van dit jaar kan België van dit Europees Jaar mee een succes, dan wel een flop maken.

België wordt vaak beschouwd als een van de landen waar de inkomensarmoede relatief beperkt is, maar dit rooskleurige beeld noopt tot enige nuance: 1 op de 7 mensen (15,2%) moet rondkomen met een inkomen dat onder de armoedegrens ligt.3 Voor Vlaanderen gaat het om 10,9% van de inwoners, voor Wallonië om 18,8% en voor Brussel om zo maar eventjes 28,2%. Met deze cijfers bevindt ons land zich maar net onder het EU gemiddelde van 16%. Een aantal groepen lopen een hoger risico: alleenstaande ouders (35,8%), laaggeschoolden (23%) en 65-plussers (23%). Nog frappanter: België is het op vijf na slechtst presterende land in de EU wat kinderarmoede betreft. Armoede is echter meer dan louter financiële deprivatie, maar ook daar kan ons land zich geenszins op de borst kloppen.
In 2008 groeide 12% van de kinderen op in baanloze gezinnen, werden 10.780 gezinnen op straat gezet en is het aantal mensen dat een beroep moest doen op voedselbanken in minder dan twintig jaar tijd meer dan verdubbeld, tot 110.700 (1991: 47.000). In 2009 bevonden 77.429 mensen zich in het stelsel van collectieve schuldenregeling, een stijging van maar liefst 17% in amper twee jaar tijd. De inkomenskloof tussen arm en rijk, ten slotte, wordt sinds het begin van de jaren 1990 alleen maar breder.4 Het is overigens bijzonder frappant dat deze cijfers amper verschillen met deze uit het begin van dit decennium, toen we nog bloeiende economische tijden meemaakten. Hoog- of laagconjunctuur, het probleem van armoede en uitsluiting lijkt zo hardnekkig dat het niet uit te roeien valt. De vraag stelt zich dan ook: hoe komt dit? Of om het met Bea Cantillon te verwoorden: ‘Waarom hebben de rijke welvaartsstaten de window of opportunity rond de eeuwwisseling gemist om vooruitgang te boeken in de strijd tegen de armoede?’5

Een aantal verklaringen zijn welbekend in het hedendaagse armoedeonderzoek. De sociale bescherming is selectiever geworden, de uitkeringen hebben de koopkrachtevolutie niet gevolgd en liggen bijgevolg onder de armoedegrens6, de verhoogde aandacht voor zogenaamde nieuwe sociale kwesties (zoals kinderopvang en de combinatie arbeid-gezin) hebben geleid tot het ontstaan van Matteüseffecten (waardoor de voordelen van het sociaal beleid proportioneel meer toevloeien naar de hogere dan naar de lagere inkomensklassen7), en - meer algemeen - in het beleid wordt in toenemende mate de nadruk gelegd op activeren in plaats van beschermen. In deze bijdrage gaan we echter op zoek naar de diepere tendensen die aan grondslag van deze beleidskeuzes liggen door de legitimiteit van armoedebestrijding te bestuderen.
Twee elementen, een verschuiving in de perceptie van armoede enerzijds en een aantasting van de wederkerigheid in het herverdelingssysteem anderzijds, staan in deze bijdrage centraal.

PERCEPTIES VAN ARMOEDE IN EEN POSTINDUSTRIËLE SAMENLEVING

Verschillen in levensstandaard doorkruisen al eeuwenlang de menselijke samenlevingen, en ook armoede lijkt wel een hardnekkig kind van alle tijden. De perceptie van armoede heeft daarentegen doorheen de geschiedenis heel wat waters doorzwommen. Daar waar de middeleeuwse pauper, voor zover hij zijn lot met de nodige nederigheid droeg, voornamelijk beschouwd werd als een noodzakelijk kwaad in de goddelijke orde van de dag en als dankbaar voorwerp fungeerde voor het botvieren van de christelijke verplichting tot naastenliefde, bracht de moderniteit daar geleidelijk verandering in. Steeds vaker werd de structurele aanwezigheid van een aanzienlijk leger bezitlozen vanaf de 15de eeuw als een maatschappelijk probleem beschouwd dat een aanpak verdiende. De organisatie van armenzorg werd geleidelijk aan de religieuze sfeer onttrokken en kwam tot de vaste verantwoordelijkheden van stedelijke, vorstelijke of burgerlijke instellingen te behoren, wat gepaard ging met een grotere restrictiviteit en sociale disciplinering. Het bloeiende handelskapitalisme had immers nood aan een uitgebreide voorraad goedkope arbeidskrachten en kon zich dus geen publiek ondersteunde ‘werkonwillige’ onderklasse permitteren die de prijs van arbeid zou opdrijven.8 De langzaam rijpende ideeën over de maakbaarheid van de (rechtvaardige) samenleving die aan het einde van de 18de eeuw haar uiting zouden vinden in de Franse Revolutie, leidden tot een nieuw geloof in de praktische haalbaarheid van een wereld zonder armoede.9 Een geloof dat, zo bewezen de lotgevallen van diezelfde Franse Revolutie en van de latere welvaartsstaten, even naïef als lovenswaardig was. Hoewel industrialisatie en twee eeuwen van onafgebroken economische groei de algemene levensstandaard in een groot deel van de wereld omhoog tilden, bleek armoede een onkruid van het type dat niet vergaat.

Spijts die verbazingwekkende continuïteit, blijkt de perceptie van armoede ook vandaag weer andere vormen en gedaanten aan te nemen. In het kijken naar de hedendaagse postindustriële samenleving overheerst vandaag (nog steeds) de invloed van de brede intellectuele traditie van het poststructuralisme. Die poststructuralistische maatschappij is er één van beweging. Het is een maatschappij waarin sociale klassen en ideologische zuilen vervaagd zijn en plaats gemaakt hebben voor een individualistische wereld waarin iedereen de mogelijkheden heeft om over zijn of haar eigen lot te beslissen. Niet het bed waarin men geboren wordt of de plaats in het productieproces bepalen in de poststructuralistische samenleving iemands sociale positie en materiële welstand, maar wel iemands persoonlijke talenten, aspiraties, keuzes en mentaliteit. Het poststructuralisme als intellectuele stroming kondigde de klasseloze maatschappij aan waarin de mogelijkheden tot sociale mobiliteit onbegrensd zijn en de absolute meritocratie een feit. 10

De gevolgen van die denkstroming zijn veel diepgaander dan vaak erkend wordt. Sociologen, economen en historici lieten - ongetwijfeld sterk vermoeid na schier eindeloze exegetische discussies over het Marxistisch klassebegrip - de klasseanalyse links liggen en stortten zich massaal op het domein van de cultuur en mentaliteit. ‘Sociale cohesie’ en ‘human agency’ werden nieuwe sleutelbegrippen in de sociale wetenschappen, terwijl ‘ongelijkheid’, ‘klasse’ of ‘onderbouw’ uit den boze waren. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat het bereiken van nieuwe hoogtes qua sociaaleconomische ongelijkheid en polarisatie sedert het einde van de vorige eeuw binnen de academische wereld als volstrekt oninteressant en achterhaald werden beschouwd.11
Maar ook in het beleid viel (en valt) de invloed van het poststructuralisme te merken. Inkomens- en vermogensongelijkheid werden van de agenda geschrapt en vervangen door een na te streven ‘gelijkheid van kansen’. Armoede moest niet langer bestreden worden met materiële of financiële hulp, maar door strategieën van zogenaamde empowerment. Wie in armoede leefde, was op de één of andere manier door de mazen van het net gevallen, en als het ware toevallig buiten de nochtans sociaal inclusieve en klasseloze maatschappij gevallen. Ook de bredere beeldvorming rond armoede en sociale rechtvaardigheid bleef niet verstoken van haar poststructuralistische trekjes. De met veel klaroengeschal bejubelde democratisering van het onderwijs vormt de kers op de taart van de beweeglijke, meritocratische samenleving van vandaag. Sociale inclusie lijkt de norm en de kansen liggen voor het grijpen. Wie toch arm of sociaal achtergesteld is, heeft het met andere woorden aan een gebrekkig zelfmanagement te danken.

Daarmee wordt echter losjes voorbij gegaan aan de onverminderd grote invloed van sociale klasse op inkomen, gezondheid en levensduur. Bovendien blijkt ook de persistentie van de sociaaleconomische ongelijkheid onverminderd groot: verre van een zuiver individuele aangelegenheid te zijn, is het risico op armoede een bij uitstek intergenerationeel gegeven, dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. De democratisering van het onderwijs die in naam de perfecte meritocratie moest neerzetten, blijkt bestaande ongelijkheden grotendeels te recreëren. De emanciperende kansen die het onderwijs te bieden heeft, worden disproportioneel benut door kinderen uit middenklassegezinnen. Alle legitimerende retoriek ten spijt, is onze samenleving vandaag lang niet zo meritocratisch als velen zouden willen geloven. Hoewel sociale mobiliteit binnen de maatschappelijke middenklassen vrij groot is, wordt de onderkant van de sociale piramide vooral gekenmerkt door rigiditeit - zowel over de generaties heen als binnen één levenscyclus.12 De hedendaagse vervaging van de grenzen tussen high-brow en low-brow, de schijnbare klasseloosheid, en de toegenomen gelijkheid van (onderwijs)kansen zijn fenomenen van de maatschappelijke middenklassen waar onderaan de sociale ladder weinig van te merken valt. Het vormt een rookgordijn waarachter de structurele oorzaken die nog steeds mee aan de basis van armoede en onrecht liggen, verborgen blijven.

VERZEKERING EN HET PRINCIPE VAN DE WEDERKERIGHEID

Het fundament van ons systeem van sociale zekerheid is in de eerste plaats het verzekeringsprincipe: burgers betalen bijdragen aan de staat (de ‘verzekeraar’) en zijn zo ‘verzekerd’ wanneer zich sociaal erkende risicosituaties voordoen zoals werkloosheid, arbeidsongeval, moederschap, enzovoort. De idee hierachter is de onvoorspelbaarheid van deze risico’s, net zoals een vooruitziend persoon een brandverzekering aangaat omdat de onverwachte kosten van een verwoest huis niet opwegen tegen de voorspelbare kost van een jaarlijkse polis. Het principe van de wederkerigheid of reciprociteit zit ingebakken in dit systeem: om recht te hebben op bijdragen uit de collectieve ‘pot’ moet men er eerst voldoende aan hebben bijgedragen. Een tweede pijler van het stelsel van de sociale zekerheid is de zogeheten ‘bijstand’: ultieme vangnetten voor zij die door de mazen van het net glippen omdat ze (nog) niet hebben bijgedragen en bijgevolg onvoldoende verzekerd zijn. De bijstand is bij uitstek een product van solidariteit, omdat ze gefinancierd wordt uit algemene middelen (in casu belastingsgeld) en een erkenning van het recht op een bestaansminimum voor iedereen inhoudt.13

Die wederkerigheid (ofte het ‘voor wat, hoort wat’-principe) is van het allergrootste belang in een samenleving (Marcel Mauss bestempelde het al in 1924 als het ‘cement van de samenleving’14) en is het fundament van onze sociale zekerheid. Toegepast op de welvaartsstaat en herverdelingsmechanismen, wil dat zeggen dat mensen bereid zijn zich solidair te gedragen en bij te dragen aan het systeem als ze 1) het gevoel hebben dat de anderen ook iets bijdragen; en 2) de zekerheid hebben dat - indien nodig - ze zelf ook de vruchten van het systeem zullen kunnen plukken. Het gaat hier echter niet om exacte wetenschap: het is niet zo dat mensen verwachten dat de anderen exact evenveel bijdragen of dat zij er precies evenveel voordeel mee moeten doen als een ander, maar wel om een algemeen gevoel van rechtvaardigheid. Empirische studies bevestigen dat beeld.15

Maar net zoals de verzekerden tegen brand wiens huis nooit afbrandt eigenlijk mee de kosten betalen voor wiens huis wel is afgebrand, zullen sommige burgers in de samenleving bijdragen voor de bescherming tegen risico’s die ze zelf nooit zullen lopen. Alleen is het onmogelijk te voorspellen wiens huis kans heeft om af te branden terwijl mensen wel weten waar ze geboren zijn, welke kansen ze hebben gehad, wat hun talenten zijn of - meer algemeen - wat hun positie is in de samenleving. Het probleem hierbij is dat wie het goed heeft minder geneigd zal zijn solidair te zijn en om zich aan te sluiten bij dergelijke collectieve verzekering, met als gevolg dat het om een verplicht systeem gaat: de sociale verzekeringen zijn geïnstitutionaliseerd.16 En daar situeert zich het achterliggende probleem: wie het gevoel heeft in een systeem te worden gedwongen waar alleen maar door anderen gebruik van wordt gemaakt, zal al gauw de neiging hebben zich aan dat systeem te onttrekken, al zeker wanneer mensen die niet bijdragen tot de collectieve pot wel met deze middelen ‘geholpen’ moeten worden.

Op twee manieren wordt de legitimiteit van de solidariteit en wederkerigheid in onze welvaartsstaat fundamenteel ondermijnd. Ten eerste is er algemene aanvaarding van de door het poststructuralisme gedetermineerde perceptie van armoede, waardoor deze overwegend gezien wordt als een probleem van eigen falen en niet als een structureel maatschappelijk probleem. Wanneer iemand door eigen keuze minder heeft dan een ander, wordt dat verschil niet als problematisch beschouwd en al zeker niet als een collectieve verantwoordelijkheid.17 Aangezien de legitimiteit van sociaal beleid nauw samenhangt met de aard van de doelgroep waarop het zich richt (het zogenaamde deservingness criterium: heeft de doelgroep in kwestie schuld aan de eigen situatie of niet?18) leidt dit onvermijdelijk tot een verminderde bereidheid om bij te dragen aan het bestrijden van armoede. Immers, het is hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ en omdat zij zelf (veelal) niet bijdragen wordt het principe van de wederkerigheid geschonden.
Een tweede fundamentele ondermijning van de legitimiteit van de welvaartsstaat komt voort uit het probleem van inbreuken op de wederkerigheid vanwege zij die zich (ten dele) aan het systeem onttrekken. Fraude en ontwijking zijn zowel aan de betalende als aan de ontvangende zijde van het sociale stelsel wijd verspreid en algemeen gekend, wat niet enkel de rechtvaardigheid en de legitimiteit maar ook de doelmatigheid van het systeem ondergraaft. Er is in deze bijdrage onvoldoende ruimte om al te diep in te gaan op de verschillende wijzen waarop mensen zich proberen te onttrekken aan de geïnstitutionaliseerde solidariteit. We focussen bij wijze van illustratie op twee fenomenen: fraude en ontwijking.

De bekendste vorm van fraude is zwartwerk. In een recente studie becijferde prof. Pacolet (HIVA, KULeuven) dat de omvang van het zwartwerk in België tussen de 10 en 66 miljard euro van het Bruto Binnenlands Product (BBP) bedraagt.19 Dit zijn echter schattingen, want door gebrek aan data en bijhorende inspanning van de overheid om het fenomeen in kaart te brengen zijn geen exacte cijfers mogelijk. In de Nationale Rekeningen wordt het zwartwerk geschat op 4,1% van het BBP (10 miljard euro), andere bronnen spreken over 20% van het BBP (66 miljard euro). De realiteit ligt waarschijnlijk - zoals zo vaak - ergens in het midden. Uit het schaarse onderzoek blijkt wel dat ten eerste het zwartwerk niet afneemt, en dat de overheid ten tweede heel wat belastingen en sociale bijdragen (schattingen van om en bij de 20 miljard euro) misloopt. Een andere vorm van fraude bevindt zich aan de ontvangende zijde van het sociaal beleid: uitkeringsfraude. Het gaat om bijstandgerechtigden die onjuiste of onvolledige informatie verschaffen om zo een uitkering te ontvangen waar ze niet per se recht op hebben. Er zijn nog geen betrouwbare ramingen beschikbaar over de omvang van de uitkeringsfraude, maar in 2008 rapporteerden de parastatalen uitkeringsfraude voor een totaal bedrag van ongeveer 100 miljoen euro. Hoewel de omvang van deze vorm van fraude duidelijk minder weegt dan zwartwerk, ondermijnt het ook de solidariteit en treft het de sociale zekerheid recht in het hart: opnieuw wordt het principe van de wederkerigheid geschonden.

Een tweede voorbeeld van onttrekking is van legale, maar daarom niet minder problematische aard: belastingontwijking. De voorbeelden zijn legio, maar een relatief recent fenomeen is de wildgroei aan vennootschappen. Omdat de vennootschapsbelasting voordelig is in vergelijking met de progressieve tarieven van de personenbelasting vormen meer en meer zelfstandigen en vrije beroepen zich om tot vennootschappen. Tussen 1996 en 2006 steeg dat soort ondernemingen in België van 280.000 tot bijna 390.000. Vaak verhuurt de bestuurder ook nog eens een deel van zijn huis aan de vennootschap voor een royaal bedrag waarop geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. De bestuurdersbezoldiging kan dan ook naar omlaag waardoor ook daar minder belastingen op worden betaald.20 Niet alleen zijn dit soort onethische trucjes voorbehouden voor zij die de knowhow hebben om ze toe te passen, het gevolg is ook dat belastingen niet meer worden betaald in functie van de draagkracht, wat leidt tot een daling van de overheidsinkomsten en zorgt voor frustratie bij diegenen die wel naar eer en geweten hun bijdragen betalen. En bijgevolg opnieuw kan leiden tot een verdere daling van de legitimiteit van de welvaartsstaat.

Oorzaak en gevolg zijn vanzelfsprekend moeilijk uit elkaar te halen, maar onttrekking aan de solidariteit is een proces dat op twee fronten tegelijk speelt. Omdat het gevoel leeft dat armoede geen collectieve verantwoordelijkheid (meer) is, lijkt de bereidheid om zich aan het systeem te onttrekken groter. Maar net omdat sommige burgers het spel niet eerlijk spelen en zich aan het systeem proberen te onttrekken, ondergraaft dat de legitimiteit van het systeem waardoor men nog meer het gevoel krijgt dat het altijd dezelfde schouders zijn die almaar zwaardere lasten dragen.

HET HERSTELLEN VAN DE LEGITIMITEIT

Is de legitimiteit van de welvaartsstaat dan volledig in verval? Neen, alle bestaande onderzoek naar de attitudes van mensen ten opzichte van de welvaartsstaat wijst in dezelfde richting: mensen zijn - ook vandaag - nog steeds bereid om in een collectief systeem van risicospreiding te stappen en geloven in een rechtvaardige herverdeling van de gegenereerde rijkdom voor de zogenaamde deserving poor, zij die zelf niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor hun situatie (zoals ouderen en gehandicapten).21 Maar het is daarnaast ook bekend dat de undeserving poor, zij die in de algemene perceptie van de samenleving zelf de hefbomen voor een beter bestaan in handen hebben (zie het klassieke beeld van ‘de steuntrekker’), op veel minder begrip kunnen rekenen. Dit laatste is van cruciaal belang: als armoede wordt gezien als een gevolg van eigen falen, als de band tussen bijdragen en ontvangsten verschraalt en als meer en meer mensen pogingen doen zich aan het systeem van solidariteit te onttrekken, dan komt de legitimiteit en bijgevolg de doelmatigheid van armoedebestrijding in gevaar. Als we de bestrijding van armoede bijgevolg serieus willen nemen, moet de idee van solidariteit en een rechtvaardige verdeling van de rijkdom (waar iedereen naar eigen vermogen aan bijdraagt maar er ook de vruchten van kan plukken) in ere worden hersteld. Dat kan onder meer door de twee punten waarop we hierboven hebben gehamerd simultaan aan te pakken.

Ten eerste moeten misbruiken harder worden aangepakt, door belastings- en uitkeringsfraude aan alle kanten van het spectrum te bestraffen en het zo goed mogelijk sluiten van de achterpoortjes van het systeem. Maar er is meer. In de literatuur wordt, naast de pakkans, ook de houding van de belastingbetalers ten aanzien van de overheid als een van de factoren gezien die bijdragen tot het verrichten van zwartwerk.22 Het is bijgevolg de cultuur van het zwartwerk (‘iedereen doet het’) die gewijzigd moet worden, zodat de belastingen en de sociale bijdragen op een eerlijke manier geïnd kunnen worden en bijgevolg de rijkdom en de welvaart ook op een doelmatige manier verdeeld kunnen worden. Hervormingen van het systeem zelf, bijvoorbeeld door het overgaan tot andere fiscale inkomstenbronnen, kunnen wellicht ook hun bijdrage leveren, en verdienen dus op zijn minst grondige studie.

Ten tweede dringt een mentaliteitsverandering zich op ten aanzien van de visie op armoede en sociale uitsluiting. Het is wonderlijk maar waar dat anno 2010 opnieuw gesensibiliseerd zal moeten worden omtrent een probleem dat zo oud is als de straat, al was het maar om duidelijk te maken dat armoede ook structurele oorzaken heeft (en niet enkel het gevolg is van persoonlijk falen), dat de mobiele, meritocratische samenleving een illusie is van de sociale middengroepen (en niet opgaat voor de onderste regionen van onze samenleving) en dat de effecten van het huidige ‘gelijke kansen’-beleid niet zijn wat er van werd verwacht (bijvoorbeeld in het onderwijs). De uitdaging bestaat erin om de legitimiteit van en de brede steun voor onze welvaartsstaat te herstellen door de poststructuralistische mythes rond de klasseloosheid van onze hedendaagse wereld te doorprikken en er de aandacht op te vestigen dat armoede geen zaak is van het individu, maar een verantwoordelijkheid van de hele samenleving.

EPILOOG

Armoede is vandaag de dag nog lang niet uitgebannen uit onze westerse welvaartsstaten. Het belang van de bestrijding van armoede en het nastreven van gelijke uitkomsten wordt vandaag de dag echter grotendeels verborgen achter een rookgordijn van retoriek omtrent sociale mobiliteit, meritocratie en gelijke kansen. Indien we armoede definitief tot geschiedenis willen maken, zal een herstel van de legitimiteit van armoedebestrijding noodzakelijk zijn. Enerzijds moet het vertrouwen in de wederkerigheid van het sociaal systeem opnieuw worden versterkt door een harde aanpak van misbruik en ontwijking, terwijl anderzijds een mentaliteitswijziging ten aanzien van armoede noodzakelijk is.

Het huidige jaar 2010 zou het jaar moeten worden waarin de urgentie van de armoedeproblematiek opnieuw tot de publieke opinie doordringt en aan een efficiënt veeleer dan aan een schuldbewust beleid kan worden gewerkt. Hierin schuilt een verantwoordelijkheid voor ieder van ons: opiniemakers en beleidsvoerders, werkers in het sociaal veld en academici, maar ook zij die actief zijn in de media of de kunsten. Maar ook en vooral voor politieke partijen die pretenderen armoedebestrijding hoog in het vaandel te voeren. Zij moeten niet ageren vanuit een welbegrepen eigenbelang maar vanuit een moreel startpunt: armoede en sociale uitsluiting zijn en blijven onaanvaardbaar. Hopelijk grijpen ook zij het Europees Jaar aan om de waarden van rechtvaardigheid en solidariteit te verkiezen en te verdedigen boven het buikgevoel en de illusies van een in zichzelf gekeerde publieke opinie.

Wouter Ryckbosch
Centrum voor Stadsgeschiedenis, UA
Wim Van Lancker
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, UA 23

Noten
1/ Op de website van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) (www.centrumvoorsociaalbeleid.be) kan u een applicatie vinden waarmee u uw positie in de Belgische inkomensverdeling kan berekenen. Zo probeert het CSB u bewust te maken van de inkomensongelijkheid in België en uw eigen relatieve positie ten opzichte van mensen die leven met een armoederisico.
2/ ‘Europees Jaar van de Bestrijding van Armoede en Sociale Uitsluiting / 2010. Nationaal actieprogramma van België’, te vinden op http://www.armoedebestrijding.be, laatst bekeken op 29 december 2009.
3/ De armoedegrens wordt berekend als 60% van het nationale mediane inkomen gecorrigeerd voor gezinsgrootte. De armoedegrenzen in 2007 (inkomensjaar 2006) zijn 878 euro voor een alleenstaande en 1845 euro voor een koppel met twee kinderen.
4/ Vranken, J. (2009) ‘Inleiding’, in: Vranken, J., G. Campaert e.a., Armoede en Sociale Uitsluiting. Jaarboek 2009, Acco, Leuven/Voorburg.
5/ Cantillon, B. (2009), ‘De paradox van de welvaartsstaat’, UA/Berichten, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Antwerpen.
6/ Het leefloon voor een alleenstaande bedraagt 71% van de armoedegrens, voor een koppel met 2 kinderen is dat 65%. Bij een werkloosheiduitkering gaat het respectievelijk om 86% en 69%, zie de ‘interfederale armoedebarometer’, http://www.mi-is.be/be-nl/search/apachesolr\_search/armoedebarometer.
7/ Ghysels, J. en Van Lancker, W. (2009) Het Matteüseffect in de kinderopvang in Vlaanderen, UA/Berichten, Centrum voor Sociaal Beleid, Antwerpen.
8/ Lis, C. en Soly, H. (1979), Poverty and capitalism in pre-industrial Europe, Humanities Press, Brighton.
9/ Stedman Jones, G. (2004), An end to poverty? A historical debate, Profile, London.
10/ Beck, U. (1992), Risk Society _ __ : Toward a New Modernity, Sage, London en Giddens, A. (1990), The Consequences of Modernity, Polity Press, Cambridge.
11/ Savage, M. (2000), _Class Analysis and Social Transformation
, Open University Press, Buckingham.
12/ OECD (2008), Growing Unequal? Income Distribution and Poverty in OECD Countries, Paris.
13/ Deleeck, H. (2003), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken, Leuven/Leusden: Acco.
14/ Mauss, M. (1924), Essai sur le don, l’Année Sociologique, seconde série, 1923-1924.
15/ Mau, S. (2004), ‘Welfare regimes and the Norms of Social Exchange’, Current Sociology, 52, pp.53-74.
16/ Deleeck, H. (2003), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken, Leuven/Leusden: Acco.
17/ Vandenbroucke, F. (2000), Op zoek naar een redelijk utopie. De actieve welvaartsstaat in perspectief, Leuven/Apeldoorn: Garant.
18/ Van Oorschot, W. (2000), Who should get what, and why?, Policy and Politics, 28, 1, pp.33-49.
19/ Pacolet, J., Perelman, S., Pestieau, S., Baeyens, K. en De Wispelaere, F. (2009), Zwartwerk in België. Een indicator van omvang en evolutie, Leuven/Den Haag: Acco.
20/ Van Dyck, J., Antimisbruikbepaling. op zoek naar voorbeelden, Trends, 26 september 1996.
21/ Van Oorschot, W. (2000), Who should get what, and why?, Policy and Politics, 28, 1, pp.33-49.
22/ Marchal, A. en Pacolet, J. (2003), ‘Strijd tegen sociale en fiscale fraude. Een groeiende prioriteit…ook in het werkgelegenheidsbeleid?’, Over.Werk, 4, pp.62-64.
23/ Beide auteurs schrijven dit stuk in eigen naam.

armoede - armoedebestrijding - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 1 (januari), pagina 60 tot 68