Log in

Na de loopbaan heeft iedereen recht op een goed (aanvullend) pensioen

De beginselverklaring van de sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 19 tot 22

De zorg voor de oude dag is altijd een socialistische bekommernis geweest. Dat een sp.a beginselverklaring een ambitieus hoofdstuk over pensioenen bevat, mag geen verwondering wekken. Traditioneel vinden we hierin een verhoging van de pensioenen, een verbetering van de minimumuitkeringen en de aanpassing ervan aan de welvaart terug. Deze elementen mochten in de nieuwe beginselverklaring niet ontbreken, wat wij als ABVV uiteraard weten te appreciëren. De beginselverklaring bevat echter ook een paragraaf over aanvullende pensioenen. Voor zover we weten, is dat de eerste keer dat een sp.a-tekst zo’n belangstelling toont voor aanvullende pensioenen.

DE BEGINSELVERKLARING VAN DE SP.A

Werk: Denemarken achterna?
Jean-Marie De Baene
Na de loopbaan heeft iedereen recht op een goed (aanvullend) pensioen
Isabelle Van Hiel
Het gezondheids(zorg)beleid: anders? Of meer van hetzelfde?
Jan De Maeseneer
Een ode aan de diversiteit?
Bob Van den Broeck

De basisgedachte van hoofdstuk 2.13 van de beginselverklaring - ‘na de loopbaan heeft iedereen recht op een goed pensioen’ - is de verhoging van de pensioenen tot 70% van het gemiddelde loon van de laatste 5 jaar tewerkstelling. Bij de berekening ervan zal rekening worden gehouden met de hele loopbaan en met de noodzakelijke gelijkstellingen voor periodes zonder werk. Prioritair zal worden gestreefd om deze doelstelling te bereiken voor de groep met lage inkomens. Het individueel pensioen zal bestaan uit een wettelijk pensioen en een aanvullend pensioen. Hier wordt aan toegevoegd dat het cruciaal is dat zoveel mogelijk mensen een aanvullend pensioen krijgen. Tevens moet worden gezorgd voor de welvaartsvastmaking van de uitkeringen.

Als sp.a de pensioenen wil verhogen, kunnen we dat alleen maar toejuichen. De Belgische pensioenen behoren tot de laagste in Europa. In weinig andere landen is het verschil tussen het pensioen en het laatste loon zo groot als in ons land. Over de vraag hoeveel de verhoging moet bedragen en hoe ze moet worden gerealiseerd, kan echter worden gediscussieerd.
Dat de beginselverklaring in het hoofdstuk ‘Pensioenen’ ook aandacht besteedt aan aanvullende pensioenen, mag verrassend worden genoemd. Het betekent het aanvaarden van het aanvullend pensioen als aanvullend, maar wezenlijk onderdeel van het pensioen.
Het is evenwel niet zo duidelijk welke plaats we aan dit pensioen moeten toekennen. Wil sp.a de pensioenen verbeteren door de aanvullende pensioenen aan te moedigen? En, als dit inderdaad het geval zou zijn, over welk soort aanvullende pensioenen spreken we dan? Gaat het om de aanvullende pensioenen die worden opgebouwd via de werkgever of de sector (de zogenaamde ‘tweede pijler’)? Of gaat het om het louter individuele pensioensparen bij een bank of verzekeringsmaatschappij (de zogenaamde ‘derde pijler’)?

Het ABVV heeft altijd bedenkingen gehad bij de uitbouw van aanvullende pensioenen. Hoewel we constructief meewerken aan een goede omkadering van de tweede pijler, zijn onze twijfels niet weggewerkt. Er blijven voldoende redenen om prioritair een verbetering van het wettelijk pensioen te blijven verdedigen, en niet te veel vertrouwen te geven aan de tweede pijler, laat staan aan de derde pijler. Ten opzichte van het wettelijk pensioen hebben beide systemen immers heel wat nadelen. Hoewel we ook onze reserves hebben bij de tweede pijler, verkiezen we die boven de derde pijler. Zoals uit de verdere bespreking mag blijken, kan de tweede pijler een nuttige aanvulling zijn bij het wettelijk pensioen, mits er enkele correcties aan gebeuren. Voor de derde pijler is dat veel minder het geval. De middelen besteed aan de derde pijler worden, wat ons betreft, beter geïnvesteerd in de uitbouw van een betere tweede pijler.

Opletten met aanvullende pensioenen

Een aantal argumenten ondersteunen onze stelling dat het wettelijk pensioen de basis moet blijven van de sociale bescherming van onze gepensioneerden.

Aanvullende pensioenen steunen op een andere filosofie dan wettelijke pensioenen. In plaats van een min of meer egalitair pensioen te willen garanderen aan iedereen, garanderen ze een hoger pensioen aan degenen die bijdragen betalen of waarvoor bijdragen worden betaald. In aanvullende pensioenen is het solidariteitsaspect veel minder belangrijk. Ze zijn eigenlijk niet veel meer dan een spaarrekening, zij het vaak met een gegarandeerde prestatie of rendement. Er worden in principe alleen rechten toegekend voor periodes waarin bijdragen werden betaald. Bovendien werken ze op basis van kapitalisatie, in plaats van repartitie.
De erkenning van de tweede en derde pijler als onderdeel van het pensioen zou kunnen worden beschouwd als een sluimerende privatisering. Een overheidsopdracht, zoals het voorzien van een inkomen bij pensionering, wordt niet meer volledig uitgevoerd door een overheidsinstantie. Belangrijke aspecten van deze opdracht worden overgedragen aan privé-verzekeraars, met commerciële belangen. Deze kritiek gaat minder op wanneer deze taak niet wordt toevertrouwd aan privé-verzekeraars, maar aan organismen die worden beheerd door de sociale partners. In deze optiek zijn aanvullende pensioenen veel meer aanvaardbaar wanneer het gaat om paritair beheerde fondsen, zoals sectorfondsen.
Niet alleen de commerciële belangen van de privé-verzekeraars boezemen ons angst in. Door de techniciteit van de verzekeringswetgeving bevinden de aangeslotenen zich in een zwakkere positie. De verzekeringssector werkt volgens eigen regels, die vaak onbegrijpelijk zijn voor de aangeslotenen. Wie zelf geen specialist is, dreigt gemakkelijk onder de voet te worden gelopen door de experts van de verzekeringsmaatschappijen. Denken we alleen maar aan het pensioenreglement of de pensioenfiche, die vaak zo ingewikkeld zijn dat de hulp van een actuaris nodig is om ze te kunnen lezen.
In de tweede pijler wordt de zwakkere positie van de aangeslotene nog versterkt door de vrij beperkte inspraakmogelijkheden. Al moeten we toegeven dat op dit punt reeds een grote vooruitgang werd geboekt. De wetgeving op de aanvullende pensioenen voorziet immers in een verplichting om de overlegorganen te betrekken bij belangrijke beslissingen. Dit advies is echter niet bindend. In bepaalde gevallen bestaat er ook een verplichting om het pensioenplan in te voeren, te wijzigen of op te heffen via een CAO of een wijziging van het arbeidsreglement. Soms moet het plan paritair worden beheerd. Helaas zijn er heel wat situaties waarin de werkgever alleen kan beslissen. Bovendien laat de wetgeving de werkgever ‘ontsnappingsmogelijkheden’, zoals het opstarten van een plan zonder werknemersbijdrage of het maken van een plan dat niet op alle categorieën van werknemers van toepassing is.

Op de werkvloer zelf wordt dit gebrek aan inspraak duidelijk ervaren. Uit een interne ABVV-enquête, die plaatsvond in de periode oktober-november 2006, blijkt dat heel wat afgevaardigden niet het gevoel hebben echt te worden betrokken. In al deze gevallen ging het om groepsverzekeringen. Daarbij is er geen verplichting tot paritair beheer, maar moet er slechts een toezichtscomité worden opgericht.
Het gebrek aan inspraak wordt nog versterkt door de professionalisering van de sector. Vooral sectorfondsen dreigen hierdoor in moeilijkheden te komen. Sinds 2003 mogen zij niet langer worden opgericht als een fonds voor bestaanszekerheid. Ze worden onderworpen aan dezelfde strenge regels als commerciële fondsen, bijvoorbeeld wat betreft de solvabiliteit en het beheer. Ook aan hun bestuurders worden meer en meer eisen gesteld. Het gevolg is dat er nog weinig ‘echte’ sectorfondsen zijn. Werkgevers en -nemers durven het immers niet meer aan om zelf het volledige beheer in handen te nemen.

Een andere reden waarom het ABVV geen voorstander is van aanvullende pensioenen, is dat deze de ongelijkheid tussen de gepensioneerden doen toenemen. Zoals ook de sp.a beginselverklaring erkent, is de democratisering van de tweede pijler nog lang geen realiteit. In de tweede pijler bestaan grote verschillen tussen ondernemingen, sectoren en categorieën van werknemers. Hoewel de situatie langzaam verbetert (onder meer door de opkomst van de sectorfondsen), komen aanvullende pensioenen nog steeds meer voor bij grotere ondernemingen en in betere sectoren. Bedienden en kaderleden hebben meer kans op een tweede pijler dan arbeiders. Mannen hebben vaker een aanvullend pensioen dan vrouwen.1

De ongelijkheid die er bestaat bij de toegang tot de tweede pijler wordt nog versterkt via de derde pijler. Uit een studie blijkt dat de derde pijler niet wordt gebruikt door wie geen toegang heeft tot de tweede pijler.2 Het zijn vooral mensen die een tweede pijler hebben, die ook sparen in de derde pijler. Vaak gaat het om mensen uit de hogere inkomensklassen, namelijk zij die ook de hoogste wettelijke pensioenen hebben.

Een laatste reden waarom het ABVV de wettelijke pensioenen blijft verdedigen, is dat deze steeds voorzien in gelijkgestelde perioden. In de tweede en derde pijler zijn dergelijke uitingen van solidariteit bijna onbestaande. Daar is het ieder voor zich. Wie door bepaalde omstandigheden geen bijdragen kan betalen, bouwt voor deze periodes geen pensioenrechten op. Dit is vooral nadelig voor deeltijdse werknemers en voor werknemers die al dan niet vrijwillig hun loopbaan onderbreken (bijvoorbeeld bij tijdskrediet, tijdelijke werkloosheid, opeenvolgende contracten van bepaalde duur die worden onderbroken door periodes van werkloosheid).3
In de tweede pijler bestaat er wel de mogelijkheid voor de werkgever of de sector om een sociaal pensioenplan op te starten. In dergelijk plan moet verplicht een beperkt aantal solidariteitsprestaties worden aangeboden. De keuze voor een sociaal pensioenplan is echter geen verplichting. Bovendien maken de strenge voorwaarden ze weinig aantrekkelijk.

Conclusie

We kunnen besluiten dat het ABVV de ambitie om de pensioenen te verhogen zeker niet ongenegen is. Integendeel, op dit punt bestaat er geen onenigheid tussen sp.a en het ABVV. Over de manier waarop deze verhoging moet gebeuren, zijn wij op het eerste gezicht wel iets kritischer. Als we mogen kiezen, geven we de voorrang aan een verhoging van het wettelijk pensioen. We denken immers dat alleen de wettelijke pensioenen aan alle voorwaarden voldoen voor een solidaire voorziening. Toch zijn we geen fanatieke tegenstanders van aanvullende pensioenen. Mits een aantal voorwaarden, kunnen deze aanvullende pensioenen een welgekomen aanvulling bij het wettelijk pensioen zijn.
De eerste vereiste hiervoor is dat de derde pijler wordt afgebouwd ten voordele van de tweede pijler. Binnen de tweede pijler moet de positie van de aangeslotenen worden verstrekt. Via hun vakbonden moeten de aangeslotenen effectief worden betrokken bij het beheer van het aanvullend pensioenstelsel. Ze moeten ook beter worden geïnformeerd over hun rechten. De opstelling van een model van pensioenfiche zou alvast een stap in de goede richting zijn.
Daarnaast moet werk worden gemaakt van een versterking van de solidariteit binnen de tweede pijler. Als het aanvullend pensioen deel gaat uitmaken van het pensioen, volstaat het niet om te zeggen dat zoveel mogelijk mensen recht moeten hebben op een aanvullend pensioen. In dat geval moet het aanvullend pensioen voor iedereen beschikbaar zijn. Dit veronderstelt dat de werkgevers de mogelijkheid wordt ontnomen om bepaalde categorieën van hun personeel uit te sluiten. Bovendien is er een initiatief nodig voor de werknemers in kleine ondernemingen en in slecht betaalde sectoren.
Ten slotte zou de wetgever de verplichting moeten opleggen om in alle pensioenplannen minimale solidariteitsprestaties te voorzien.
Het mag geen toeval zijn dat veel van deze voorwaarden nu reeds vervuld zijn bij sectorpensioenen. De uitbouw van een sociale tweede pijler gaat in de eerste plaats over de uitbouw van de sectorpensioenen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het ABVV alleen dit soort tweede pijler wil verdedigen. De vermelding in de beginselverklaring dat het wettelijk pensioen de basis vormt van elk goed en rechtvaardig pensioenstelsel en dat het cruciaal is dat zoveel mogelijk mensen een aanvullend pensioen krijgen, doet alvast vermoeden dat sp.a onze bekommernissen deelt.

Isabelle Van Hiel
Adviseur Federale Studiedienst ABVV

Noten
1/ Dit werd recent nog bevestigd door een in opdracht van het ABVV gemaakte studie van Pauwels F. en Vandenbrande T. (24 juli 2006) Een appel voor de dorst (van mannen), HIVA, op basis van de gegevens van de enquête ‘Mijn Loon -Loonwijzer’.
2/ Peeters H., Verschraegen G., Debels A., Brosens G., Van Gestel V. en Berghman J.(2005) Pensioenen en arbeidsmarktflexibiliteit, Gent, Academia Press.
3/ Ibid.

pensioen - pensioensparen - sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 19 tot 22