Abonneer Log in

Solidaire verdeling van groene kosten en baten

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 12 tot 22

Kiezen voor een volledig op hernieuwbare energie geschoeide energieproductie, tegen 2050. Ook in België. Daarvoor pleitten Kathleen Van Brempt en Freya Van den Bossche, onlangs in Samenleving en politiek.1 Zeer goed. We pikken hier de draad terug op met een aantal sociaal-maatschappelijke vraagstukken, onder andere in verband met de financiering van dat toekomstbeeld. Hernieuwbare energie heeft veel baten, maar ook een aantal kosten - en die moeten eerlijk verdeeld worden.

Hoe we energie gebruiken en produceren, heeft grote gevolgen voor de mensen, het milieu en de economie. Het bepaalt het soort jobs, de luchtkwaliteit, de levenskost. Het is ook een reflectie van het soort samenleving en democratie waar we naar streven. Houden we het huidige model in stand, waarbij onze elektriciteit en gas in handen is van een steeds kleiner wordende groep, steeds groter wordende Europese energiegiganten? Die de Europese liberalisering van de energiemarkten gebruiken om de koek onder elkaar te verdelen, voor de Europese Unie er toe is gekomen om een Europese regulator die naam waardig op de rollen te krijgen. Die ontsnappen aan democratische controle, en een ongeëvenaarde macht bezitten om de Europese en nationale regelgeving en markt naar hun hand te zetten.
Héél de markt? Neen, een aantal kleine energiebedrijfjes blijft moedig weerstand bieden aan de overweldigers, en maakt het leven van de Giganten in de omringende hoofdkantoren een beetje minder gemakkelijk. Deze vaak op coöperatieve leest geschoeide bedrijfjes doen het financieel dikwijls zeer goed, en vormen een praktisch alternatief voor de Giganten. Maar een significante impact op het grote plaatje hebben ze - tot nog toe - niet.

DECENTRAAL MAATWERK ALS ALTERNATIEF

Een andere mogelijkheid is het eigenaarschap over de energievoorziening letterlijk dichter bij de mensen brengen. Energieproductie meer op maat van de verbruiker en gedecentraliseerd. In een dergelijk model gaan energiebesparing, een intelligent elektriciteitnet en hernieuwbare energieproductie hand in hand. Het is een model waarin investeringen in grote centrale productie van elektriciteit met offshore windparken of grote biomassacentrales die de constante basisproductie leveren, aangevuld moeten worden met meer kleinschalige stuurbare eenheden. Met andere woorden, perfect op maat van de typisch in verhouding kleinschaliger hernieuwbare energiecentrales, zoals zonnepanelen, micro-WKK2 of biogasinstallaties. Tegen 2050 willen wij de Europese en dus ook Belgische energievoorziening volledig op hernieuwbare energiebronnen zien draaien. Dat is technisch en economisch mogelijk, en vooral ook een zeer goed idee, om onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en uranium op te geven. Het is niet de bedoeling hier de discussie te herhalen over het potentieel van de verschillende hernieuwbare energiebronnen en energiebesparing. Maar het is duidelijk dat we nog wat afstand af te leggen hebben. Tot zover allemaal vrij etherische beschouwingen. Tijd om het wat dichter bij de grond te brengen. Het Europese elektriciteitsproductiepark staat te treuzelen op een kruispunt.

EUROPESE INVESTEERDERS TREUZELEN

Ongeveer de helft van het huidige vermogen aan elektriciteitproductie in de Europese Unie gaat de volgende 20 jaar uit dienst.3 De meeste centrales die nu voor onze elektriciteit zorgen, gas-, steenkool- en kerncentrales, zijn gebouwd in de late jaren 1960 tot vroege jaren 1980. Dat is ook in België zo. Die centrales gaan natuurlijk niet oneindig mee. Hoe graag Electrabel en andere uitbaters van centrales ons dat ook willen doen geloven. Ze verslijten. Ze zijn op den duur niet meer in staat om zonder grote investeringen aan de moderne verwachtingen inzake milieuvriendelijkheid te voldoen. Bovendien zijn er belangrijke nieuwe factoren die maken dat de oude centrales aan vervanging toe zijn. Bezorgdheid om klimaatverandering maakt dat de oude steenkoolcentrales niet meer gehandhaafd kunnen blijven. Ondanks de beste propaganda inspanningen van de nucleaire lobbymachine, blijft kernenergie niet in staat zijn problemen op te lossen. Radioactief afval blijft een open vraagstuk van niet te bevatten intergenerationele grootte. Ongevallen die statistisch gezien dringend moeten stoppen, blijven toch plaatsvinden. Fukushima. Tsjernobyl. Three Mile Island.

Daarnaast heeft de Europese Unie sinds 2009 een doelstelling aanvaard om in 2020 een aandeel van 20% uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Dit zal zowel in de elektriciteitproductie als in de voorziening van warmte en koeling bijkomende investeringen vragen. In de huizenmarkt duurt het ongeveer 25 jaar om de helft van de bestaande gebouwen te vervangen of grondig te renoveren. Iedereen kan zich iets voorstellen bij de permanente ijver van mortel en kranen waarmee de bouwsector die uitdaging aanpakt. Je zou dus denken dat het over heel Europa zou zoemen van bouwwerven en nieuw oprijzende koeltorens.
En jawel, Europa installeerde in 2010 meer vermogen aan hernieuwbare energie dan om het even welk voorgaand jaar, een toename van 31% ten opzichte van 2009.4 Hernieuwbare energie-installaties maken bovendien 41% uit van de 55 Gigawatt (GW) nieuw vermogen die in Europa vorig jaar gebouwd is. De aandelen van olie en kernenergie in elektriciteitproductie nemen verder af, met meer centrales die worden gesloten dan er bij komen. Jammer genoeg kwamen voor het eerst weer meer kolencentrales online dan er gesloten werden.
Er komt dus wel degelijk nieuwe capaciteit bij. Alleen minder in onze regionen. Meer in de Zuid-Oost-Europese nieuwe lidstaten en in het Noorden, met offshore windparken.

BELGISCH TEKORT

België is geen uitzondering. Zo geeft het ontwerp van ontwikkelingsplan van transmissienetbeheerder Elia voor de periode 2010-2020 een inschatting van de centrales die in België de komende jaren uit dienst zullen gaan en de investeringen die gepland en in uitvoering zijn. Dit ontwikkelingsplan is momenteel het onderwerp van een publieksconsultatie. Het overzicht leert in ieder geval dat, afhankelijk van hoe het elektriciteitverbruik evolueert tussen nu en 2020, ongeveer 1200 tot 3200 MW extra investeringen in productiecapaciteit in België nodig zou zijn. Om een idee te geven: een grote gascentrale is typisch ongeveer 400 MW per eenheid. Het belangrijke aan deze analyse is eerst en vooral dat we keihard ons best moeten doen om het energiegebruik zo laag mogelijk te houden, en dus volop moeten inzetten op energiebesparing en efficiëntie. Hoe meer energiebesparing, hoe minder bijkomende centrales. Maar we leren vervolgens ook dat belangrijke investeringsbeslissingen ook in België op stapel staan.
En dat in een investeringsklimaat dat onzeker blijft, als gevolg van prijsrisico’s en regulatoire instabiliteit - waar sommige energiebedrijven overigens niet weinig zelf aan bijdragen. De economische crisis is natuurlijk ook een belangrijke factor. Die heeft niet alleen voor een vertraging in de investeringen gezorgd, maar ook voor een aanzienlijke dip in de consumptie van elektriciteit in 2009 tot begin 2010.
De zenuwachtigheid over mogelijke productietekorten neemt toe, ook in ons land. De federale regulator, de CREG, waarschuwt nu al drie jaar na elkaar dat er dringend investeringen in bijkomende elektriciteitproductie nodig zijn. Vooral omdat onze afhankelijkheid van import uit het buitenland volgens hen apocalyptische proporties dreigt aan te nemen.
De oplossing voor deze verondersteld precaire situatie ligt natuurlijk niet alleen in bijkomende productiecapaciteit. Het onder controle houden van de vraag is nog veel belangrijker, zoals hierboven ook al bleek. Bovendien is het een enigszins vreemd streven om een klein land als België als een energie-eiland te willen blijven behandelen. Wie heeft eigenlijk beslist dat we in 100% van onze elektriciteitvraag moeten kunnen voorzien? Dat is absurd, in een Europa dat juist meer en meer investeert in internationale projecten als het Noordzee offshore windplatform, of Desertec, dat zonne-energie van de Sahara naar Europa moet stromen. Misschien is het ‘autonoom België’ argument niet toevallig wel handig voor zij die de kerncentrales langer open willen houden. In om het even welk scenario - veel of weinig energiebesparing, veel of weinig of vroege of late vervanging van de bestaande eenheden - zullen echter meer dan business as usual investeringen in bijkomende productiecapaciteit nodig zijn.

INVESTEREN EN VOORUITZIEN

Welke investeringen dat precies zijn, in welk soort energieproductie, heeft op zeer lange termijn gevolgen. We leven vandaag met de gevolgen van de politieke investeringskeuzes in de jaren 1960. Als nu om onbegrijpelijke redenen een grote nieuwe steenkoolcentrale zou worden gebouwd, staat die er voor 40 tot 60 jaar. En haalt die dus alle doelstellingen voor de ideale energiemix in 2050 overhoop. Daarom is het zo belangrijk om nu de juiste beslissingen te nemen. Net zoals het ontwerp van je nieuwe huis grotendeels vastlegt hoe de komende generaties in dat huis zullen wonen.

In de recente studie ‘Battle of the grids’5 illustreert Greenpeace de problemen die kunnen ontstaan door de incompatibiliteit tussen onflexibele kerncentrales en windenergie. Momenteel worden windturbines al regelmatig uitgeschakeld tijdens periodes waarin veel elektriciteit wordt geleverd om voorrang te geven aan nucleaire of steenkoolcentrales omdat deze centrales zeer moeilijk kunnen worden afgeschakeld. Regelbare, hernieuwbare energie moet voorrang krijgen op de Europese netwerken, en er moet worden gezorgd voor goede onderlinge verbindingen tussen landen, zodat overschot kan worden geëxporteerd naar andere gebieden. Gascentrales, die in tegenstelling tot kerncentrales wel goed regelbaar zijn, kunnen in afwachting het grootste deel van de niet-hernieuwbare elektriciteit leveren en als een flexibele reserve voor wind- en zonne-energie dienen.
Conclusie: het domste wat we nu als maatschappij kunnen doen, is vergunningen geven voor nieuwe steenkool- of kerncentrales. In een overgangsperiode zijn wel nog nieuwe gascentrales nodig, en daarnaast moet volop worden geïnvesteerd in hernieuwbare energie, energiebesparing en slimme netwerken.

KOKEN KOST GELD

Aan de nodige investeringsvolumes hangt natuurlijk een belangrijk kostenplaatje. Uit het voorgaande leren we dat de sector sowieso moet investeren. Dat is normaal in iedere industriële sector, en de kosten daarvan worden verrekend in de prijs van het product dat de sector verkoopt. In dit geval elektriciteit. Wat ons dus interesseert zijn de eventuele extra kosten als gevolg van het kiezen voor een volledig hernieuwbare energieproductie.

KOKEN KAN GRATIS

Een analyse6 door de non-profit organisatie E3G vond dat in een scenario gericht op het bereiken van een energieproductie die veel minder CO2-uitstoot de kosten niet veel hoger liggen dan in een standaard productiescenario. Ecofys voegde daaraan toe7 dat als de brandstofkosten in rekening worden gebracht, de additionele kosten waarschijnlijk zelfs verwaarloosbaar zijn. Veel hernieuwbare energietechnologieën zijn immers wel kapitaalintensieve investeringen, maar goedkoop in de uitbating - want de zon en de wind zijn gratis. Bovendien besparen investeringen in energie-efficiëntie op de energierekening.
De resultaten van dergelijke studies geven een globaal resultaat, dikwijls op het niveau van de economie van een land, of de Europese Unie. Bijzonder interessante informatie, voor overheden en geïnteresseerde burgers. Zo leert een zeer recente analyse in opdracht van de Europese Commissie8 dat de kost van het bereiken van de hernieuwbare energiedoelstellingen voor 2020 uitgedrukt als aandeel van het GDP, voor de Belgische consument bij de laagste van de Unie liggen. Alleen Ierland, het VK en Slowakije zijn nog goedkoper af.

STEUN VOOR HERNIEUWBAAR IS NODIG

Jammer genoeg hanteren de bedrijven die veel van de investeringen moeten uitvoeren niet hetzelfde globaal perspectief, maar rekenen zij met hun individuele kortere financiële tijdshorizon. Dat maakt dat ondanks het globaal positieve plaatje, toch extra aansporing nodig is door een overheid, als die het realiseren van maatschappelijke winst hoger inschat dan de verwachte terugverdientermijn op microschaal.
Die ondersteuning kan vele vormen aannemen, en doet dat ook. Overheden geven financiële steun onder allerlei vormen, naast regels voor vergunningen, bouwnormen, steun voor onderzoek en ontwikkeling... Zolang de geproduceerde hernieuwbare energie duurder is dan de energie opgewekt met klassieke energiebronnen zal financiële steun echter altijd nodig blijven. Dat is vandaag9 nog het geval voor alle hernieuwbare stroomproductietechnologieën, met uitzondering van grootschalige waterkracht, bijstook van biomassa in steenkoolcentrales en sommige biogasprojecten. De vraag is waar het geld vandaan zal komen om die meerkost te dragen.

LAAT DE ENERGIEBEDRIJVEN ZELF BETALEN

We kunnen aannemen dat de Europese energiegiganten het kapitaal hebben om de investeringen zelf te dragen. Ze hebben geen overheidsteun nodig om dat te doen. De overheid kan hen dus verplichten om investeringen uit te voeren.
Dat is wat het Vlaamse systeem in principe doet. Quotaverplichtingen zoals die in het Energiedecreet opgenomen zijn, leggen een minimum te leveren of produceren aandeel hernieuwbare energie op. In ons geval wordt het opgelegd aan de elektriciteitleveranciers, maar in principe kan het ook aan de producenten of consumenten worden opgelegd. In veel gevallen wordt dit systeem gecombineerd met een verhandelbare certificatensysteem, zoals inderdaad ook bij ons en in het Verenigd Koninkrijk het geval is. De financiële waarde van de steun is een functie van de boete die moet worden betaald als de verplichting niet wordt gerespecteerd, de hoogte van de verplichting en de termijn dat een project certificaten blijft krijgen. In principe een zeer helder systeem. Het laat ook toe dat kleine bedrijven of particulieren investeren in eigen hernieuwbare energieproductie, en daarmee minder afhankelijk worden van de dominante energieleveranciers.
Het systeem vertrekt van een perfect werkende markt, en technologieën die allemaal min of meer hetzelfde kosten. De realiteit is echter anders, en dat heeft in Vlaanderen geleid tot een opeenvolgende reeks aanpassingen en verfijningen om bijvoorbeeld beter aan te sluiten bij de werkelijke steun die een technologie nodig heeft. Zo krijgt zonne-energie meer, en bijstook van biomassa minder. Het resultaat is een vrij complex systeem, dat in de feiten een hybride tussen quota en feed-in tarief (zie verder) systeem is.
Het belangrijkste risico - naast complexiteit - van een quotasysteem is dat goedkope technologieën veel te veel steun krijgen, in verhouding tot hun werkelijke kostprijs.

STEUN OP MAAT

Sommigen, zoals de industriefederaties10 en experts zoals professor Verbruggen11, argumenteren dan ook dat het Vlaams systeem zou moeten worden omgevormd in de richting van een ‘feed-in tariff’, het in Europa meest voorkomende alternatief. Ze verwijzen daarbij meestal naar het lichtende voorbeeld van Duitsland, dat na een decennium van feed-in tarieven een indrukwekkend succes kan voorleggen in de productie van hernieuwbare energie.
Een feed-in tarief is een op voorhand vastgelegde en gegarandeerde prijs die producenten van hernieuwbare energie krijgen, voor de stroom die ze op het net injecteren. Een variant is een ‘feed-in premie’, waarin men het verschil tussen een vooraf bepaald niveau en de verkoopprijs van de stroom bijpast. Een producent in hernieuwbare energie kent in deze systemen op voorhand perfect het steunniveau, in tegenstelling tot een systeem van verhandelbare certificaten. Dit is een belangrijk voordeel vanuit het standpunt van de investeerder.
De kostenefficiëntie van beide systemen hangt af van de snelheid waarmee de hoogte van de steun wordt aangepast aan de evolutie van de kostprijs van de hernieuwbare energietechnologieën. Dit kan in beide systemen, en vergt een goed uitgebouwd organisme van onafhankelijke deskundigen. Als de steun te traag de werkelijke kost volgt, ontstaan overdreven winsten als de kost veel lager ligt dan de steun. Dit is een onwenselijke besteding van publieke middelen. Omgekeerd kan een bestaand potentieel van hernieuwbare energieproductie onbenut blijven liggen, als de steun te laag is ten opzichte van de werkelijke kost.
Een goede inschatting maken van de steun die een technologie nodig heeft, is een bijzonder moeilijke opdracht. Om neutraal te staan ten opzichte van de sector, komt de analyseopdracht terecht bij overheidsadministraties of onafhankelijke onderzoeksinstellingen. Deze hebben echter altijd per definitie een minder gedetailleerd zicht op de markt. Bovendien moeten voorspellingen gemaakt worden van de evolutie van de kostprijs over verschillende jaren. Dat is voor om het even wie een bijzonder delicate oefening. Fouten zijn dus zo goed als onvermijdelijk, en inherent aan alle systemen die financiële steun geven aan investeringen. Dat er nu en dan te veel of te weinig wordt gegeven, is dus geen reden om het systeem op zich in vraag te stellen. Het is wel een reden om zeer regelmatig te checken hoe de steun en de marktprijzen evolueren, en de mogelijkheid voorzien om indien nodig de steun aan te passen. Daar is in het Vlaamse systeem zeker nog ruimte voor verbetering.
Merk op dat het niet de ambitie van dit artikel is om een omvattende beschrijving en analyse te leveren van alle vormen van steun voor hernieuwbare energie. Dat is niet de focus van het artikel, en zou ons veel te ver leiden. Maar belastingvoordelen of steun voor onderzoek en ontwikkeling blijven zo bijvoorbeeld buiten beeld.

STEUN GROENE STROOM DOOR GRIJZE TE BELASTEN

In theorie zou men kunnen opteren om in plaats van steun te geven aan de producenten van hernieuwbare energie, de prijs van de energie zelf zeer significant op te trekken, met bijvoorbeeld een CO2- of andere energietaks. Dit zou alle hernieuwbare energietechnologieën rendabel maken, en alvast de nood tot overheidsevaluatie van de kost van de technologieën overbodig maken. Maar volgens Lauber12 stimuleert een dergelijk systeem enkel de meest goedkope, en niet noodzakelijk maatschappelijk meest gewenste technologieën.

KOSTENEFFICIËNTIE IS RELATIEF

Een analyse in opdracht van de Europese Commissie concludeerde13 dat van de verschillende steunmechanismen die vandaag worden gebruikt in de EU, feed-in tarieven het meest succesvol geweest zijn, en het meest kosteneffectief bleken. Alles staat of valt echter met hoe de verschillende parameters in de systemen opgevat zijn. Een goed ontworpen quota- en certificatensysteem kan veel beter zijn dan een slecht ontworpen feed-in tarief. Volgens de Vlaamse regulator, de VREG, stappen meer en meer landen overigens af van de pure feed-in tariefsystemen, omdat ze niet marktconform zijn.14
Een analyse15 van quotasystemen in Europa en de VS leerde dat de quotasystemen over het algemeen gesteund worden door de hernieuwbare energiesector in de landen waar ze in werking zijn. Ze appreciëren de stabiliteit over de lange termijn. De tegenstanders van dergelijke systemen zijn dikwijls de leveranciers en grote industriële elektriciteitverbruikers. In landen met een goed werkend feed-in tarievensysteem verzetten actoren zich dikwijls tegen een quotasysteem, omdat ze ondertussen gewend zijn aan het bestaande systeem en geen risico’s willen nemen met een nieuw en onzeker beleidsinstrument. Dat is uiteraard een zeer legitieme overweging.
Verbeteringen aan het Vlaamse systeem zijn ongetwijfeld mogelijk en nodig om de transparantie en de voorspelbaarheid voor de investeerder te verhogen, en om nauwer aan te sluiten bij de werkelijk nodige steun. Uit de voorgaande bespreking komt echter geen dwingende nood naar voor om radicaal voor het ene of andere systeem te kiezen.

KOSTEN EN BATEN EERLIJK VERDELEN

Vanuit een overheidstandpunt, en voor het draagvlak op lange termijn voor de steun voor hernieuwbare energie, is een ‘eerlijke’ verdeling van de kosten en baten van hernieuwbare energie onontbeerlijk.16 Steun voor hernieuwbare energie kan zo ontworpen worden dat de kosten en baten verdeeld worden over verschillende maatschappelijke groepen, of over geografische regio’s. Een goed inzicht in de markt en haar evolutie is noodzakelijk om een eerlijk systeem te ontwerpen. Het ene systeem is niet inherent eerlijker dan het andere; het hangt af van het ontwerp. In Vlaanderen hebben we een quotumsysteem, dat we hierbij onder de loep nemen van een reeks aspecten van eerlijkheid.

VERDELING OVER TYPES BEDRIJVEN

De ervaringen in verschillende landen wijzen er volgens ECN17 op dat verticaal geïntegreerde energiebedrijven18 in een quotasysteem in het voordeel zijn boven zelfstandige producenten omdat ze eigen productie kunnen inzetten voor het behalen van de verplichting, en dus minder risico hebben dan zelfstandige producenten. Daarnaast hebben eigenaren van grote installaties een schaalvoordeel met betrekking tot transactiekosten. De Vlaamse groene markt wordt inderdaad gedomineerd door een zeer beperkt aantal grote spelers.

VERDELING TUSSEN TECHNOLOGIE

Een andere overweging zou kunnen zijn dat een quotasysteem eenzelfde steun biedt aan verschillende technologieën. Aangezien niet alle technologieën dezelfde steun nodig hebben, is dat niet eerlijk. Zoals hierboven al uitgelegd, is dit alvast in het Vlaamse systeem deels opgevangen door een differentiatie in te voeren van verschillende minimumsteunniveaus en fracties van certificaten.

VERDELING TUSSEN MAATSCHAPPELIJKE GROEPEN

De eerlijkheid van de verdeling van de kosten over de verschillende maatschappelijke groepen is een zeer belangrijk streven. Daarbij is niet alleen de verdeling tussen de verschillende categorieën particulieren belangrijk, maar ook die tussen particulieren en bedrijven.
Kosten worden zo egaal mogelijk gesolidariseerd, net als alle andere maatschappelijk verantwoord gevonden kosten. Zolang de steun voor de verschillende gesteunde technologieën aangepast is aan de kost van de technologieën, is het normaal dat ik voor mijn buurmans zonnepanelen betaal - en voor dat op het dak van het diepvriesbedrijf om de hoek. Want die zonnepanelen leveren voordelen op voor iedereen: propere lucht, lagere werkloosheid, grotere energieonafhankelijkheid,... Het is niet de bedoeling om groepen energieconsumenten te laten ‘freeriden’ op de investeringen van anderen.
De vraag is wat de meest geschikte basis is om de inkomsten voor de steun voor hernieuwbare energie te innen.

LIEVER FACTUUR DAN BELASTINGEN

Een mogelijkheid is om de steun te betalen uit het overheidsbudget, en dus te financieren via belastingsinkomsten. Zoals Dirk Van der Maelen eerder echter al argumenteerde19, holt de sterk verschillende fiscale behandeling van arbeidsinkomsten en vermogensinkomsten het draagkracht- en gelijkheidsbeginsel uit. Een gezin met twee kinderen en een gemiddeld arbeidsinkomen dat geen inkomsten uit vermogen heeft, draagt 48% bij. De buren die eenzelfde bruto-inkomen uit hun beleggingsportefeuille halen en geen arbeidsinkomen hebben, dragen 15% bij. Ze hebben dezelfde financiële draagkracht maar hun bijdrage is verre van dezelfde.
De steun innen via de energiefactuur levert daarentegen een rechtstreekse link tussen probleem (verbruik) en oplossing. Dit is de weg die in Vlaanderen en in de meeste andere landen is gevolgd. Dit lijkt eerlijker, in de zin dat op die manier de kosten gesolidariseerd worden over iedereen die elektriciteit gebruikt, en bovendien proportioneel aan het verbruik.

Hierbij passen echter enkele kanttekeningen. In Vlaanderen is het voorlopig nog zo dat de distributienetbeheerder de kosten van steun voor hernieuwbare energie en energiebesparende premies doorrekent per netgebied. Dit is maar een deel van de kosten voor hernieuwbare energie, het grootste deel zit in de tarieven van de leveranciers. Maar afhankelijk van waar je woont, en of daar veel of weinig zonnepanelen op de daken liggen, kan je meer of minder moeten betalen. Zelfs al gaat het om relatief beperkte bedragen, is dit is een absurde situatie, die rechtstreeks tot wrevel en oppositie tegen hernieuwbare energie leidt. Historisch valt dit misschien nog enigszins te verklaren, maar vandaag is de realiteit dat de overgrote meerderheid van distributienetbeheerders in twee grote werkmaatschappijen zitten: Infrax en Eandis. Het is dus perfect mogelijk om de kosten egaal te verdelen, alvast binnen die twee maatschappijen.
Verder vergen een aantal specifieke groepen verbruikers bijzondere aandacht.

INDUSTRIE WIL NOG MEER VRIJSTELLINGEN

In sommige landen is de energie-intensieve industrie uitgezonderd van een bijdrage. Ook in België krijgt de energie-intensieve industrie een reductie op de quotaverplichting op de elektriciteit die aan hen is geleverd. De last van de kosten verschuift zo naar de schouders van minder kapitaalkrachtige consumenten, de kleinere bedrijven en de particulieren.
Meestal zijn dergelijke uitzonderingen gemotiveerd door de vrees dat te hoge lasten de internationale concurrentiepositie van de industrie zou tekort doen. De uitzonderingen zijn dus nodig gebleken om steun te krijgen voor de quotasystemen.
De wens om de internationale concurrentiepositie van de industrie te vrijwaren, is natuurlijk een legitieme overweging, zeker in tijden van economische terugval. Een verlies in competitiviteit kan leiden tot het sluiten of verplaatsen van fabrieken. Dat neemt niet weg dat recente studies aangeven dat hernieuwbare energie de prijs van elektriciteit juist kan verlagen, door piekprijzen te verlagen en de keuze voor productievolgorde te veranderen.20 Dat maakt dat uitzonderingen voor energie-intensieve industrie gebaseerd moeten zijn op een volledige en correcte analyse. De reële impact van hernieuwbare energie op de energieprijzen, rekening houdend met de mogelijk positieve impact van hernieuwbare energieproductie, moet worden onderzocht. Er moet ook rekening worden gehouden met de hoge energie-efficiëntie die de Vlaamse industrie bezit in vergelijking met de rest van de wereld, wat hen minder gevoelig maakt voor schommelingen in de energieprijzen.
Een nog meer pertinente bedenking vanuit eerlijkheidstandpunt, is verder dat de energie-intensieve industrie door de vrijstellingen dubbel geniet van voordelen van het systeem. Aan de ene kant moeten ze minder bijdragen, aan de andere kant genereren veel van de bedrijven uit de sector wel significante volumes certificaten en dus kosten. In Vlaanderen vooral via warmtekrachtkoppelingsinstallaties, die ondertussen bij veel chemische of petrochemische bedrijven opgesteld zijn. Al dan niet in eigen uitbating, genereren bedrijven dus veel van de kosten die ze als groep disproportioneel minder dragen.
In Vlaanderen gaat het om een gedeeltelijke vrijstelling, in uitvoering van het Energiedecreet. In de praktijk was in 2009 ongeveer 10% van de elektriciteitsleveringen vrijgesteld van de certificatenplicht.21 De industrie ijvert voor een verdere verlaging van hun bijdragen. Het lijkt niet evident om dit te verzoenen met een streven naar een eerlijke verdeling van de kosten en baten van de steun voor milieuvriendelijke energie, waar de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.

ENERGIEARMOEDE VERGT BESCHERMING

Aan de andere kant van het sociale spectrum, moeten de netbeheerders geen certificaten voorleggen voor hun sociale leveringen in het kader van de sociale openbare dienstverplichtingen. Voor de gratis leveringen (100 kWh regeling) moeten echter wel certificaten worden voorgelegd. Die gratis elektriciteit wordt door de leveranciers verzorgd; ze krijgen daarvoor dan een financiële vergoeding van de netbeheerders.
De kost van de ondersteuning voor hernieuwbare energie is van groot belang in het beleid over energiearmoede. Gezinnen in energiearmoede besteden een hoger aandeel van hun inkomen aan energie dan rijkere gezinnen. De kosten voor hernieuwbare energiesteun zijn in die optiek een onwenselijke verhoging van de lasten op het gezinsbudget.22 Tegelijk mobiliseren heel wat groepen de steun voor hernieuwbare energie om groene stroom te voorzien in sociale huisvestingsprojecten. In het VK startten een aantal grote instellingen significante projecten om zonnepanelen of micro-WKK te installeren. In combinatie met doorgedreven investeringen in energiebesparing, biedt dit een zeer interessante mogelijkheid om de energiefactuur van de betrokken gezinnen te verlagen.
Uitzonderingen voor energie-intensieve industrie en gezinnen in energiearmoede lijken in overeenstemming met het streven naar een maatschappelijk aanvaardbare solidarisering van de kosten voor hernieuwbare energiesteun. Een belangrijke uitdaging ligt in het beter bereiken van gezinnen in armoede buiten de sociale huisvesting. In het geval van de industrie lijkt meer analyse van de werkelijke impact van de hernieuwbare energie echter aangewezen. Het lijkt bovendien meer dan terecht om eventuele vrijstellingen te combineren met verwachtingen vanwege de overheid dat de industrie haar energiegebruik onder controle houdt. Zo geeft het Waals Gewest de energie-intensieve industrie enkel vrijstellingen voor de kost van hernieuwbare energiesteun als ze zich engageren tot energiebesparing in hun bedrijfsprocessen. Ze zal dit handhaven in haar hervorming van de steun voor hernieuwbare energie.23 Een analoge aanpak lijkt in Vlaanderen het overwegen waard, en kan de minister inbouwen in de nieuwe energieconvenanten.
Maar de financiering van investeringen in hernieuwbare energie via de energiefactuur van particulieren en bedrijven is dus zeer normaal.

Bram Claeys
Energie-expert

Noten
1/ Freya Van den Bossche en Kathleen Van Brempt, 100% hernieuwbare energie in 2050, Samenleving en politiek, 2/2011, pp. 46-56.
2/ WKK = warmte-krachtkoppeling, gelijktijdige opwekking van stroom en warmte; micro-WKK is een kleine installatie op maat van een woning of groep woningen.
3/ Jonathan Gaventa, Investment momentum for decarbonising the EU power sector, Evidence review on current investment and future scenarios, E3G, november 2009.
4/ EWEA, Wind in power, 2010 European Statistics, februari 2011.
5/ http://www.greenpeace.org/belgium/nl/pers/rapporten/Battle-of-the-grids/.
6/ Jonathan Gaventa, op. cit.
7/ Berekend in scenario’s met tijdshorizon 2020 (Ecofys, SERPEC: Sectoral Emission Reduction Potentials and Economic Costs, oktober 2009).
8/ Ecofys et al., Financing renewable energy in the European energy market, januari 2011.
9/ Ibid., gerekend met elektriciteitprijzen voor 2009, die ondertussen hoger liggen.
10/ VOKA, Aanpassing steun voor groene stroom en WKK, Hoorzitting Vlaams Parlement, 17 maart 2011.
11/ Aviel Verbruggen, Groen Vlaams beleid voor Vlaamse Groene stroom, april 2011.
12/ Lauber et al., Basic concepts for designing renewable electricity support system aiming at a full scale transition by 2050, Energy Policy, december 2009.
13/ Ecofys et al., op. cit.
14/ VREG, Schets van de huidige situatie, reflecties over verfijningsmogelijkheden van steunmechanismen, 22 maart 2011.
15/ Van der Linden et al., Review of international experience with renewable energy obligation support mechanisms, ECN, mei 2005.
16/ Van Dijk et al., Renewable Energy Policies and Market Developments, ECN, maart 2003.
17/ Van der Linden et al., op. cit..
18/ Energiebedrijven die zowel elektriciteit produceren als leveren.
19/ Dirk Van der Maelen, Naar een eerlijke fiscale bijdrage op vermogensinkomsten, Samenleving en politiek, 10/2010, pp.4-9.
20/ Munoz M. et al., Harmonization of renewable electricity feed-in laws in the European Union, 8 april 2011.
21/ SERV, Rapport Hernieuwbare Energie, 6 april 2011.
22/ Mendonça M., The UK feed-in tariff, A user survey, Working Paper, Birkbeck Institute of Environment, University of London, 17 maart 2011.
23/ Jean-Marc Nollet, Vice-Président et Ministre wallon du Développement durable et de la Fonction Publique sur ‘l’électricité verte et les quotas de certificats verts’, 24 februari 2011.

energie - energiebeleid - groene stroom

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 12 tot 22