Abonneer Log in

De olieprijsschok van 2011: voorbode van wat komen zal

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 23 tot 30

De internationale olieprijzen staan sinds enkele maanden weer op recordhoogtes, en dat voelt u aan uw energiefactuur en aan de benzine- en dieselprijzen die u betaalt aan de pomp. Verontrustend is dat de oorzaken van de hoge olieprijzen veel dieper reiken dan de huidige politieke onrust in het Midden-Oosten. In deze bijdrage leg ik uit waarom, en wat we er wel en niet aan kunnen doen.

ONRUST IN DE ARABISCHE WERELD

Na een korte dip in 2009 staat de mondiale olieprijs in 2011 weer op een historisch hoog niveau van meer dan 100 dollar per vat (159 liter). Figuur 1 geeft de evolutie weer van de dagelijkse prijs van een vat ruwe Noordzeeolie tussen januari 2001 en april 2011. De prijs van zo’n vat Brent-olie wordt als referentie gebruikt voor ongeveer twee derde van alle internationaal verhandelde aardolie.

Figuur 1: Evolutie van de wereldolieprijs 2001-2011.
Bron: Amerikaans Ministerie van Energie, april 2011.

Vaak wordt aangenomen dat de oorzaak voor de huidige hoge olieprijzen te vinden is bij de Arabische revoltes, die het olierijke Midden-Oosten en Noord-Afrika in rep en roer zetten. Vooral de onrust in Libië en Bahrein baart de internationale markten zorgen. Libië is een lid van OPEC en stond tot voor kort in voor een dagelijkse productie van ongeveer 1,6 miljoen vaten ruwe aardolie. Dat komt overeen met zo’n 2 procent van de dagelijkse wereldproductie van olie. Dat aandeel lijkt misschien niet zo groot, maar toch is de Libische aardolie een belangrijke factor op de wereldoliemarkten omwille van zijn hoogwaardige kwaliteit. De aardolie die in Libië wordt opgepompt, is namelijk zogenaamde ‘zoete’ of zwavelarme aardolie. Veel (verouderde) Europese raffinaderijen kunnen enkel zo’n type olie verwerken tot hoogwaardige brandstoffen, zoals diesel of kerosine.

Bahrein is een veel kleinere producent van aardolie maar heeft een belangrijke strategische ligging in de Perzische Golf. Er wordt gevreesd dat de protesten van de overwegend sjiitische bevolking in de kleine Golfstaat zouden overwaaien naar het naburige Saoedi-Arabië. De oostelijke provincies van het Saoedische koninkrijk bevatten immers niet alleen de belangrijkste olievelden van het land, maar ook het gros van zijn sjiitische bevolking die al jaren door een soennitisch regime wordt bestuurd. Saoedi-Arabië wordt beschouwd als de ‘centrale bank’ voor de mondiale oliemarkten omdat het als enige OPEC-land over de capaciteit beschikt om zijn productie op korte termijn met enkele miljoenen vaten op te krikken om eventuele tekorten op te vangen. Het heeft deze rol trouwens weer vervuld toen de Libische productie enkele weken geleden sterk terugviel.

Als de vonk van de revoluties zou overwaaien naar Saoedi-Arabië en de olieproductie in het land zou verstoren, dan zit de wereldeconomie dus met een groot probleem. Vroeger werd het Perzische koninkrijk steevast beschouwd als een baken van stabiliteit, maar door de recente gebeurtenissen lijken er in het Midden-Oosten geen zekerheden meer te zijn. Wie had immers een jaar geleden de val van Ben Ali en Moebarak durven voorspellen? Of de opstand en oorlog tegen de Libische leider Kadhafi? De onzekerheid over de politieke richting van de Arabische wereld en het toekomstige investeringsklimaat in de regio voedt de stijging in de olieprijzen méér dan het wegvallen van een deel van de Libische olieproductie. De onlusten roepen bij veel oliehandelaars immers het spookbeeld op van de roerige jaren 1970, wanneer eerst het Arabische olie-embargo en vervolgens de Islamitische Revolutie in Iran de olieprijzen naar (toen) ongekende hoogten stuwden.

In werkelijkheid hebben de hoge olieprijzen van vandaag echter minder te maken met de recente gebeurtenissen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika dan de meeste mensen denken. Voor het grootste deel kunnen de hoge olieprijzen worden verklaard door de meest eenvoudige economische wetmatigheid die er bestaat: de wet van vraag en aanbod. Zelfs voordat de Tunesische marktkramer Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak op 17 december 2010, en hiermee de golf van Arabische protesten inleidde, stonden de olieprijzen al op een historisch hoog niveau van ongeveer 90 dollar per vat. Dat had niets te maken met onrust in het Midden-Oosten. Het was, en is, een gevolg van structurele verschuivingen in het mondiale energielandschap. Door de economische crisis van 2008-2009 raakten deze structurele trends even ondergesneeuwd, maar vandaag laten ze zich opnieuw stevig gelden. In deze bijdrage zal ik deze mondiale langetermijntrends op vlak van energie schetsen en een blik werpen op mogelijke oplossingen.

EXPLODERENDE ENERGIEHONGER

De belangrijkste oorzaak voor de stijging in de olieprijzen over de laatste achttien maanden is, meer dan wat ook, de groeiende vraag naar aardolie. We consumeren nu wereldwijd bijna 4,5 miljoen vaten olie per dag meer dan op het (voorlopige) dieptepunt van de economische recessie in het tweede kwartaal van 2009. Die stijging in de vraag is het gevolg van het economisch herstel, in het bijzonder in groeilanden als China en India. Dit is ook de trend die zich over een langere periode uittekent. Door de gestage economische opmars van een aantal niet-westerse landen neemt de wereldwijde vraag naar olie, en naar energiebronnen in het algemeen, al jaren toe.

Volgens de laatste prognoses van het Internationaal Energieagentschap (IEA)1 in Parijs zal de wereldwijde energievraag, bij ongewijzigd beleid, in de komende kwarteeuw stijgen met 46 procent. Dat wil zeggen dat, in vergelijking met vandaag, onze planeet in 2035 de helft meer steenkool, aardolie, aardgas, kernenergie, windenergie, enzovoort zal consumeren. Het IEA heeft ook nog een alternatief scenario dat ervan uitgaat dat overheden wereldwijd hun klimaatbeloftes nakomen en energiebesparende maatregelen nemen. Volgens dat alternatieve script zal de stijging in de wereldwijde energievraag tussen nu en 2035 ‘beperkt’ blijven tot zo’n 36 procent. Met andere woorden, volgens dit scenario hebben we binnen minder dan 25 jaar niet de helft meer aardolie nodig om onze behoeften te voldoen, maar ‘slechts’ een derde meer. Wetende dat we vandaag reeds meer dan 83 miljoen vaten olie per dag consumeren, is de vraag uiteraard of we dit productieniveau ooit gaan halen, maar daar kom ik later op terug.

Het overgrote deel van de stijging in de energievraag is, zoals gezegd, het gevolg van de economische opmars van een aantal niet-westerse landen, vooral in Azië. Maar ook de olieproducerende landen, vooral in Midden-Oosten, beginnen meer olie te consumeren waardoor er minder olie beschikbaar is voor de export. Vaststaat dat het zwaartepunt in de oliemarkten langzaam maar zeker wegschuift van de OESO-wereld. De verwachte olievraag van westerse landen loopt zelfs een beetje terug tussen nu en 2035. Van alle opkomende landen steekt China er met kop en schouders bovenuit. Vorig jaar stak China de Verenigde Staten voorbij als ’s werelds grootste energieverbruiker, daar waar het tien jaar eerder nog maar de helft zoveel energie verbruikte als de VS. Voor alle duidelijkheid, als je kijkt naar het energieverbruik per hoofd van de bevolking dan staan de VS wel nog (ruim) op kop.

Het stijgende energieverbruik in niet-westerse landen is in principe goed nieuws. Het weerspiegelt de economische ontwikkeling van deze landen, die al miljoenen mensen uit de armoede heeft getild. In landen als China, India, Brazilië en Vietnam ontstaat er geleidelijk aan een middenklasse die de moderne levensstijl en het comfort uit de westerse wereld wil kopiëren. De energie-intensiteit van de economische groei in deze landen is echter veel groter dan bij ons. Bovendien zijn veel van de groeilanden sterker afhankelijk van fossiele brandstoffen, in het bijzonder steenkool, dan westerse landen. Aangezien wij in het Westen al decennia lang onze economieën op precies dezelfde koolstofintensieve leest hebben geschoeid, zijn wij de laatsten die de groeilanden het recht mogen ontzeggen om hetzelfde te doen. Ook wordt vaak vergeten dat veel van de ginds geproduceerde goederen worden geëxporteerd naar westerse markten, die dus voor een groot deel medeverantwoordelijk zijn voor de bijhorende emissies.

De enorme toename in de vraag naar energie zal de mondiale energiemix wellicht niet grondig wijzigen. Vandaag halen we wereldwijd meer dan 80 procent van onze energie uit vervuilende en schaarse ‘fossiele brandstoffen’, dat wil zeggen aardolie, steenkool en aardgas. Tenzij we het roer radicaal omgooien zal dat aandeel volgens het IEA in 2035 nog grotendeels hetzelfde zijn. Let wel, ook al blijft het relatieve aandeel vrij constant, het totale verbruik van olie, kolen en gas zal wel zijn toegenomen gezien de stijgende vraag.

Opvallend is dat, van alle fossiele brandstoffen, het steenkoolverbruik het sterkste stijgt. De snelst groeiende economieën van de wereld, China en India, drijven hun industrialisatie aan met goedkope, onmiddellijk beschikbare steenkool. China haalt driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool, India 70 procent. De voornaamste verklaring voor de populariteit van steenkool is dat de voorraden overvloedig zijn, vrij goedkoop en relatief gelijk verspreid over de wereld. Er is bovendien geen ‘steenkool-OPEC’ om het aanbod te beperken. In tegenstelling tot de situatie op de olie- en gasmarkten zijn de grootste steenkoolproducenten - China, VS en India - tegelijk ook de grootste consumenten. De kans is groot dat de eerste helft van de eenentwintigste eeuw opnieuw een gouden tijdperk voor steenkool wordt. Het grote probleem is dat de verbranding van steenkool en andere fossiele brandstoffen de hoofdoorzaak is van de opwarming van de aarde. De energiesector is verantwoordelijk voor niet minder dan 65 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen.

KRAPTE IN HET AANBOD

Los van hun vervuilende karakter hebben de fossiele brandstoffen waarvan we met zijn allen zo afhankelijk zijn nog een kenmerk gemeen: hun voorraden zijn eindig. Dat geldt trouwens ook voor de nucleaire brandstoffen. Daarover is iedereen het eens. Binnen welke tijdshorizon deze voorraden zullen zijn uitgeput, daarover lopen de meningen dan weer fel uiteen. Een eenvoudige maatstaf die in de olie-industrie vaak wordt gehanteerd, is de zogenaamde ‘R/P’ ratio. Dit is de totale hoeveelheid gekende reserves (R), gedeeld door het huidige productieniveau (P), wat een indicator oplevert van hoelang de voorraden nog zullen meegaan als het huidige productieniveau aangehouden blijft. Het Britse olieconcern BP schat dat we, tegen het huidige verbruikstempo, nog olie hebben voor 45 jaar, aardgas voor 62 jaar en steenkool voor 119 jaar.2

Deze R/P indicator is echter heel misleidend omdat hij geen rekening houdt met fluctuaties in vraag en aanbod. De wereldwijde energiehonger neemt explosief toe, zoals ik net heb geschetst, dus het idee van een gelijkblijvend productieniveau klinkt absurd. Aan de aanbodzijde is er evenmin sprake van lineariteit aangezien de technologische en economische omstandigheden voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Ter illustratie, in 1980 stond de R/P ratio van ruwe aardolie op 30 jaar. Vandaag, dertig jaar later, staat de teller op 40 jaar.3 Deze maatstaf dient dus steeds met een korrel zout te worden genomen.

Een nog belangrijkere reden om de R/P ratio niet te hanteren is dat de productie in olievelden niet verloopt op een constant niveau tot op het moment dat de laatste druppel is opgepompt. Zoals de Amerikaanse geoloog King Hubbert in de jaren 1950 aantoonde, lijkt het productieverloop eerder op een normale verdeling of gausscurve. Wanneer een olieput wordt aangeboord, stijgt de productie eerst heel snel, omdat er veel druk op de olie zit. Naarmate de druk vermindert, neemt de productiegroei geleidelijk aan af en bereikt de curve haar hoogtepunt, dat wil zeggen dat op dit punt de olieproductie piekt. Na deze piek gaat de productie over in een langzaam, maar terminaal verval. Deze Hubbert-curve is van toepassing op individuele olie- en gasvelden, maar ook op de olieproductie van een heel land en bij uitbreiding de wereld.

Het interessante aan dit peak oil-concept is dat het de aandacht verlegt van het moment waarop de olie op is naar het moment waarop de productie zal pieken. Dat zijn twee verschillende zaken. Immers, wanneer de wereld de piek of het productieplafond voor fossiele brandstoffen bereikt dan wil dat zeggen dat de helft van alle voorraden is opgebruikt, terwijl de andere helft nog onder de grond zit. Vanaf dat moment zal de schaarste zich laten voelen en kan men ook verwachten dat de prijzen sterk zullen stijgen. De hamvraag blijft natuurlijk wanneer we deze piek zullen bereiken. Volgens sommigen ligt de oliepiek al achter ons, anderen beweren dan weer dat we de piek pas binnen enkele decennia zullen bereiken. Het IEA, dat doorgaans als een zeer conservatieve instelling wordt beschouwd, verwacht dat de conventionele olieproductie zal pieken in 2020. Dat is binnen minder dan 9 jaar. Volgens een recent artikel in Science heeft de conventionele olieproductie in niet-OPEC landen gepiekt in 2004. Dat betekent dat enkel OPEC nog de productie kan opdrijven. Het artikel besluit: ‘Perhaps the most sobering outcome of a non-OPEC plateau might be reminding everyone that even planet-scale resources have their limits. And that when you are consuming them at close to 1000 gallons a second, the limits can catch you unaware’.4

Feit is in elk geval dat, sinds de jaren 1980, de hoeveelheid olie die jaarlijks wordt geconsumeerd groter is dan de hoeveelheid nieuwe olie die wordt gevonden. Sterker nog, vandaag komt zo’n 80 procent van de mondiale olieproductie uit olievelden die voor 1973 werden ontdekt. De productie in de meeste van deze velden is al jaren sterk aan het teruglopen. In 2008 deed het IEA een grootschalig onderzoek naar het productieverloop in de 800 grootste olievelden ter wereld. De conclusie was dat de olieproductie in deze grote en oude velden sterker terugviel dan voordien werd gedacht.

De resterende olie- en gasvelden zijn terug te vinden in een geografisch beperkt gebied, dat zich uitstrekt van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, over het Kaspische Zeegebied en Centraal-Azië tot Siberië. Deze zone, die soms ook de ‘strategische ellips’ wordt genoemd, bevat ongeveer 70 procent van de mondiale olie- en gasvoorraden. De olie- en aardgasproductie buiten dit gebied loopt sterk terug, waardoor steeds meer landen afhankelijk worden van een steeds kleinere groep producenten. Wat veel consumentenlanden zorgen baart is dat deze producentenlanden niet altijd toonbeelden zijn van stabiliteit, democratie, de rechtstaat, goed bestuur en respect voor mensenrechten. Westerse regeringen zullen dus in de toekomst vaker voor het dilemma worden geplaatst of ze kiezen voor de behartiging van hun oliebelangen of de verdediging van hun waarden met het risico dat andere landen de oliecontracten voor hun neus wegkapen.

GOEDE EN SLECHTE REMEDIES

Dit overzicht van de mondiale langetermijntrends op energievlak toont duidelijk aan dat een business-as-usual scenario niet houdbaar is. De olieprijzen zijn hoog omwille van structurele factoren aan vraag- en aanbodzijde. Kunnen we iets doen aan die hoge olieprijzen of blijft de Belgische economie, en dus uw welvaart, een speelbal van de internationale oliemarkten?

Welke beleid een gepast antwoord biedt op de olieproblematiek hangt af van wat er gedefinieerd wordt als het probleem. Dat klinkt op het eerste zicht evident, maar is het niet. Vormen de hoge olieprijzen het probleem, bijvoorbeeld omdat ze leiden tot inflatie? Of zijn zij juist een zegen, bijvoorbeeld voor het klimaat? Moeten we in de eerste plaats onze afhankelijkheid van olie-importen uit het turbulente Midden-Oosten verminderen? Of moeten we onze hele afhankelijkheid van olie verminderen? Los van hoe we de energieproblematiek aanpakken is er dus al een grote onenigheid over wat het probleem juist is.

Daarnaast worden vaak de verkeerde beleidsinstrumenten naar voor geschoven. De lidstaten van het IEA, waaronder ook België, beschikken over strategische noodvoorraden van ruwe aardolie en aardolieproducten die op de markt kunnen worden losgelaten als er tekorten zijn. Dat systeem is in het verleden al twee keer geactiveerd: na de eerste Golfoorlog in 1991 en na Orkaan Katrina in 2005. Vooral in de VS gingen er de laatste weken stemmen op om de oliestocks te verkopen om de druk op de mondiale olieprijzen te verminderen. Zo’n beleid zou echter niet meer zijn dan een pleister op een houten been. Bovendien geef je op die manier je laatste opvangnet uit handen, waardoor je het hele energiesysteem blootstelt aan de gevaren van een mogelijke externe schok.

Een andere veelbesproken maatregel is het verlagen van de accijnzen op brandstof, bijvoorbeeld via een omgekeerd cliquetsysteem waarbij de accijnzen voor de prijzen aan de pomp naar beneden gaan zodra de brandstofprijzen een bepaalde grens overschrijden. Ook deze maatregel getuigt van kortzichtigheid en lost structureel niets op, al kan er wel aan een herverdelingsmechanisme worden gedacht om die accijnzen ‘socialer’ te maken. Bedrijven, gezinnen en de overheid moeten hun gedrag aanpassen en het prijsmechanisme is daartoe het beste middel. Om Aviel Verbruggen te parafraseren, het wordt tijd dat we met z’n allen de ‘ware energiefactuur’ gaan betalen, dat wil zeggen dat we compensaties gaan betalen voor het schaarse en vervuilende karakter van ons huidige energiesysteem.5

Het aanspreken van noodvoorraden van olie en accijnsverlagingen op brandstoffen zijn allebei kortetermijnremedies die structureel niets oplossen. Helaas is het kortetermijndenken courant in energiebeleid. Denk maar aan de VS waar president Obama na de ramp met het olieboorplatform Deep Horizon in de Golf van Mexico een moratorium afkondigde tegen offshore olieboringen. Hij kondigde aan dat de VS meer werk moesten maken van kernenergie om de afhankelijkheid van buitenlandse en vervuilende olie te verminderen. Vandaag, in de nasleep van Fukushima, is de teneur dat kernenergie blijkbaar toch gevaarlijk is en dat er meer werk moet worden gemaakt van binnenlandse olieproductie. Nog geen jaar na de grootste olieramp in de recente geschiedenis heeft BP opnieuw een licentie gekregen om vanaf deze zomer naar olie te boren in de Golf van Mexico.

Zo’n zigzagbeleid is ook zichtbaar in andere landen en staat natuurlijk haaks op een doordacht energiebeleid gericht op een duurzame omschakeling naar een koolstofarme en efficiënte economie. Er kan zeker ingezet worden op internationale en Europese samenwerking, maar uiteindelijk begint de energietransitie in eigen land. Onze regeringen dienen radicaal werk te maken van energie-efficiëntie, besparingen, onderzoek en ontwikkeling in groene energietechnologieën en duurzame energiebronnen. De uitdagingen zijn misschien het grootst in de transportsector, dat naast de chemische sector cruciaal is voor de vraag naar olie omdat er vooralsnog weinig substitutiemogelijkheden zijn.

TOT SLOT

De langetermijntrends die in dit stuk werden geschetst, duiden erop dat de olieprijsschok van 2011 een voorbode is van wat komen zal. De mondiale olieprijzen zitten al sinds meer dan een decennium in de lift. Tussen 2003 en 2008 verviervoudigde de dollarprijs van een vat ruwe olie. In 2008 werd het nominale en (voorlopig nog) reële record van 147 dollar per vat opgetekend. Door de financiële crisis viel de prijs fors terug in 2008 en 2009, maar sinds 2010 zit hij opnieuw in de lift.

Wat we vandaag meemaken is een olieschok in slow motion, niet aangedreven door politieke perikelen aan de aanbodzijde zoals in de jaren 1970 (Arabisch olie-embargo en Islamitische Revolutie), maar wel door economische ontwikkelingen aan de aanbodzijde (opmars van groeilanden), gekoppeld aan een terugval in de makkelijk ontginbare olievoorraden. Die conclusie houdt in dat de hoge olieprijzen voor een groot stuk structureel zijn, en dat we eraan zullen moeten wennen. Het lijkt erop dat, behalve een radicaal en duurzaam transitiebeleid, enkel nog een economische recessie (en een terugval in de vraag) ons kan bevrijden van het juk van hoge olieprijzen.

Dat levert wel een onverwachte meevaller op. Zowel hoge olieprijzen als een mondiale recessie kunnen waarschijnlijk meer gedaan krijgen voor het klimaat dan het langgerekte en moeizame proces van internationale onderhandelingen over een post-Kyoto akkoord. Door de economische recessie was er in 2009 voor het eerst sinds 1992 geen toename in de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.6 En, zoals we IPCC-lid Michael Oppenheimer onlangs hoorden zeggen: ‘There is a credible argument that the EU’s and US’ greenhouse gas emissions may have peaked five years ago and may never recover to that level, not so much because of their successful climate policies, but because of high oil prices and because of low gas prices compared to coal prices’.7

Thijs Van de Graaf
Doctoraatsstudent Politieke Wetenschappen (UGent). Dit stuk is geschreven tijdens een studieverblijf van vier weken aan de Woodrow Wilson School van Princeton University.

Noten
1/ Tenzij anders vermeld zijn de aangehaalde cijfergegevens en energieprojecties gebaseerd op de laatste edities van de World Energy Outlook van het Internationaal Energieagentschap.
2/ BP (2010). Statistical Review of World Energy. Beschikbaar op: http://www.bp.com/statisticalreview.
3/ Vaclav Smil, 2005. Energy at the Crossroads: Global Perspectives and Uncertainties. Cambridge, MA: MIT press.
4/ Richard A. Kerr, 2010. Peak Oil production may already be here, Science, 25 maart 2011.
5/ Aviel Verbruggen, 2008. De ware energiefactuur. Antwerpen, Houtekiet.
6/ John Vidal, Global carbon emissions steady for first time since 1992, Guardian, 1 juli 2010.
7/ Presentatie Michael Oppenheimer, Climate Change Policy Seminar, 20 april 2011, Columbia University, New York.

energie - olie - Arabische Lente - energiebevoorrading

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 23 tot 30