Abonneer Log in

De burger versus de ouder

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 39 tot 45

Dinsdag 8 maart 2005 werd in het Vlaams Parlement een bijzondere vergadering gehouden. De Commissie voor Onderwijs en Beroepsopleiding van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (Brussels Parlement) en de Commissie voor Onderwijs, Vorming, Wetenschap en Innovatie van het Vlaams Parlement vergaderden samen over de situatie in het Brussels onderwijs. Het was de bedoeling de problematiek van het Nederlandstalig Brussels onderwijs te bediscussiëren en te overleggen tussen de beide parlementen.

Vooralsnog werden weinig conclusies getrokken uit het overleg. Er werd vooral geluisterd naar de heren Guido Deraeck en Vic Anciaux. De eerste is de voorzitter van het Lokaal Overlegplatform basisonderwijs in Brussel. De tweede is de voorzitter van het Lokaal Overlegplatform secundair onderwijs in Brussel. Deze beide platforms zijn opgericht in het kader van het decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK) en hebben vooral als doel het beleid van de scholen op elkaar af te stemmen en te bemiddelen in geval van conflicten.
De heer Deraeck leek erg opgetogen over het gezamenlijke inschrijvingsbeleid dat de 117 Brusselse basisscholen hebben opgezet. De scholen spraken in het Lokaal Overlegplatform af dat zij in oktober en november 2004 enkel broers en zussen van hun huidige leerlingen zouden inschrijven. Pas vanaf de eerste maandag na de kerstvakantie (10 januari 2005) zouden ze andere leerlingen inschrijven. Alle inschrijvingen betreffen uiteraard enkel het schooljaar 2005-2006. Facultatief konden de scholen in de eerste weken na 10 januari nog een beperkte voorrang geven aan Nederlandstalige kinderen, de zogenaamde ‘piste Verstegen’. Uiteindelijk bleek dat slechts twee scholen kozen deze voorrangsregel toe te passen. Deraeck schreef dan ook: ‘Inzake inschrijvingsbeleid staan de Brusselse basisscholen op één lijn en we werkten ook een gezamenlijke communicatiestrategie naar ouders uit.’
Zelf hoor ik in Brussel toch nog wat geklaag over het Nederlandstalige onderwijs en de toepassing van het decreet Gelijke Onderwijskansen. Het is ondoenbaar na te gaan in hoeverre de klagers gegronde redenen hebben. De auteur kan enkel getuigen dat minstens één school de afspraken, die in het lokaal overlegplatform zijn gemaakt, feestelijk aan haar laars lapt. Voor mijn beide dochters heb ik een ‘inschrijvingsregister’ getekend in december (eerste fout). Vandaag, 8 april, weet ik nog niet of mijn kinderen ingeschreven zijn of geweigerd (tweede fout). Dat komt omdat de directie van de nieuwe school nog niet weet of de kinderen die ze vóór de afspraken in het LOP op de ‘wachtlijst’ zette (derde fout), daadwerkelijk zullen opdagen of niet. De directie laat weten dat zij de eerste week van september zal weten welke leerlingen zijn komen opdagen en ze dan haar ‘wachtlijst’ zal afwerken. Ik kan pas dan beslissen of ik mijn kinderen alsnog van school verander. Andere Brusselse ouders vertellen me soortgelijke verhalen over andere scholen. Zonder een degelijk onderzoek kan ik echter niet nagaan in hoeverre die verhalen kloppen.
Uiteraard is het niet zo prettig dat ik mijn oudste dochter niet kan uitleggen of ze nu wel of niet van school zal veranderen. Wat zijn de opties? Ik kan eisen dat de school nu een antwoord geeft op de vraag of mijn kinderen naar de betreffende school kunnen. De directie zal dan een weigeringattest opmaken. Ik had me op 10 januari opnieuw kunnen aanmelden, een nieuwe inschrijving vragen en dan naar de Commissie leerlingenrechten kunnen stappen. Het inschrijvingssysteem van de school wordt dan onderuit gehaald, de school moet alle ‘ingeschreven’ ouders terug oproepen en er blijft niets over van de ‘volgorde’ die er nu is. Ik twijfel aan die optie. Wil ik wel ruzie maken met de directie van een kleine school nog vóór mijn kinderen er een voet hebben binnen gezet? Wij zijn geen Amerikanen die ‘see you in court’ op dezelfde toon kunnen uitspreken als ‘slaapwel en tot morgen’.

De Commissie Leerlingenrechten

De Commissie inzake Leerlingenrechten is opgericht door het decreet gelijke onderwijskansen. Ouders die klachten hebben in verband met weigeringen kunnen zich onmiddellijk tot de commissie wenden, die dan nagaat of de weigering conform het decreet is. In het geval van doorverwijzing moet eerst worden bemiddeld door het lokaal overlegplatform. Als die bemiddeling niet tot een bevredigend resultaat leidt, kan de commissie de legitimiteit van de doorverwijzing beoordelen. De commissie is samengesteld uit een voorzitter en zes leden. De voorzitter is een jurist. Twee leden zijn vertrouwd met de onderwijsregelgeving en het ruime onderwijsveld. Twee leden hebben een bijzondere kennis of verdienste op het vlak van de kinderrechtenbescherming. Twee leden zijn vertrouwd met het grondwettelijk en administratief recht.1
Oppervlakkig gezien lijkt het of de commissie een soort rechtbank is die bij betwisting de knoop moet doorhakken. Dat was ook de oorspronkelijke bedoeling van de voormalige Minister van onderwijs. De Raad van State, afdeling wetgeving, heeft echter in zijn advies over het decreet gelijke onderwijskansen gesteld dat de scholen meester moeten blijven over de inschrijvingen omdat anders de actieve onderwijsvrijheid in het gedrang zou komen.2 Het ontwerp van decreet is dan aangepast en de goedgekeurde versie spreekt enkel nog over een beoordeling door de commissie, niet over een beslissing. Concreet komt dat erop neer dat de commissie, indien ze meent dat een weigering onterecht is, niet kan overgaan tot de ambtshalve inschrijving van de leerling. Zij kan zelfs geen bindend advies geven aan een andere instelling die dan wel ambtshalve kan inschrijven. De commissie kan de minister van onderwijs het advies geven werkingsmiddelen van de school terug te vorderen. Dat advies is echter niet bindend.3 Een uitspraak van de commissie inzake Leerlingenrechten is equivalent met een mening van de administratie, waar de minister en de schooldirectie een gevolg kan aan geven, of ook niet.
Ik twijfel niet aan de zinvolheid van de Commissie Leerlingenrechten. In verschillende gevallen waarover de commissie uitspraak heeft gedaan was het decreet onduidelijk. De commissie heeft in een aantal van die gevallen duidelijkheid geschapen. Men kan zich achteraf de vraag stellen of de concrete interpretatie van de commissie wel wenselijk is voor de scholen. De commissie kan echter geen beleid voeren en is gebonden door de vigerende onderwijsregelgeving. Een paar voorbeelden maken dit duidelijk.
Een leerling wordt definitief uitgesloten wegens tucht en schrijft zich in in een andere school. Daar wordt hij de tweede dag betrapt met een pepperspray in zijn boekentas. Zijn nieuwe school besluit hem alsnog te weigeren op basis van het argument veiligheid. Uiteraard kan een school een jongere niet eerst toelaten tot de lessen om hem later alsnog te weigeren. Bovendien geldt de weigeringsgrond ‘veiligheid’ enkel in termen van de capaciteit van de school. Anderzijds kan men wel begrip opbrengen voor de school, hoewel ook de leerling recht heeft op onderwijs.
Na de paasvakantie krijgt een school zes aanvragen tot inschrijving van leerlingen die elders wegens tucht definitief zijn uitgesloten. De school schrijft de eerste vijf leerlingen in. Bij de zesde leerling geeft de school aan dat haar draagkracht wordt overschreden en ze weigert deze leerling in te schrijven. De commissie besluit - conform het decreet - dat het argument van de draagkracht enkel kan worden ingeroepen indien het een leerling betreft die doorverwezen werd naar het buitengewoon onderwijs. De weigering tot inschrijving wordt ongeldig verklaard. Men kan hier een aantal vragen bij stellen. Ten eerste tellen die zes leerlingen niet mee voor de financiering van de school voor het lopende schooljaar én het volgende schooljaar. Voor de financiering geldt immers het aantal leerlingen op 1 februari van het vorige schooljaar. Het is best mogelijk dat de draagkracht van een school werkelijk overschreden wordt als de school verschillende leerlingen moet inschrijven die elders worden uitgesloten. In feite heeft die school geen andere opties dan op haar beurt de procedure tot definitieve uitsluiting opstarten, indien de leerling moeilijkheden verkoopt. De vraag is uiteraard of we willen dat een groep ‘moeilijke’ leerlingen op basis van de tuchtprocedure van de ene school naar de andere versast wordt. Er is, bij mijn weten, geen wetenschappelijke informatie over de redenen waarom en de procedures die gevolgd worden bij het definitief uitsluiten van leerlingen. Het is dan ook moeilijk te beoordelen in welke mate die uitsluitingen terecht zijn.
Er zijn grote discussies geweest over de toepasbaarheid van het decreet Gelijke Onderwijskansen in het buitengewoon onderwijs. Feit is dat het decreet van toepassing is op het buitengewoon onderwijs. Vele ouders (en scholen) leken zich dat niet te realiseren. Een aantal centra voor buitengewoon onderwijs hebben zich gespecialiseerd in een bepaald type problematiek. Zij bieden aan kinderen met die problematiek lager en secundair buitengewoon onderwijs aan. Ouders gingen ervan uit dat leerlingen met een ernstige problematiek, die ingeschreven waren in het buitengewoon lager onderwijs, vanzelf konden doorstromen naar het buitengewoon secundair onderwijs van ‘dezelfde’ school. Als dan ‘plotseling’ een leerling zich komt aanbieden voor het secundair onderwijs in een dergelijk centrum kunnen kinderen die in het lager onderwijs van die school zitten ‘hun plaats verliezen’. Dit kan voor de betreffende ouders dramatisch zijn omdat het aantal plaatsen in de centra voor buitengewoon onderwijs beperkt zijn en er meestal ook geen verschillende centra dicht bij de woonplaats van de ouders ingeplant zijn. De commissie heeft hier, binnen de grenzen van de regelgeving, ‘een mouw aan weten te passen’. Men kan zich de vraag stellen of het een goede oplossing is voor alle partijen. Ten eerste stelt de commissie dat het decreet van toepassing is. Ten tweede bevestigt de commissie dat leerlingen die ingeschreven zijn in het lager onderwijs en willen doorstromen naar het secundair onderwijs in hetzelfde centrum of school, zich opnieuw moeten inschrijven. Ten derde wordt ervan uitgegaan dat het doorverwijzingattest een inschrijvingsvoorwaarde is. Een dergelijk attest wordt afgeleverd door het Centrum voor leerlingbegeleiding of door een geneesheer-specialist. De doorverwijzing wordt aldus gelijkgesteld aan bijv. de leeftijdsvoorwaarde om toegelaten te worden tot het kleuteronderwijs (2,5 jaar). Ten vierde stelt de commissie: ‘Dat een leerling echter pas moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden op het moment dat het recht op inschrijving wordt geëffectueerd [...]. Dat een schoolpraktijk er bijgevolg in kan bestaan gebruik te maken van een inschrijving onder opschortende voorwaarde [...]. Dat het ook in het buitengewoon secundair onderwijs een vaststaande bestuurspraktijk kan zijn of worden om te anticiperen op die attestering, maar tevens dat een inrichtende macht bij een goedgekeurd schoolreglement ook autonoom kan beslissen haar inschrijvingsbeleid daaraan aan te passen door onder meer te bepalen wanneer de inschrijvingsperiode aanvangt en eindigt, rekening houdend met de datum waarop het attest normaliter wordt afgeleverd.’4 Deze uitspraak betekent dat een school voor buitengewoon secundair onderwijs kinderen van bijv. 8 jaar zou kunnen inschrijven voor het schooljaar dat vier jaar later aanvangt, onder de opschortende voorwaarde van de juiste attesten. Op die manier wordt als het ware toch ‘een plaatsje gereserveerd’. Een school kan, volgens deze uitspraak, ook beslissen enkel in te schrijven tijdens bijv. de maand augustus, de hypothese aanhoudend dat leerlingen die zich tijdens het schooljaar wensen in te schrijven over het algemeen lastpakken zijn.
Eigenlijk stelt zich hier een echt politiek dilemma. Aan de ene kant is het niet verbazend dat ouders een stuk zekerheid willen over de inschrijving van hun kind. Dat geldt des te meer voor ouders van kinderen in het buitengewoon onderwijs die een erg beperkte schoolkeuze hebben. Aan de andere kant zijn er situaties waarin een jongere tijdens het schooljaar best van school verandert.5 Die jongere heeft uiteraard ook recht op onderwijs. Als de centra dan een ‘eigen leerlingen eerst’-politiek voeren, kan die jongere niet ingeschreven worden. Het is daarnaast ook te gek om los te lopen dat doorverwijzingsattesten zouden worden geschreven, niet op basis van de problematiek van de leerling maar op basis van de soort beschikbare plaatsen in de centra. Ik heb stellig de indruk dat dit soort ‘doorverwijzingen-op-maat’ worden gemaakt.
Door de uitspraken van de commissie inzake leerlingenrechten wordt een zekere jurisprudentie opgebouwd die de toepassing van het decreet gelijke onderwijskansen duidelijker maakt. De website van het Departement bevat een reeks vragen en antwoorden over de toepassing van het decreet. Verschillende van die vragen en antwoorden zijn rechtstreeks gebaseerd op uitspraken van de commissie. De klachten die bij de commissie komen maken tegelijkertijd ook duidelijk welke lacunes er in de regelgeving zijn. Zoals uit de voorbeelden blijkt kunnen er aan de andere kant ook vragen gesteld worden bij de uitspraken. De commissie kan niet anders dan zich houden aan de bestaande regelgeving en soms lijkt die regelgeving niet de best mogelijke.

De Commissie Zorgvuldig Bestuur

De Commissie inzake Leerlingenrechten is losjes gemodelleerd naar het voorbeeld van de Commissie Zorgvuldig Bestuur. Deze laatste werd opgericht door het Decreet betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek (13 juli 2001). Zij is de opvolger van de Commissie Laakbare Praktijken die werd opgericht door de schoolpactwet van 29 mei 1959. De Commissie Zorgvuldig Bestuur is bevoegd op het gebied van de kosteloosheid, sponsoring en reclame, handelsactiviteiten, politieke propaganda en oneerlijke concurrentie. Het belangrijkste verschil tussen de Commissie inzake Leerlingenrechten en de Commissie Zorgvuldig Bestuur is dat deze laatste wel degelijk sancties kan opleggen. Tegen die sancties is beroep mogelijk bij de Vlaamse Regering en daarna bij de gewone rechtbanken. De Commissie inzake Leerlingenrechten heeft een dergelijke sanctiebevoegdheid niet. Zoals uiteengezet heeft de Raad van State geoordeeld dat een sanctiebevoegdheid geven aan de Commissie Leerlingenrechten een aantasting zou zijn van de actieve onderwijsvrijheid. De bevoegdheidsdomeinen van de Commissie Zorgvuldig Bestuur daarentegen grijpen niet in op de onderwijsvrijheid. Ook in het geval van de Commissie Zorgvuldig Bestuur is duidelijk dat de opgebouwde jurisprudentie een zekere leidraad geeft aan de scholen en de ouders over wat kan en mag. Zeker in het geval van kosteloosheid is er een fijnmazig systeem uitgewerkt waarop kan worden teruggevallen.
Op 3 februari 2003 moest de Commissie Zorgvuldig Bestuur uitspraak doen over de vraag of een leerkracht - door de ouders vergoede - bijlessen mag geven aan een leerling in het basisonderwijs die leerachterstanden opgelopen had. De commissie oordeelde dat zulks niet kan. Als de bijlessen nodig zijn voor het bereiken van de eindtermen moeten die gratis zijn. Bijlessen in het kader van eindtermen en ontwikkelingsdoelen dienen gratis georganiseerd te worden door het schoolbestuur. Een school moet dus alle pedagogische activiteiten, noodzakelijk om de eindtermen te bereiken, kosteloos aanbieden. Zij mag zelfs haar gebouwen niet ter beschikking stellen van derden (geen personeel van de school) die er tegen betaling bijlessen geeft die noodzakelijk zijn voor het behalen van de eindtermen. Dat geldt niet voor ‘bijlessen’ die aanvullend zijn aan de eindtermen. Die pedagogische activiteiten zijn niet noodzakelijk voor het behalen van een eindterm. Het is toegelaten dat een leerkracht tegen betaling, buiten de gewone lesuren, in de gebouwen van de school lessen ‘schaken’ geeft. Voor dergelijke onderwijsactiviteiten geldt het principe van de kosteloosheid niet.
In haar Arrest van 6 oktober 2003 heeft de Commissie Zorgvuldig bestuur geoordeeld dat een lagere school geen bijdrage kan vragen voor fotokopieën die aan de leerlingen worden gegeven tijdens de lessen. De commissie oordeelde op 6 oktober 2003 ook dat een school de algemene kosten die gemaakt worden door de school niet kan doorrekenen aan de leerlingen. Het betreft hier bijv. de milieuheffingen en de reprobelbijdragen die de school moet betalen.
Er zijn grote verschillen tussen het basis- en het secundair onderwijs voor wat betreft de kosteloosheid. Dat heeft voornamelijk te maken met de regeling opgenomen in het Decreet Basisonderwijs van 27 februari 1997 waar de kosteloosheid gekoppeld wordt aan de eindtermen (artikel 27, §1). In een arrest van 2 juni 2003 heeft de Commissie Zorgvuldig Bestuur geoordeeld dat een secundaire school een bijdrage kan vragen voor allerlei kosten voor leermiddelen. Deze liepen in het concrete geval op tot 1.100 euro voor de studie tandtechniek. De commissie meende echter dat die kosten mogelijk zijn omwille van de vele labo-oefeningen met duur materiaal. De school in kwestie had een individuele fiche waarop aangeduid werd welke leerling welk materiaal gebruikte. Er was dus een individuele rekening en dus waren de bijdragen gerelateerd aan effectief voor de leerling gemaakte kosten.
Als de verschillende adviezen en arresten van de Commissie Zorgvuldig Bestuur naast elkaar worden gelegd, krijgt men duidelijkheid over hoe de kosteloosheid van het onderwijs moet worden geïnterpreteerd. Als men enkel voortgaat op de arresten van het Arbitragehof inzake kosteloosheid van het onderwijs, heeft men een minder duidelijk beeld. Aan de andere kant is ook duidelijk dat vele vragen van ouders m.b.t. de kosteloosheid niet tot bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur geraken en dat in vele scholen kosten worden doorgerekend waarvan de commissie reeds heeft gesteld dat ze niet conform de regelgeving zijn.

Bemiddeling en controle door gelijken

Zowel de Commissie inzake Leerlingenrechten als de Commissie Zorgvuldig Bestuur vervullen een uitermate belangrijke functie. Het inschrijvingsrecht en de kosteloosheid van het leerplichtonderwijs zijn relatief complex. Het lijkt uitermate moeilijk een regelgeving te ontwerpen die voor iedereen duidelijk is. Deze commissies hebben doorheen hun uitspraken een zekere jurisprudentie ontwikkeld waarop kan teruggevallen worden. Voor de beide commissies heeft het Departement Onderwijs ook een website gemaakt met een ‘FAQ-sectie’. Door de veel gestelde vragen en antwoorden te lezen hebben ouders en scholen een stevig houvast.
De beide commissies hebben een zeer lage drempel. Het is niet nodig een advocaat mee te brengen naar de zittingen. De klachten moeten niet ingediend worden met fiscale zegels en de procedures zijn niet ingewikkeld. Op een betere bekendmaking na, lijkt het moeilijk systemen te ontwikkelen die een nog lagere drempel hebben.
Desalniettemin ben ik ervan overtuigd dat er vele klachten en vragen niet tot bij de commissies komen. Bij de Commissie inzake Leerlingenrechten betreft het bijna altijd klachten die te maken hebben met het begin van een relatie tussen ouder, leerling en een nieuwe school. Het schrikt ouders ongetwijfeld af naar de commissie te stappen om klacht neer te leggen tegen mensen waaraan ze achteraf hun kind willen toevertrouwen. Dit soort systemen, waarin burgers moeten opkomen voor hun rechten, heeft altijd het mogelijke nadeel van sociale vertekening. Geïnformeerde burgers vinden sneller hun weg dan ouders die niet zo goed weten hoe de regelgeving in elkaar zit.
In zijn toespraak van 11 januari 2005 voor de Universiteit Antwerpen opent de huidige Minister van onderwijs een andere mogelijke piste: ‘Wat het inschrijvingsluik betreft, ben ik van plan om vanaf het schooljaar 2006-2007 met een aangepast inschrijvingsbeleid van start te gaan. Sommige maatregelen zullen meteen overal worden ingevoerd. Voor andere overweeg ik met proeftuinen te werken. Ik kijk hiervoor in de eerste plaats naar Antwerpen. Niet alleen omdat hier de grootstedelijke problematiek zeer specifiek is, maar vooral omdat Antwerpen, zoals al gezegd, vandaag een belangrijk sturingsinstrument in handen heeft, met name de Databank Sociale Planning. Het karakter van het inschrijvingsrecht, de relatie ervan tot de draagkracht van een school, de controle op de scholen die hun verantwoordelijkheid niet wensen te nemen, de vragen over relatieve aanwezigheidspercentages en mogelijkheden voor doorverwijzing, dat alles zou lokaal kunnen worden beheerd met behulp van gegevens die men uit zo’n databank weet te halen. In ieder geval engageer ik me om op korte termijn deze piste te onderzoeken.’
Het gebruik van de Databank Sociale Planning maakt het mogelijk dat directies van scholen gedeeltelijk worden gecontroleerd door hun collega’s. Dat heeft het enorme voordeel dat ouders misschien minder naar een commissie of rechtbank zullen moeten stappen om hun recht af te dwingen. Op basis van dit soort databanken kan effectief worden nagegaan hoe scholen hun inschrijvingsbeleid voeren, of ze vaak leerlingen definitief uitsluiten en in welke mate ze bijv. attestering gebruiken om hun schoolpopulatie te sturen. De confrontatie met hun collega’s in het lokaal overlegplatform zal wellicht leiden tot een homogener beleid door de scholen.
Er kleven ook nadelen aan een dergelijk systeem. In de mate dat deze systemen lokaal zijn, is de kans groter op een divers beleid in de verschillende steden en regio’s maar misschien is dat ook wenselijk voor sommige problematieken. Dergelijke controles zijn per definitie post hoc. Men presenteert de rekening achteraf. Dat is ook de manier waarop de onderwijsinspectie werkt maar het is verschillend van de manier waarop de commissies vandaag werken. De commissies corrigeren de scholen en cours de route. Het is veel moeilijker op basis van deze databanken individuele onrechtvaardigheden recht te zetten. De concrete leerling die onterecht geweigerd wordt in een school krijgt geen genoegdoening door een statistische controle op het aantal leerlingen uit etnische minderheidsgroepen. Zelfs niet als aan die controle een financieringsmodel vasthangt.
Denkelijk moeten de beide systemen samen worden gehanteerd. De controle door gelijken moet zeker worden versterkt. Wellicht is dat mogelijk op basis van het Antwerps model van een Databank Sociale Planning. Daarnaast moet er ruimte blijven voor een commissie waar ouders terecht kunnen met hun individuele grieven. Misschien moeten die commissies wat bijgestuurd worden. In het geval van de Commissie inzake Leerlingenrechten is door de Raad van State zeer duidelijk gemaakt dat het geen rechtbank is. Dat moet ook duidelijker gecommuniceerd worden. Misschien moet vooral het bemiddelend karakter van de commissie benadrukt worden. Daarmee is niet gezegd dat er geen kleine stok achter de deur mag zijn, zoals de bevoegdheid de Minister te adviseren werkings­middelen terug te vorderen. Bemiddeling gaat wellicht beter als er een beetje druk is.

Koen Pelleriaux
Docent onderwijs- en cultuursociologie (Universiteit Antwerpen)Plaatsvervangend lid van de Commissie Leerlingenrechten

Noten
1/ Artikel IV.8, §1 van het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I.
2/ Advies van de Raad van State, Afdeling Wetgeving 33.027/1 van 19 februari 2002, zie Parlementaire Stukken Vlaams Parlement 2001-2002, nr. 1143/1, 139-140.
3/ Zie het arrest van de Raad van State, Afdeling Administratie nr. 130.168 van 6 april 2004 in de zaak Lefebvre versus de Vlaamse Gemeenschap.
4/ Uitspraak 2004-01 van de Commissie inzake Leerlingenrechten. Deze uitspraak is terug te vinden op
http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/uitspraken-SO-2004.htm.
5/ Zo is het denkbaar dat een jongere enige tijd in een gesloten instelling heeft verbleven omwille van een als misdaad omschreven feit in zijn vroegere school en zich wil inschrijven in opleidingsvorm III van het buitengewoon onderwijs met een doorverwijzing wegens karakterstoornis.

onderwijs - gelijke kansen

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 39 tot 45