Abonneer Log in

Loopbaanonderbreking: een legitiem systeem?

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 4 (april), pagina 30 tot 37

Het Belgische stelsel van loopbaanonderbreking is uniek in Europa. Het is daarenboven een stelsel met potentie. Voor de ontwikkeling van onze arbeidssamenleving in het algemeen en van de arbeidsmarkt in het bijzonder, biedt het uitdagende perspectieven. In dit artikel willen we aantonen dat het stelsel vandaag evenwel met een legitimiteitsprobleem wordt geconfronteerd. Dat heeft te maken met de vraag waarom mensen het recht verdienen om hun loopbaan te onderbreken en daar een degelijk sociaal statuut voor te krijgen. We zetten enkele bakens uit voor het debat en grijpen daarvoor terug naar een empirisch onderzoek bij gebruikers van het stelsel.

Het stelsel van loopbaanonderbreking

Het Belgische stelsel van loopbaanonderbreking bestaat sinds 1985 en onderging sindsdien verschillende wijzigingen. De globale evolutie die het stelsel doormaakte, kunnen we omschrijven als een geleidelijke uitbreiding van de rechten. Mensen kunnen vandaag voor een periode tussen 3 maanden en 5 jaar (6 jaar in de openbare sector) hun beroepsactiviteit neerleggen of verminderen. De loopbaan kan volledig worden onderbroken ofwel kunnen de arbeidsprestaties worden verminderd met een vijfde, een vierde, een derde of de helft. Het behoud van een maandelijks inkomen tijdens de onderbreking, en de verdere uitoefening van de betrekking nadien worden gewaarborgd. Bovendien blijven de sociale rechten van de loopbaanonderbreker (zoals ziekteverzekering en pensioen) beschermd.
Loopbaanonderbreking is op dit moment geen algemeen recht. Vanaf 1 januari 1994 werd er een recht op loopbaanonderbreking ingevoerd voor 1% van het gemiddeld aantal werknemers dat tijdens het afgelopen kalenderjaar in de onderneming was tewerkgesteld. Sinds 1998 werd dit recht uitgebreid tot 3% van het aantal werknemers. Elke werknemer kan tijdens zijn loopbaan maximum drie jaar van dat recht genieten. Werknemers die hierbuiten vallen zijn aangewezen op de goodwill van hun werkgever. In de openbare sector zijn de rechten meer uitgebreid.

Naast het algemene stelsel van loopbaanonderbreking zijn er ook drie specifieke stelsels: het ouderschapsverlof, het verlof voor palliatieve zorgen en het verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid. Deze drie specifieke stelsels zijn, in tegenstelling tot het algemene stelsel, wel een recht voor de werknemer. Het ouderschapsverlof werd in 1998 ingevoerd in navolging van een Europese Richtlijn. Het betreft een recht op drie maanden voltijdse onderbreking of zes maanden halftijdse, voor elke ouder vanaf de geboorte van een kind tot de leeftijd van vier jaar. Het verlof voor palliatieve zorgen omvat het recht om een maand de beroepsactiviteit op te schorten, wat eenmaal met een maand kan worden verlengd. Bij verlof voor de bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid moet het een gezins- of familielid tot de tweede graad betreffen. De termijn is langer: minimum één maand en maximaal 12 maanden kan een werknemer hiervan gebruik maken. Deze drie specifieke stelsels genieten van een verhoogde uitkering. Bij een volledige onderbreking bedraagt de maandelijkse uitkering 20.000 fr., tegenover ongeveer 12.000 fr. in het algemene stelsel.

Een verdere uitbreiding van de mogelijkheden tot loopbaanonderbreking ligt in het verschiet. In het huidige regeerakkoord is er sprake van de invoering van een veralgemeend systeem van een vijfde loopbaanonderbreking (m.a.w. een vierdagenwerkweek) die in beginsel voor alle werknemers die dat vragen toegankelijk is. De praktische toepassingsmodaliteiten ervan zouden worden geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst of bij gebrek hieraan in onderling overleg tussen werkgever en werknemer. Ook een invoering van een volwaardig algemeen recht op loopbaanonderbreking (inclusief een volledige onderbreking), vindt stilaan wat aanhangers. Zo pleit de SP voor ‘de invoering van een absoluut recht op loopbaanonderbreking’ voor maximaal zes jaar, VU&ID voor ‘een afdwingbaar recht op een loopbaankrediet van vijf jaar’, Agalev voor ‘een recht op vijf jaar loopbaanonderbreking’. De CVP pleit voor een recht op loopbaanonderbreking voor alle vaders en moeders om gedurende drie jaar voor hun kind te zorgen en voor een gelijkaardig recht voor thuiszorg voor zieke familieleden.1 Daarnaast lanceerden Agalev en SP recent voorstellen over de invoering van een (goed betaald) zorgverlof. Vanuit vakbondshoek komt er ondersteuning. Het ACV pleit voor een algemeen recht op loopbaanonderbreking met een waaier van formules, het ABVV eist de invoering van het recht van een werknemer op een jaar betaald verlof. VLD, VBO en NCMV waarschuwen voor overhaasting.2

Een legitimiteitsprobleem

Het stelsel van loopbaanonderbreking is ingevoerd als een tewerkstellingsmaatregel. De werknemers die hun arbeidsprestaties onderbreken of verminderen, moeten vervangen worden door een uitkeringsgerechtigde werkloze. Vervanging is in principe verplicht, maar er zijn verschillende omstandigheden waarin de werkgever hiervan kan worden vrijgesteld.Deze werden in 1999 nog versoepeld. Dat maakt dat voor een deel van de gebruikers een legitimatie op basis van vervanging de facto niet aan de orde is. Daarbij moeten we ook opmerken dat door de groeiende (selectieve) krapte op de arbeidsmarkt in Vlaanderen, de kans groter wordt dat voor het invullen van vrijgekomen arbeidsplaatsen geen werklozen beschikbaar zijn.4 Hoewel het niet als eigenlijk opzet van het systeem wordt opgegeven, is het natuurlijk zo dat in de praktijk de overheid met het stelsel van loopbaanonderbreking tegemoetkomt aan de persoonlijke aspiratie van diegenen die er, om welke reden ook, voor bepaalde tijd tussen uit willen en hun arbeidsparticipatie onderbreken of terugschroeven.

Wanneer vandaag gesproken wordt over de uitbreiding van de rechten op loopbaanonderbreking, gebeurt dat in hoofdzaak vanuit deze laatste interpretatie. Zo wordt het algemeen systeem van een vijfde loopbaanonderbreking in het federale regeerakkoord bepleit in het kader van ‘de verzuchtingen van de burgers voor een soepeler organisatie van de arbeidstijd’. Bea Cantillon pleit voor een algemeen recht op loopbaanonderbreking voor het opnemen van zorgtaken in het gezin, zonder vervangingsplicht. Ook in de verkiezingsprogramma’s van juni 1999 wordt loopbaanonderbreking vooral naar voor geschoven als een maatregel die de moeilijke combinatie van gezin en werk voor jonge ouders kan verlichten, of die meer algemeen een middel is om tijd te creëren voor wie er behoefte aan heeft.5 De vervangingsplicht verliest veld. De tewerkstellingsfunctie wordt minder prioritair. De oorspronkelijke en officiële legitimatie van loopbaanonderbreking boet dus aan belang in. Een nieuw pleidooi steekt de kop op. Van deze nieuwe legitimatie zijn vandaag evenwel slechts embryonale aanzetten aanwezig. De invulling daarvan heeft nochtans verregaande gevolgen voor de concrete vorm die het systeem van loopbaanonderbreking hoort aan te nemen. Legitimatie is erg belangrijk voor diegenen die met beleidsvorming bezig zijn. Zij moeten beschikken over een kader dat het betreffende beleid of de beleidsvoorstellen kan verantwoorden. Bij de gebruikers is er evenzeer nood aan legitimatie van het stelsel. Dat zich hier een probleem stelt, kunnen we opmaken uit een onderzoek bij voltijdse loopbaanonderbrekers aan de Universiteit Antwerpen.6 In het kader van een onderzoek naar de betekenis van betaalde arbeid voor de integratie van mensen in hun samenleving, werden, naast 19 halftijds werkenden, 24 voltijdse loopbaanonderbrekers7 langdurig ondervraagd. De legitimiteit van het stelsel is een van de onderwerpen die in de gesprekken aan bod kwamen. In de interviews tekende zich een dilemma af tussen de officiële legitimatie van het systeem en de feitelijke legitimatie door de betrokkenen, die met de eerste niet volledig samenvalt. De nu volgende analyse is gebeurd op basis van 18 interviews.8

De legitimiteit in de ogen van de gebruikers

De respondenten geven zes soorten argumenten om het recht op het onderbreken van je loopbaan én op de daaraan verbonden uitkering te rechtvaardigen.9 Tussen haakjes geven we aan bij hoeveel respondenten het betreffende argument wordt vermeld. Acht respondenten haalden één argument aan, de elf anderen combineerden twee of meerdere argumenten.10
- Iets zinvol doen voor de samenleving (7)
- Tijd om te herademen (7)
- Vervanging door een werkloze (8)
- Je opgebouwde rechten verzilveren (2)
- Van een bestaand systeem gebruik maken (4)
- Een weg naar vrijheid (4)
In deze argumentaties ontdekten we twee verschillende retorieken. De twee eerste argumentaties spreken een taal van maatschappelijk gerechtvaardigde behoeften. De vier volgende argumentaties die van een gerechtvaardigde levenswijze. Van deze vier argumentaties grijpen de eerste twee terug naar het stelsel van sociale zekerheid, de laatste twee geven een rechtvaardiging los van dat stelsel. We bespreken de zes argumentaties.

Maatschappelijk gerechtvaardigde behoeften

Volgens de eerste twee argumenten komt de onderbreking tegemoet aan een behoefte van de gebruiker zelf of van zijn of haar omgeving. Deze behoefte is voor de gebruikers maatschappelijk gelegitimeerd. De behoefte verdient een erkenning van de samenleving als ‘terecht’ of als ‘waardevol’. We zouden in die zin kunnen spreken van (een nieuw soort) basisbehoeften, die niet als luxe maar als noodzaak worden beschouwd. Het eerste argument verwijst in eerste instantie naar een meerwaarde voor de samenleving of de omgeving, het tweede naar een meerwaarde voor de betrokkene zelf.

• Iets zinvols doen voor de samenleving (een meerwaarde voor de samenleving).
De eerste argumentatie verwijst naar de reden of invulling van de onderbreking. Ze komt er op neer dat diegenen die iets zinvols doen voor de samenleving, het verdienen om hiervoor de tijd en een uitkering ter beschikking te krijgen. Door je loopbaanonderbreking creëer je een meerwaarde voor je naaste omgeving of voor de ruimere samenleving, wat als dusdanig erkenning verdient. Dat argument vinden we bij zeven respondenten terug. Zo stelt respondent 2: ,,Ik geef wel iets terug. Ik help mijn schoonfamilie, ik recupereer wat materiaal. Ja vooral naar mensen omdat je toch een stuk … iets teruggeeft.’’ Respondent 23 beschouwt het meer tijd maken voor anderen en haar vrijwillig engagement waarin ze enkele kinderen met leermoeilijkheden begeleidt, als zinvolle bijdragen aan de samenleving. Respondent 5 vermeldt ook het volgen van een opleiding als een ‘goede reden’ (cf. eerstvolgende citaat van respondent 5).
Vijf respondenten verwijzen expliciet naar het aanbieden van zorg, al dan niet toegespitst op de zorg voor kinderen. We citeren er twee. Respondent 15: ,,(…) Zoiets voor de kinderen is iets helemaal anders als ge dat zou doen voor een zelfstandig beroep of zo. Of als ge het zou doen omdat ge zegt, ik ben mijn werk beu, of ik wil er efkes van tussen. Dat is nog iets helemaal anders, want nu onderbreekt ge uw werk eigenlijk gewoon om uw kinderen op te voeden.’’ Respondent 5: ,,Ik zou in eerste instantie geneigd zijn om te zeggen van er moet een goede reden bij zijn. Maar anderzijds … Ik spreek zojuist ook niet enkel van huismoeders, huisvaders, maar van huisman, huisvrouw, niet naar kinderen toe. Het lijkt het meest logisch onmiddellijk met kinderen maar ook palliatieve zorgverlening of opleiding moet kunnen.’’
Wat de zorg voor kinderen betreft, wijst respondente 16 erop dat zij als hooggeschoolde, welstellende directrice bevoorrecht is ten opzichte van het lagergeschoolde en lager betaalde personeel. Dat personeel kan zich, aldus de respondente, de keuze om via loopbaanonderbreking thuis te blijven voor de kinderen, meestal financieel niet veroorloven. Bij een andere respondente treffen we een variante aan op dat eerste type van argumentatie. Haar redenering heeft niet zozeer betrekking op het nut van de loopbaanonderbreking, dan wel op het al dan niet gedwongen karakter ervan. De vrouw in kwestie koos voor loopbaanonderbreking om haar echtgenoot die in het buitenland woont en werkt, te kunnen vervoegen. Respondent 24: ,,Iedereen die een gegronde reden heeft, zou loopbaanonderbreking moeten kunnen krijgen. Ik ken niet de precieze lijst van redenen die momenteel gelden, maar dingen zoals zorgen voor een ziek familielid, opvoeding van de kinderen, echtgenoot die in het buitenland werkt, beschouw ik als gegronde redenen omdat ze allemaal een beetje een “gedwongen” karakter hebben. Het wordt anders wanneer iemand beslist om een jaar lang niet te werken om rond de wereld te gaan varen.’’

• Tijd om te herademen (een meerwaarde voor jezelf).
Zeven respondenten verwijzen onder een of andere vorm naar de kansen die een loopbaanonderbreking aan de betrokkene biedt om te herademen, te herbronnen, om persoonlijk te groeien. De onderbreking levert een persoonlijke meerwaarde op. In de redenering van de respondenten is de behoefte om te herademen een ‘terechte’ behoefte die erkenning verdient. Drie van hen stellen het als volgt. Respondent 22: ,,Ja ik vind dat eigenlijk iedereen … ook gewoon herbronnen, iets nieuws, kansen om jezelf te ontwikkelen, iets totaal nieuws, kansen om jezelf te ontwikkelen, iets totaal nieuw te ontdekken, misschien een richting die je beter ligt of zo, zonder dat je te veel zware risico’s neemt voor iemand die bijvoorbeeld alleenstaand is, geen ander inkomen heeft, geen al te grote spaarpot heeft, geen rijke ouders heeft, vind ik dat wel nodig.’’ Respondent 13: ,,Als dat zo een periode er tussenuit stappen is, vind ik dat niet slecht. Een beetje zo heropladen, vind ik dat zeker niet slecht. Ja, dat moet misschien wel kunnen voor iedereen.’’ Interviewer: ,,En heb jij het gevoel dat jij dan tijdens zo een loopbaanonderbreking toch iets zinvol voor de samenleving doet?’’ Respondent 22: ,,Ik denk dat iedereen die aan zichzelf werkt en zichzelf ontwikkelt en aan het zoeken is naar de manier waarop dat je je het beste en gelukkigste kunt ontplooien, een goed is voor de samenleving. (…) Al is het voor mij op het eerste gezicht een stuk negatief geweest, uiteindelijk achteraf beschouwd vind ik het ook positief dat ik ook sterker ben geworden en kan ik meer doorgeven.’’
De laatste respondent bevestigt dat de samenleving baat heeft bij haar persoonlijke groei. Zij beschouwt de ervaring van haar onderbreking, die - zoals ook blijkt uit het citaat - geen succesverhaal was, als een persoonlijke verrijking die ze onder meer aan de leerlingen waar ze beroepshalve les aan geeft, kan doorgeven. Andere respondenten geven aan dat mensen die de behoefte voelen om er even uit te stappen, hiertoe de kans moeten krijgen, omdat dit ook hun werk ten goede komt. Op die manier bevordert het nastreven van persoonlijk welzijn ook het collectieve welzijn. Respondent 9: ,,(…) Tegen als die mensen eens kunnen herademen. Na een half jaar of na een jaar, dan gaan die mensen beter presteren en renderen. Dat wel, daar ben ik van overtuigd. (…) Je komt toch een beetje gezuiverd terug. Je kan terug herbeginnen.’’ Respondent 6: ,,De dopper kan ervaring opdoen. (…) En hij die thuiszit heeft dat ook vrijwillig gekozen en die kan alleen maar beter functioneren nadien. Ik denk als ik nu terug zou gaan werken, dat ik beter zou functioneren dan voordien. En dat vind ik echt een keerpunt. Afstand nemen.’’ Interviewer: ,,En als je daarjuist zei van ik zou het wel goed vinden dat iedereen er recht op zou hebben, waarom vind je dat zo belangrijk?’’ Respondent 22: ,,Dat mensen die keuze zouden moeten kunnen maken van om bijvoorbeeld voor de opvoeding van hun kinderen thuis te kunnen blijven of om een andere reden of om persoonlijke vorming bijvoorbeeld. Want er zijn heel wat mensen die dat zouden willen maar die gewoon de mogelijkheid niet hebben. En die gaan dan toch maar werken en moesten die een jaartje thuis kunnen blijven, ik denk dat zij nadien, als ze terug het werk hervatten, met veel ijver weer opnieuw zouden beginnen.

Een gerechtvaardigde levenswijze

De tweede retoriek die we in de interviews terugvinden, verwijst niet naar behoeften van mensen, noch naar de reden of de invulling van de onderbreking. Deze retoriek omschrijft een loopbaanonderbreking als een gerechtvaardigde levenswijze, als een recht tout court. Waarom die levenswijze dan wel gerechtvaardigd is, valt in vier soorten argumenten uiteen. De eerste twee grijpen terug naar ons stelsel van sociale zekerheid, de laatste twee niet. Zowel het argument van de vervanging door een werkloze als dat van het verzilveren van opgebouwde rechten, steunen op het gegeven dat loopbaanonderbreking deel uitmaakt van ons stelsel van sociale zekerheid.

• Vervanging door een werkloze.
De officiële legitimatie van het systeem van loopbaanonderbreking wordt door de onderbrekers het meeste aangehaald: je wordt vervangen door een werkloze.11 Op die manier verminder je de werkloosheid, geef je een werkloze de kans om ervaring op te doen én wordt de uitgave voor de onderbrekingsuitkering gerecupereerd uit de werkloosheidsuitkering van de vervanger. Beide uitkeringen worden niet toevallig door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) uitbetaald. Deze drie aspecten vinden we in de volgende citaten terug. Respondent 9: ,,Ik heb een persoon uit de statistieken van de werkloosheid gehaald en in een andere statistiek ondergebracht. En verder reikt mijn belangstelling niet, moet ik zeggen.’’ Interviewer: ,,En vind je het rechtvaardig dat je een uitkering krijgt gedurende dat jaar?’’ Respondent 22: ,,Ja, ik vind dat wel. Het is wel op voorwaarde dat ze dus iemand nemen die stempelt omdat ze dan ondertussen toch iemand de kans geven om ook te beginnen. Iemand die misschien een jaar aan de dop zou staan of zo. En iemand die dan ervaring verzameld heeft, gaat dan misschien ook rapper aan een job geraken.’’ Respondent 7: ,,Eigenlijk als ge ziet waar ze het geld halen, speelt het eigenlijk geen rol hè. Want ze halen dat van die andere die nu bij wijze van spreken mijn job heeft hé.’’

• Je opgebouwde rechten verzilveren.
In een vierde categorie argumenten, rechtvaardigen mensen hun uitkering door te stellen dat zij het recht hierop hebben opgebouwd via het betalen van bijdragen als werknemer. Respondent 24: ,,Ik beschouw deze uitkering een beetje als de uitbetaling van een verzekeringspolis waarvoor je premies betaald hebt, telkens er sociale zekerheidsbijdragen van je loon afgehouden werden.’’ Respondent 1 verdedigt eveneens dat je het recht op loopbaanonderbreking verwerft door te werken. Of dat opgebouwde recht ook met het betalen van bijdragen te maken heeft, blijft in het ongewisse. Respondent 1: ,,Stel je voor dat ge nu je leven lang dag en nacht keihard gewerkt hebt en dat ge zegt, ja, nu heb ik genoeg geld verdiend, nu ga ik een keer een wereldreis maken, om zo maar iets te zeggen. Als iemand daarvoor gewerkt heeft, dan is dat goed hé.’’
Het argument van het betalen van bijdragen via de sociale zekerheid en het zo opbouwen van ‘trekkingsrechten’, vinden we bij de ondervraagde loopbaanonderbrekers slechts sporadisch terug. Het argument lijkt nochtans erg plausibel, net omdat de formule van loopbaanonderbreking ingebed is in het stelsel van de sociale zekerheid, een stelsel van oorsprong gebaseerd op het principe van sociale verzekering. Deze paradox valt ons inziens vrij eenvoudig te verklaren. Het argument is met name slechts beperkt geldig. Ten eerste heeft niet iedereen die bijdragen betaalt (dit doen alle werknemers) recht op loopbaanonderbreking. Slechts indien alle werknemers een recht zouden hebben op loopbaanonderbreking, kan dit argument volwaardig opgaan. Een rechtlijnig verband tussen het betalen van bijdragen en het opbouwen van trekkingsrechten, bestaat met andere woorden vandaag niet. Een tweede verklaring is dat dit verband zelfs op individueel niveau, bij de gebruikers zelf, ontbreekt. Aan het krijgen van een loopbaanonderbrekingsuitkering zijn geen voorwaarden qua voorafgaande tewerkstellingstermijn verbonden. De uitzondering hierop is het ouderschapsverlof (dat wel een algemeen recht is), waarbij de werknemer uit de privé-sector in de loop van de 15 maanden die voorafgaan aan de aanvraag minstens 12 maanden voor dezelfde werkgever moet gewerkt hebben, en dus minimum 1 jaar tewerkgesteld moet geweest zijn. Er valt met andere woorden voor de gebruikers niets ‘op te bouwen’. Het simpele feit dat men als werknemer is tewerkgesteld, is voldoende om de toegang tot het stelsel te verkrijgen.
Waarom je leven als loopbaanonderbreker, onafhankelijk van de invulling ervan of van de behoeften waar het aan tegemoetkomt, gerechtvaardigd is, staat bij de laatste twee argumenten losvan de inbedding van de onderbrekingsformule in de sociale zekerheid.

• Van een bestaand systeem gebruik maken.
Vier respondenten rechtvaardigen hun gebruik van het systeem van loopbaanonderbreking met een volstrekt amoreel argument: je maakt gewoon gebruik van een systeem dat bestaat. Als de overheid je de mogelijkheid aanbiedt, waarom zou je er dan geen gebruik van maken? Respondent 9: ,,(…) Ik wist dat andere mensen zouden zeggen: “Zeg, dat is profiteren”. Wat het ook was. Maar goed, ik heb ook iemand een jaar lang ervaring laten opdoen. En ik heb geprofiteerd van het systeem zoals het dan was. Ik heb gebruik gemaakt van de mogelijkheden. Niet meer en niet minder. En dat was voordelig voor mij.’’ Respondent 23: ,,Het stond al lang vast dat ik er een jaar tussen uit wou. Voor mij was het handig om die formule van loopbaanonderbreking te krijgen. Gewoon omdat dan je sociale zekerheid in orde is. Als je dan nog eens moet gaan bijdragen, dan heb je natuurlijk nog eens extra kosten. Maar die bijdrage erbij was zoiets van: “Oké, als ze me dat willen geven erbij, dat ze dat dan maar doen”. Ik ga geen nee zeggen. Maar dat was voor mij absoluut niet nodig.’’
Een respondent geeft aan dat de mogelijkheid om van het stelsel van loopbaanonderbreking gebruik te maken, voor iedereen moet bestaan. Het is een voorziening waarop je als burger recht hebt. Iemand die geen inhoudelijke rechtvaardiging hanteert, heeft natuurlijk ook geen argument om anderen ervan uit te sluiten. Interviewer: ,,En vind jij dat iedereen daar recht zou moeten op hebben? Om loopbaanonderbreking te nemen?’’ Respondent 7: ,,Ik vind dat wel ja. Als het systeem er is hé. Dus het bestaat nu. Dan vind ik ook dat iedereen [daar recht moet op hebben].’’ Bij dat vijfde type van argumenten speelt de motivatie voor de loopbaanonderbreking duidelijk een rol. Drie van de vier respondenten die hier naar verwijzen, vulden hun onderbreking in met (onder meer) reizen.

• Een weg naar vrijheid
Vier van de argumenten die we in de interviews terugvinden, zijn een los samenraapsel van wat we een pleidooi voor individuele vrijheid willen noemen. Ze geven alle, al dan niet expliciet, de mening weer dat mensen geen gegronde reden moeten hebben om loopbaanonderbreking te mogen nemen. Als mensen kunnen rondkomen met de onderbrekingsuitkering, is geen verdere verantwoording noodzakelijk. Zo verwijst respondent 13 naar het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen om een algemeen recht op loopbaanonderbreking te bepleiten. Ze vindt het idee, los van de betaalbaarheid, op zich niet slecht. De andere respondenten formuleren het als volgt. Respondent 2: ,,Los van de economische realiseerbaarheid, waar ik niks over durf zeggen, vind ik dat eigenlijk een schoon idee. Wie wilt werken, werkt, wie veel geld wilt verdienen doet dat dan maar, wie weinig wil werken, werkt minder, en wie niet wilt werken, werkt niet. Of dat dat dan draaiende kan gehouden worden dat weet ik dus niet maar het zou wel perfect zijn. Ik ben daar voorstander van. En iedereen moet maar doen wat hij wilt. Dat is een beetje mijn principe. Als het anderen niet schaadt.’’ Respondent 11: ,,Bij wijze van spreken je zou ermee kunnen rondkomen, waarom mag die dat dan niet hebben. Ik vind van wel. Ik vind niet dat ge dat … ik weet niet waarom ge daar een gegronde reden voor moet hebben.’’ Interviewer: ,,En vind je dat iedereen daar recht zou moeten op hebben?’’ Respondent 23: ,,Ja. Ik vind dat een keuze van jezelf en dat je de vrijheid moet hebben om dat te doen.’’

Contouren voor een debat

Willen we de toekomst van het Belgische stelsel van loopbaanonderbreking kunnen uittekenen, dan zal er een discours moeten ontstaan waarin antwoorden worden gezocht op enkele cruciale vragen. Ze gaan over de retoriek die onze samenleving zelf aan het stelsel van loopbaanonderbreking verbindt. Ze gaan over wie een recht op loopbaanonderbreking verdient. Wil de samenleving loopbaanonderbreking reserveren voor diegenen die gerechtvaardigde behoeften hebben? Zo ja, over welke behoeften hebben we het dan? Moeten we bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen onderbrekingen omwille van zorg voor kinderen, palliatieve zorgen en medische bijstand aan familie, zoals dat vandaag reeds bestaat? Of dekken deze redenen niet alle ‘voor de samenleving nuttige’ zorgtaken of andere activiteiten die men hierbij meestal voor ogen heeft?12 En wat met de behoefte van vele mensen om eens op adem te komen? Is die legitiem? Of zijn er argumenten om iedereen een recht op loopbaanonderbreking toe te staan, los van de concrete situatie of persoonlijke behoeften? Om er een algemene voorziening van te maken?
Daarbij stelt zich de vraag naar de inbedding in de sociale zekerheid. Is die inbedding wel zo vanzelfsprekend als ze lijkt? Zijn er geen argumenten om een algemeen, (deels) gefiscaliseerd, stelsel te bepleiten dat werkelijk voor alle burgers toegankelijk is? Vrijheid? Autonomie? Billijkheid? Gelijkheid? Of misschien het tegengaan van economisering en vermarkting van de samenleving? Of moet het stelsel enkel toegankelijk zijn voor werknemers die ‘trekkingsrechten’ opbouwen? Wordt met andere woorden enkel de niet-arbeidstijd van werknemers vergoed of is het rechtvaardig dat ook diegenen buiten de arbeidsmarkt (of diegenen met een zelfstandige beroepsactiviteit) enkele jaren niet-arbeidstijd vergoed krijgen? Of overeenkomstig de deeltijdse loopbaanonderbreking, een bepaald percentage niet-arbeidstijd?
De filosofie van de actieve welvaartsstaat die door de huidige regering gepredikt wordt, lijkt de doelstelling te omvatten dat iedereen zich op de arbeidsmarkt moet begeven, en dat rechten dan ook zonder veel problemen aan het statuut van ‘werkende’ kunnen worden gekoppeld. De vrouw of man die zich niet, of nog niet, op de arbeidsmarkt begeeft om bijvoorbeeld voor de kinderen te zorgen, verwerft dan geen recht op vergoeding van niet-arbeidstijd. Antwoorden op al deze vragen moeten ook het onderscheid duidelijk maken tussen de legitimatie van een systeem van loopbaanonderbreking en de legitimatie van een systeem van een onvoorwaardelijk basisinkomen, dat onbeperkt is in duur, en toegekend wordt op basis van burgerschap in plaats van arbeidsstatuut. Werk aan de winkel?

Noten
1. Zie ‘Het sociaal contract’ van de SP, verkiezingsprogramma’s van 13 juni 1999 van VU&ID en van de CVP, het partijprogramma van Agalev.
2. Zie Rasking, J. ‘Zorgverlof en loopbaankrediet staan op de politieke agenda’ in De Standaard van 17/3/00 en ACV-Visie van 17/3/00.
3. Zo is er geen vervangingsplicht wanneer de werkgever kan bewijzen dat er geen vervanger voorhanden is, wanneer het aantal vrijgekomen arbeidsuren minder bedraagt dan eenderde van een voltijdse arbeidsbetrekking en wanneer de onderneming minder dan 10 werknemers tewerkstelt (De Preter, 1999: 17-18).
4. Een probleem dat weliswaar voor een groot stuk voorkomen wordt door de ingebouwde soepelheid dat de vervanger van de loopbaanonderbreker niet noodzakelijk dezelfde functie moet uitoefenen en b.v. ook een lager gekwalificeerde functie mag opnemen.
5. De SP houdt daarbij wel uitdrukkelijk vast aan de vervangingsplicht. (Zie b.v. hun ‘Sociaal Contract’).
6. Het onderzoek kadert in het FWO-mandaat van de auteur.
7. De respondenten zijn minimum één jaar voltijds in loopbaanonderbreking en zijn niet ouder dan 45 jaar. We interviewden tien mannen en veertien vrouwen. We zorgden voor een spreiding naar motivatie voor de onderbreking: tien van hen kozen ervoor omwille van kinderen, de veertien anderen omwille van een andere reden (studie, meer tijd, werk beu, reizen, zorg voor familie …).
8. Vijf interviews waren nog niet beschikbaar voor analyse, bij een interview werd het betreffende thema niet op cassette opgenomen.
9. De legitimiteit van het stelsel kwam in de gesprekken aan bod als antwoord op de vragen ‘Vindt u dat iedereen recht zou moeten hebben op loopbaanonderbreking? Waarom wel/niet?’ en ‘Vindt u het rechtvaardig dat u een uitkering krijgt voor uw onderbreking?’. Aangezien de gesprekken een open karakter hadden, kwam de legitimiteit soms ook bij een ander gespreksthema aan bod. Wanneer de gestelde vraag mogelijk suggestief is, geven we de vraag in het betreffende citaat weer.
10. Alle argumenten worden in minstens de helft van de gevallen gecombineerd met een ander argument. Het argument ‘iets zinvol doen voor de samenleving’ wordt het meeste als enig argument aangehaald (drie maal), gevolgd door ‘tijd om te herademen’ en ‘vervanging door een werkloze’ (telkens door twee respondenten als enige aangehaald).
11. Alle respondenten die we in de analyse opnamen, werden vervangen.
12. Zo stelt Cantillon (1999: 269) “ (…) Aldus zal de notie “arbeid”, die aan de basis ligt van de sociale zekerheid, verder verruimd moeten worden van enkel betaalde agorale arbeid naar elke inzet die voor de samenleving nuttig is.”

**Bibliografie

-** Cantillon, B., De welvaartsstaat in de kering (pp. 317). Kapellen: Pelckmans 1999.
- De Preter, S., Loopbaanonderbreking en sociale zekerheid. Een studie van het stelsel van loopbaanonderbreking. UIA 1999.
- Dehaes, V., Vanzegbroeck, P., Lambrechts, E., Pauwels, K., Gezinseffectenrapportage. Loopbaanonderbreking en deeltijds werk. Effecten van de arbeidssituatie op de gezinnen. Brussel: CBGS 1997.
- Federale regering. Een brug naar de eenentwintigste eeuw. Regeerakkoord 7 juli 1999.
- MTA (1997). Het federaal werkgelegenheidsbeleid. Evaluatierapport 1997. Brussel.
- MTA (1999). Wegwijs in ... de loopbaanonderbreking. Brussel: Juni.
- MTA (1999). Het federaal werkgelegenheidsbeleid. Evaluatierapport 1999. Brussel.
- Vanderweyden, K., 'De pluriactieve maatschappij. Over een samenleving die niet alleen oog heeft voor arbeid'. Samenleving en politiek 1999, jg. 6, oktober (nr.8), pp.26-32.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 4 (april), pagina 30 tot 37