Log in

Het Europees armoedebeleid en het Belgisch EU-voorzitterschap

Geen beter moment dan het jaar 2010 om beslissende stappen te zetten op het vlak van armoedebestrijding, zo lijkt het wel. Het samenvallen van het ‘Europese jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting’ met de conceptie van een nieuwe Europese strategie voor slimme en duurzame groei (‘EU2020’) - waarin voor het eerst een expliciete armoedetarget wordt opgenomen - biedt het Belgische EU-voorzitterschap de unieke opportuniteit om een sociale agenda door te drukken en het toekomstige armoedebeleid op het nationale en Europese vlak vorm te geven. Nu we op het einde van dit scharnierjaar zijn aanbeland, kunnen we een eerste (doch voorlopige) balans opmaken.

Welke stappen zijn gezet onder auspiciën van België en welke ambities zijn waargemaakt? Is er concrete vooruitgang of is er vooral gepraat en weinig gebeurd? En hoe zit het nu met die reductie van het aantal armen met 20 miljoen tegen 2020? In deze bijdrage pogen we een antwoord op deze vragen te formuleren en gaan we dieper in op de sociale dimensie van het Belgische EU-voorzitterschap en de armoededoelstelling van de nieuwe EU2020-strategie.

LISSABON EN HET BELGISCH VOORZITTERSCHAP IN RETROSPECT: SOCIAAL VOLUNTARISME ALS WEZENSKENMERK

In het jaar 2000 lanceerde de Europese Unie de Lissabonstrategie onder een gunstig politiek en economisch gesternte. De late jaren 1990 waren een periode van relatief lage werkloosheid en sterke economische groei, waarin de informatietechnologie een glansrol speelde. De meeste lidstaten hadden de voorbereiding van de eenheidsmunt met succes voltooid en weldra zou de EU, door de toetreding van tien nieuwe lidstaten, groter worden dan ooit. Er was maar een weg, en die leidde voorwaarts. De doelstelling van de Lissabonstrategie was dan ook ambitieus: de EU moest de ‘de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang’.1 Ook op het vlak van armoede werd de lat erg hoog gelegd: ‘Er moeten stappen worden gezet om de armoede definitief uit te roeien door adequate, door de Raad voor het einde van het jaar overeen te komen, doelen te stellen’.2 Er werd met andere woorden niet alleen ingezet op economische groei en hogere tewerkstelling, maar ook op het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting. Deze drie beleidsdoelstellingen werden in Lissabon expliciet naast elkaar geplaatst: de drie konden niet los van elkaar worden gezien. Het voluntarisme was groot en de Unie stelde doelen in beleidsdomeinen waarvan de politieke bevoegdheden volgens het principe van de subsidiariteit op (sub)nationaal vlak verankerd zijn. Dat is bij uitstek het geval voor werkgelegenheid en sociale zaken. Eerder dan een overdracht van bevoegdheden of een harmonisering zette Lissabon in op ‘management by objectives’. Via de zogenaamde Open Coördinatiemethode (OCM) zou de EU het wederzijds leren en het uitwisselen van informatie bevorderen op basis van overeengekomen richtsnoeren en de publicatie van vooruitgangsrapporten. Om de sociale doelstellingen van de Lissabonagenda te halen, werd daarom een ‘sociale OCM’ opgestart.

België werd in de tweede helft van 2001 voorzitter van de Europese Unie dat toen nog uit 15 landen bestond. In dezelfde voluntaristische geest die toen door Europa waarde, werd een ambitieus programma op poten gezet dat volledig ingebed was in de drievuldige Lissabondoelstelling en waarin het streven naar een Sociaal Europa een prioriteit was. En dat leidde tot concrete resultaten. Op basis van een expertenrapport3, dat op uitnodiging van het Belgische voorzitterschap werd geschreven, werden de zogenaamde Laken-indicatoren ontwikkeld. Dit betreft een set van gemeenschappelijke indicatoren die de EU in staat zou stellen om de sociale vooruitgang van de lidstaten in een breed scala van sociale domeinen (armoede, onderwijs, arbeidsmarkt, huisvesting, gezondheid) op uniforme wijze te meten en te vergelijken. Hiervoor werd een nieuwe gemeenschappelijke databron ontwikkeld (de European Union Statistics on Income and Living Conditions, EU-SILC) die operationeel werd in 2003. Speerpunt van deze indicatorenset was de ‘at-risk-of-poverty’ indicator. Mensen worden als arm beschouwd wanneer hun besteedbaar gezinsinkomen minder bedraagt dan de armoedegrens, bepaald als 60% van het mediaan gezinsinkomen van de lidstaat in kwestie. De armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië) en weerspiegelt het minimum minimorum om op een aanvaardbare manier te kunnen deelnemen aan de samenleving. Dit is conform de definitie van armoede die al sinds 1975 gebruikt wordt in de EU: ‘personen of gezinnen wier middelen zo ontoereikend zijn dat zij uitgesloten zijn van de minimaal aanvaardbare leefpatronen in de Lid-Staat (sic) waarin zij leven’.4

Het sociaal voluntarisme dat het wezenskenmerk was van het Belgische voorzitterschap bleef echter niet overeind in de daaropvolgende jaren. In een verslechterde economische context doken alsmaar kritischer geluiden op over het Lissabonproces. Een aantal invloedrijke critici hekelden wat zij de wildgroei aan doelstellingen en parallelle beleidsprocessen noemden. Een rapport onder leiding van Wim Kok weet de tegenvallende resultaten aan een overladen agenda, zwakke coördinatie en tegengestelde prioriteiten. Als gevolg werd de Lissabonstrategie in 2005 herzien en werd prioriteit gegeven aan ‘groei en jobs’, waardoor de sociale doelstellingen wat naar het achterplan verdwenen. Desalniettemin werd in het kader van de sociale OCM verder gesleuteld aan het statistisch instrumentarium, nog steeds op basis van de blauwdruk die door het Belgische voorzitterschap werd aangeleverd. Onder meer door de uitbreiding van de EU met Oost- en Centraal-Europese landen werden vragen gesteld bij de bruikbaarheid van een relatieve armoede-indicator als vergelijkingspunt tussen landen met een zeer uiteenlopende sociale realiteit. De relatieve armoedecijfers zijn immers voor heel wat oude en nieuwe lidstaten gelijkaardig, terwijl de levensstandaard erg verschilt. Om aan deze (en andere) verzuchtingen tegemoet te komen werd een batterij indicatoren aan het totale pakket toegevoegd die armoede vanuit verschillende perspectieven benadert (bijvoorbeeld een materiële deprivatie indicator, infra), al bleef de relatieve armoedemaat het speerpunt.

DE LESSEN VAN LISSABON

De Lissabonstrategie is inmiddels in een treurige sfeer ten grave gedragen. Europa is niet de meest dynamische kenniseconomie van de wereld en er is geen beslissende impact geweest op het aantal armen. Ondanks gunstige economische omstandigheden en de toename van de tewerkstelling tot het jaar 2008 (pre-crisis) is er geen vooruitgang geboekt: in de meeste landen is het armoedecijfer stabiel gebleven. En dan beschikken we nog geeneens over de cijfers die de impact van de financiële en economische crisis kwantificeren. Hoe komt dit? Het is niet eenvoudig om deze vraag met stellige zekerheid te beantwoorden, maar de belangrijkste vaststelling is dat de assumptie van een automatische samenhang tussen economische groei, tewerkstelling en sociale inclusie geen bewaarheid is geworden.5 Zeker vanaf 2005 ging men er van uit dat inzetten op groei en tewerkstelling ook een verbetering van de relatieve armoede teweeg zou brengen, dat de gegenereerde rijkdom met andere woorden zou doorsijpelen naar de lagere inkomensgroepen en ook hun positie zou verbeteren. Quod non. Dit zogenaamde ‘trickle down-effect’ is al meermaals een luchtkasteel gebleken. Om vooruitgang te boeken op het vlak van armoede is niet alleen een tewerkstellingsbeleid en welvaartscreatie (economische groei) nodig, maar ook een sociaal herverdelingsbeleid. De essentiële ambiguïteit van Lissabon is dat men in woorden de drie dimensies naast elkaar plaatste, maar in daden vooral aandacht had voor jobs en groei en het sociaal beleid meer als een ‘hulpmiddel’ beschouwde om de productiviteit te verhogen dan als een na te streven doel op zich. Kunnen wij meer heil verwachten van de nieuwe EU2020-strategie, de opvolger van Lissabon, op het vlak van armoedebestrijding?

LISSABON IS DOOD, LEVE EU2020

In een mededeling van de Europese Commissie werden op 3 maart 2010 de krachtlijnen van het nieuwe tienjarenplan uit de doeken gedaan. EU2020 moet een nieuwe strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei worden waarbij 5 targets worden vooropgesteld omtrent tewerkstelling, onderzoek en ontwikkeling, klimaat, schoolverlaters en - voor het eerst in de Europese geschiedenis - een expliciete armoededoelstelling. In 2020 moet het aantal mensen die in armoede leven met 20 miljoen zijn afgenomen. Kathleen Van Brempt liet zich in een eerdere editie van Samenleving en politiek positief uit over deze kwantificering6 en dat is terecht: een duidelijke en meetbare doelstelling is op zich ambitieuzer en realistischer dan de ‘armoede uitroeien’-retoriek ten tijde van Lissabon. Het venijn zit echter in de staart, want de armoededoelstelling verbergt een aantal technische kwesties die de uitkomst sterk kunnen beïnvloeden.

In het initiële voorstel van de Europese Commissie werd de at-risk-of-poverty indicator gebruikt om het aantal armen te ‘meten’ en de doelstelling van 20 miljoen te lanceren. Toen verscheidene Europese organen en werkgroepen zich over de geformuleerde targets bogen, doken al snel problemen op en de sporen daarvan zijn duidelijk terug te vinden in de officiële documentatie. Na een heftige politieke discussie en onder invloed van een aantal Oost- en Centraal-Europese lidstaten (maar ook Frankrijk) werd tijdens de Europese Raad van 25 en 26 maart 2010 in nogal vage bewoordingen gesteld dat ‘further work is needed on (the) appropriate indicators’.7 De beslissing over de te gebruiken meetinstrumenten werd uitgesteld naar de volgende bijeenkomst in juni, waar duidelijk werd dat het lobbywerk achter de schermen subtiele, maar belangrijke gevolgen heeft gehad. Alhoewel de doelstelling onveranderd bleef op een reductie van het aantal armen met 20 miljoen, vonden een aantal technische wijzigingen plaats. In een voetnoot (!) wordt gesteld dat het aantal armen gedefinieerd wordt als ‘the number of persons who are at risk-of-poverty and exclusion according to three indicators (at-risk-of poverty; material deprivation; jobless household), leaving Member States free to set their national targets on the basis of the most appropriate indicators, taking into account their national circumstances and priorities’.8 De armoededoelstelling is vanaf nu een geaggregeerd cijfer gebaseerd op drie verschillende indicatoren: at-risk-of-poverty, de graad van materiële deprivatie (huishoudens die zich minstens vier van negen vooraf vastgelegde items niet kunnen veroorloven9) en het aantal huishoudens met lage werkintensiteit (huishoudens waarvan de leden niet of een zeer beperkt aantal maanden per jaar werken).

Hoewel deze drie indicatoren an sich en elk apart een goede graadmeter zijn voor sociale uitsluiting, zijn er toch belangrijke kritische bedenken te formuleren bij de manier waarop armoede zal gemeten worden in de EU2020-strategie. Ten eerste zorgt de keuze voor drie indicatoren voor een stijging van het aantal armen in de Europese Unie. Volgens de klassieke armoedegrens zijn er 80 miljoen mensen ‘at risk of poverty’ in de EU. Wanneer we kijken naar het aantal mensen die en/of inkomensarm zijn en/of materieel gedepriveerd zijn en/of in een werkloos huishouden wonen, dan komen we op een cijfer van ongeveer 120 miljoen armen. Aangezien de doelstelling kwantitatief geformuleerd wordt (20 miljoen), betekent dat in realiteit een afzwakking van de armoedetarget van 25% naar 17%. Ten tweede is er enige bezorgdheid over de manier waarop de evolutie op de drie indicatoren zal worden geëvalueerd. Zoals supra gesteld is een beleid van sociale bescherming noodzakelijk om het aantal inkomensarmen (volgens de relatieve at-risk-of-poverty indicator) te verminderen, terwijl over het algemeen andere beleidsprioriteiten nodig zijn om vooruitgang te boeken op de twee bijkomende indicatoren. Om materiële deprivatie te verminderen is in de eerste plaats meer welvaart, en dus een groeistrategie nodig10, terwijl een tewerkstellingsstrategie dienstig is om het aantal werkloze huishoudens te verminderen. Aangezien de lidstaten zullen mogen kiezen welke indicator of indicatoren ze zullen aanwenden om hun vooruitgang naar de vooropgestelde armoededoelstelling bij te houden, is de kans reëel dat bepaalde landen zullen opteren voor de weg van de minste weerstand en hun beleidsinspanningen zullen concentreren op tewerkstelling en economische groei alleen. Dit zijn vanzelfsprekend doelstellingen die een grote sociale impact kunnen hebben maar niet noodzakelijk zullen leiden tot een relatieve verbetering van de positie van de inkomensarmen. Een ‘stand still’ op het vlak van inkomensarmoede kan door het aggregeren van de dimensies immers verdoezeld worden door ‘quick wins’ op de andere indicatoren. Wanneer een land als het Verenigd Koninkrijk, dat een relatief klein aantal werkloze huishoudens heeft, via tewerkstellingsmaatregelen toch nog wat meer mensen aan het werk krijgt boekt het ‘vooruitgang’ op de geaggregeerde armoededoelstelling terwijl er niet per se iets is veranderd aan het aantal inkomensarmen. De stelling van landen als Tsjechië dat ze deze weg zullen volgen en dat ‘poverty will be automatically reduced by fulfilling other objectives of the strategy’11, is dus niets anders dan een echo van de gefaalde Lissabonstrategie. Ten derde zijn een aantal zaken nog lang niet uitgeklaard. Want hoe zal men de vooruitgang op een kwantitatieve target meten met indicatoren die uitgedrukt worden in percentages? En hoe zal de verdeelsleutel tussen de landen worden bepaald? Moeten de landen met een lager armoedecijfer minder inspanningen doen en vice versa, of zal het principe gelden dat iedereen in gelijke mate vooruitgang moet boeken? Wat zal de rol zijn van demografische factoren? Het geboortecijfer kan immers van belang zijn wanneer men een vooraf opgelegd aantal mensen uit de armoede moet halen. Veel vragen waar slechts een antwoord op geformuleerd kan worden wanneer alle lidstaten hun concrete plannen om de EU2020 targets te halen, zullen bekendmaken (voorzien voor de eerste helft van 2011). Ten slotte is er nog het probleem van het vertrekpunt van de strategie. Wanneer men de situatie op basis van de drie indicatoren in het inkomensjaar 2010 als basis neemt om de meting te starten, kan dat de facto leiden tot een verdere uitholling van de armoededoelstelling. Het is immers zeer aannemelijk dat bijvoorbeeld het aantal huishoudens met een lage werkintensiteit zal toegenomen zijn door de crisis. Stel nu, hypothetisch (want nog geen data beschikbaar), dat het aantal armen volgens de geaggregeerde indicator met 10 miljoen is toegenomen, dan is een gefixeerde kwantitatieve doelstelling van 20 miljoen al heel wat minder indrukwekkend.

Wanneer de expliciete armoededoelstelling in het bovenstaande licht wordt bekeken, kan men zich niet van de indruk ontdoen dat deze omwille van een politiek compromis is afgezwakt en dat de EU2020-strategie dezelfde ambiguïteit als de Lissabonstrategie in zich draagt. Een mogelijke oplossing zou zijn om lidstaten te verplichten vooruitgang te boeken op de drie indicatoren tegelijkertijd in plaats van hen de ‘geschikte’ indicator te laten kiezen. De armoededoelstelling zou er dan niet uit bestaan om vooruitgang te boeken op een geaggregeerde indicator die verschillende dimensies weerspiegelt, maar om het beter te doen op alle drie de domeinen van sociale uitsluiting tegelijkertijd. België zou hier een cruciale rol kunnen spelen om dit op de agenda te plaatsen.

DE BELGISCHE VOORZITTER GEWIKT EN GEWOGEN

België werd immers opnieuw voorzitter van de Europese Unie in de tweede helft van 2010, in het brandpunt van de hierboven beschreven evoluties. Door het Verdrag van Lissabon heeft de rol van de roterend voorzitter aan belang ingeboet en kadert het Belgisch voorzitterschap in een zogeheten ‘trio’ waarbij België met voorganger Spanje en opvolger Hongarije een gemeenschappelijk programma heeft uitgewerkt. In deze sterk gewijzigde context kenmerkt het Belgische luik van het triovoorzitterschap zich echter, net zoals in 2001, opnieuw door een ambitieuze sociale agenda.

De initiatieven die België genomen heeft op het vlak van armoede zijn grotendeels in overeenstemming met de doelstellingen die zijn opgenomen in het Federaal Armoedeplan dat dateert uit 2008. Om armoedebestrijding een groter politiek gewicht toe te kennen is er sindsdien ook een staatssecretaris bevoegd voor armoedebestrijding. Het Federaal Armoedeplan bevat 59 concrete maatregelen op verschillende domeinen: inkomen, gezondheid, werk, huisvesting, energie en sociale dienstverlening. Als rode draad doorheen deze initiatieven zijn er drie prioriteiten: allereerst de nood aan een afdoende inkomensbescherming, vervolgens de strijd tegen kinderarmoede en ten slotte de nadruk op degelijke huisvesting voor iedereen. Deze drie prioriteiten zijn ook duidelijk terug te vinden in de Belgische agenda voor het Europees voorzitterschap.

Wat inkomensbescherming betreft, heeft het Belgisch voorzitterschap het voortouw genomen om de kwestie terug op de besluitvormingstafel te krijgen. In drie Europese landen (Griekenland, Italië en Bulgarije) bestaat er immers geen enkele vorm van minimuminkomen; mensen die niet in aanmerking komen voor een klassieke uitkering kunnen dus niet bij de overheid terecht. In landen waar een dergelijke bescherming wel bestaat, zijn deze sociale minima vaak te laag. Er is een oude EU aanbeveling uit 1992 waarin men, in bedekte termen, pleit voor minimale bescherming: ‘Rekening houdend met de beschikbare financiële middelen, de prioriteiten en het evenwicht binnen de stelsels van sociale bescherming … dient de sociale bescherming gericht te zijn op de volgende taken … een inkomstenpeil garanderen dat een menswaardig leven mogelijk maakt’.12 Deze aanbeveling heeft echter sindsdien nauwelijks politieke weerklank gevonden. België heeft als voorzitter geijverd voor een duidelijke Europese richtlijn inzake minimale inkomensbescherming. Op intergouvernementeel vlak zit deze kwestie echter muurvast. Daarnaast werd een voorstel tot richtlijn recent verworpen door het Europees Parlement. Op het korte termijn lijkt het Belgisch initiatief dan ook weinig reëel te hebben veranderd, maar toch evalueert de Europese armoedekoepel het Belgisch engagement positief.13 De kwestie staat terug in de belangstelling, verschillende fracties in het Europees Parlement steunen het streven naar inkomensbescherming en ons land is er in geslaagd om het engagement van Hongarije te verzekeren om de kwestie op de agenda te houden in de volgende zes maanden.

Het Belgische voorzitterschap legde ook de nadruk op de problematiek van de kinderarmoede. In een groot deel van de EU-lidstaten hebben kinderen immers een hoger armoederisico. Daarenboven wordt gevreesd dat armoede op die manier intergenerationeel wordt doorgegeven. België organiseerde daarom een kinderarmoedeconferentie. In de beleidsrapporten die daar werden voorgesteld vallen twee klemtonen op: de nadruk op het verwerven van voldoende inkomsten en daarnaast de noodzakelijkheid om arbeid en gezin op adequate wijze te combineren. Het blijft echter onduidelijk in welke mate dergelijke rapporten zich zullen vertalen in het beleid van de Europese lidstaten. Naast nog heel wat formele en minder formele initiatieven rond onder meer pensioenen en sociale dienstverlening, is het nog vermeldenswaardig dat er begin december een zogenaamde ‘consensusconferentie’ plaatsvond over dakloosheid. Achter de schermen speelde België ook een grote rol als lobbyist voor een stringente invulling en een snelle implementatie van de zogenaamde horizontale sociale clausule (art.9 van het Europees Verdrag). Deze clausule stelt dat de EU al haar beleidsmaatregelen moet toetsen op de effecten voor de sociale bescherming en het bestrijden van armoede (‘impact assessment’). Een van de manieren voor de Europese Commissie om de EU2020 doelstellingen te coördineren is het opstarten van zogenaamde ‘Flagship Initiatives’. Voor de armoedetarget is dat het ‘European Platform against Poverty’, en België is er in geslaagd om de impact assessment integraal onderdeel van dit initiatief te laten worden. Opnieuw stelt zich echter de vraag wat de concrete beleidsimpact van dit vlaggenschip zal zijn.

België lijkt dus heel wat werk te hebben verzet als agendazetter, maar de impact en de geloofwaardigheid van een voorzitterschap staat of valt volgens waarnemers met de beleidspraktijken in eigen land. Anders gesteld: wie niet eerst voor eigen deur veegt, verliest het recht om anderen de les te spellen. Onder meer door de verwezenlijkingen in het verleden beschikt België dan wel over krediet om een sociale agenda te propageren, maar de sociale prestaties van ons land zijn niet van dien aard om meteen hoog van de toren te blazen. Met een armoederisico van 14,7% in 2008 is België maar een Europese middenmoter (16,5% in EU27), ver verwijderd van koplopers als Tsjechië (9%) of Nederland (10,5%). Sterker, inzake huishoudens met lage arbeidsintensiteit scoort België (11,7%) aanzienlijk slechter dan het Europese gemiddelde (9% in 2008). Alleen op het vlak van materiële deprivatie doet ons land (5,6%) het beter dan gemiddeld (8,3% in 2008), maar ook daar is het geen voortrekker. Die rol is weggelegd voor Luxemburg, Zweden en Nederland die allen onder de 2% scoren. Het Europese discours van België lijkt dus niet te worden gestut door daadkracht in eigen land.

Het is in ieder geval nog te vroeg om de werkelijke impact van het huidige Belgische voorzitterschap te evalueren. Maar waar we terugblikkend op het voorzitterschap in 2001 vaststellen dat de toen vastgelegde Laken indicatoren nog steeds de basis vormen van het ganse Europese discours rond sociale inclusie, lijken er nu geen beslissende initiatieven te zijn genomen. Daarvoor is het echter nog niet te laat. België zou in het kader van de EU2020-strategie als ‘best practice’ voor de andere lidstaten kunnen fungeren door zich te engageren de armoededoelstelling te halen door simultaan vooruitgang te boeken op de drie indicatoren en zo ook hoog in te zetten op sociale bescherming.

EPILOOG

Het lijkt erop dat België als voorzitter in dit scharnierjaar, net zoals in 2001, een sociaal voluntaristische rol op zich heeft genomen. Achter de schermen is heel wat lobbywerk verzet om een sociale agenda op de besluitvormingstafel te krijgen, armoede was een zichtbaar thema in de communicatie van de EU en de afspraken met opvolger Hongarije zou de continuïteit van de gedane initiatieven moeten verzekeren. Het is echter maar al te zeer de vraag of er op de mooie woorden ook concrete daden zullen volgen en wat de concrete impact op de koers van het sociaal beleid in de lidstaten zal zijn. Die koers zal in het komende decennium immers grotendeels worden bepaald door de doelstellingen en uitkomsten van de EU2020-strategie. Dit stuk heeft aangetoond dat deze nieuwe strategie, hoewel in se positief, inherent dezelfde problemen met zich meedraagt als de Lissabonstrategie en dus ook op een eenzelfde falen kan afstevenen. Het welslagen van de armoededoelstelling staat of valt met een aantal eerder technische kwesties, en het valt nog af te wachten of ons land haar voluntarisme ter harte zal nemen en op dat vlak het goede voorbeeld zal geven.
Hoe dan ook, zonder een definitief oordeel te kunnen vellen, kan wel worden gesteld dat het Belgische voorzitterschap erin geslaagd is om een sociale agenda op de tafel van de EU te krijgen. En dat is in tijden van crises en besparingen misschien al heel wat.

Wim Van Lancker & Olivier Pintelon
Onderzoekers aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen
14

Noten
1/ Europese Raad van Lissabon (2000), Conclusies van het voorzitterschap, punt 5.
2/ Europese Raad van Lissabon (2000), Conclusies van het voorzitterschap, punt 32.
3/ Atkinson A., Cantillon B., Marlier E. en Nolan B. (2002), Social indicators: the EU and social inclusion. Oxford, Oxford University Press.
4/ Europese Raad (1975), Besluit van de Raad van 22 juli 1975 betreffende het programma voor modelprojecten en modelstudies ter bestrijding van de armoede, 75/458/EEG, Brussel.
5/ Cantillon B. en Van Lancker W. (2010), EU 2020 en de lessen van Lissabon. Over economische groei, tewerkstelling en armoedebestrijding, in: De Gids op Maatschappelijk Gebied, 101(9), pp. 33-39.
6/ Van Brempt K. (2010), Arm Europa?, in: Samenleving en politiek, 17(6), pp. 44-54.
7/ Europese Raad (2010), Conclusies, EUCO 7/10, Brussel.
8/ Europese Raad (2010), Conclusies, EUCO 13/10, Brussel.
9/ De negen items zijn te raadplegen op de website van Eurostat onder de hoofding ‘Europe 2020 indicators’. [http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/europe\_2020\_indicators/headline\_indicators]
10/ ‘In de eerste plaats’, omdat er natuurlijk ook herverdeling van deze welvaartsgroei moet plaatsvinden. Maar ook hier is er geen reden om aan te nemen dat die herverdeling er ‘automatisch’ zal komen.
11/ Eastern Europe frowns at EU ‘poverty’ target, Euractiv.com, 06/05/10. [http://www.euractiv.com/en/priorities/eastern-europe-frowns-eu-poverty-target-news-493720]
12/ Europese Raad (1992), Aanbeveling van de Raad van 27 juli 1992 betreffende de convergentie van de doelstellingen en het beleid op het gebied van de sociale bescherming, 92/442/EEG, Brussel.
13/ Press release: Belgian and Hungarian Presidencies commit to making progress on the adequacy of minimum income schemes, EAPN, 27/09/2010. [http://www.eapn.eu/?option=com\_acymailing&ctrl=archive&task=view&listid=3-flash-newsletter-englis&mailid=79-belgian-and-hungarian-presidencies-commit-to-making-progress-on-the-adequacy-of-minimum-income-schemes&tmpl=component]
14/ De auteurs schrijven dit stuk in eigen naam. Met dank aan Tim Van Rie voor de hulp en de inhoudelijke discussies bij het tot stand komen van dit stuk. Olivier Pintelon is lid van het linkse forum Poliargus (www.poliargus.be).

armoede - EU-voorzitterschap - Europa 2020

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 56 tot 64