Abonneer Log in

Vreemden in 'rechts' Vlaanderen en 'links' Wallonië

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 13

Dit essay is de herwerkte Nederlandstalige versie van een onderdeel van mijn bijdrage in een e-boek (2011) in het kader van het Re-Bel initiatief rond het herdenken van België in een Europese context.1 Daarin werd de vraag gesteld of Vlaanderen werkelijk rechts is en Wallonië links. Er werden twee dimensies van links/rechts onderzocht: de economische en de aanvaarding van nieuwkomers. Aangezien de economische dimensie onlangs aan bod kwam in een vorig nummer van Samenleving en politiek (2011/8), beperkt dit essay zich uitsluitend tot de houding tegenover vreemden in Vlaanderen en Wallonië. Staan Vlamingen in grotere mate negatief tegenover vreemden dan Walen?

ISPO/PIOP STEEKPROEVEN

Wanneer verwezen wordt naar het politieke landschap in Vlaanderen en Wallonie wordt algemeen aangenomen dat de publieke opinie in deze regio’s heel verschillend is: Vlaanderen is rechts en Wallonië links.2 Klopt dit beeld? Men kan niet ontkennen dat de sterkte van de politieke partijen op de links/rechts dimensie heel verschillend is in Vlaanderen en Wallonië. Wat verstaan we echter onder links en rechts? In de literatuur van o.m. Middendorp over ideologisch conservatisme worden verschillende dimensies onderscheiden: economisch, cultureel en ideologisch links of rechts. Doorgaans associeert men conservatisme met rechts en progressief met links. Ik gebruik deze kleurwoorden niet omdat die al te sterk een appreciatie uitdrukken.

Men kan meerdere onderling verbonden ‘publieke opinies’ onderscheiden: (1) de publieke opinie gemaakt door journalisten en commentatoren in de media; (2) de publieke opinie van de opinieleiders en politici; (3) de uitgekristalliseerde opinie van georganiseerde belangengroepen en van sociale bewegingen zoals die vertolkt wordt door de woordvoerders; (4) ten slotte de publieke opinie zoals ze gemeten wordt in opiniepeilingen en sociaal onderzoek, wat helemaal niet hetzelfde is. In deze laatste betekenis is de ‘publieke opinie’ een aggregaat van individuele opinies. Al bij al bestaat er dus niet één publieke opinie maar een gelaagde verscheidenheid van ‘publieke opinies’. De aandacht spitst zich verder toe op de ‘publieke opinie’ in de vierde betekenis. Onnodig te zeggen dat daarin veel bronnen van vertekening aanwezig zijn die men in rekening moet nemen bij het interpreteren van deze publieke opinie.
Mijn kritische houding tegenover gepubliceerde statistieken over politieke onderwerpen in de media is ingegeven door een grondhouding m.b.t. statistiek. Cijfers over antwoordverdelingen van specifieke opinievragen in steekproeven zijn geen harde feiten of waarheden maar ‘tekens’ die interpretatie behoeven in een context van kennis over de samenleving, en van inzicht in de wijze waarop de opinies gemeten en de resultaten geproduceerd worden. Men kan statistische gegevens niet interpreteren zonder kennis van de methodologische regels over meten, steekproeven en non-response. ‘Vertrouw geen afzonderlijke vragen’ maar steun op latente variabelen (en constructen) waarvan de geldigheid (en betrouwbaarheid) getest wordt in de context van meetmodellen voor meerdere indicatoren die eenzelfde concept meten. Deze basisfilosofie wordt hier toegepast.
De gebruikte bronnen voor dit essay over gelijkenissen en verschillen tussen Vlamingen en Walen zijn de verschillende postelectorale onderzoeken van het Instituut voor Politiek en Sociaal Onderzoek (ISPO/PIOP) van 1991 tot 2007.3 De omvang van de ISPO/PIOP steekproeven varieert tussen minimum 1.750 en maximum 4.511 geïnterviewde kiezers. Het gaat steeds om toevalsteekproeven uit het Nationaal Register van natuurlijke personen. Toeval is een strikte voorwaarde om te kunnen veralgemenen naar de populatie met opgave van een bepaalde kans op een vergissing van een gegeven omvang. Uiteraard blijft het dan nog nodig om rekening te houden met de non-response. De ISPO/PIOP steekproeven zijn gekenmerkt door relatief hoge responsgraden.4 De gegevens zijn verzameld met behulp van ‘face-to-face’ interviews.5 Deze data bevat over de tijd vergelijkbare metingen van etnocentrisme en (sub)nationaal bewustzijn, en voor 2007 een meting van de houding tegenover Moslims.

EVOLUTIE VAN DE GEPERCIPIEERDE ETNISCHE DREIGING IN VLAANDEREN EN WALLONIË (1991-2007)

De houding tegenover mensen van ‘vreemde’ afkomst is een dimensie van politiek rechts. Commentaren en discussies in de media geven vaak de indruk dat Vlamingen en Walen daar verschillend tegenaan kijken. Zijn die twee bevolkingen echter ook zo verschillend als men naar de bevindingen van onderzoek m.b.v. toevalsteekproeven van kiezers kijkt? Een bijkomende vraag luidt: is er een waarneembaar verschil in die opinies over de tijd? Om die vragen te beantwoorden kunnen we gebruik maken van de ISPO/PIOP grootschalige verkiezingsonderzoeken die na elke verkiezing werden gehouden vanaf 1991.6 We bestrijken een periode van zestien jaar met daarin relevante gebeurtenissen zoals 9/11, economische schommelingen, en de doorbraak van politieke partijen die op het migratiethema focussen.

De equivalente meting van gepercipieerde etnische dreiging

Het is cruciaal dat de (latente) variabele ‘gepercipieerde etnische dreiging’, die door de items in de vragenlijsten (indicatoren) gemeten wordt, vergelijkbaar is tussen Walen en Vlamingen en in alle metingen in de beschouwde periode. In de verkiezingsonderzoeken werd sinds 1991 een set van een twaalftal items gebruikt, maar sommige zijn aangepast aan een gewijzigde situatie. We beschikken echter over vier ongewijzigde items en dat is voldoende om op een betrouwbare wijze een concept te meten. Bovendien stellen we vast dat het korte instrument van vier items zeer sterk correleert met het volle (12 item) instrument. Strikte vergelijkbaarheid met een invariant meetinstrument is maar mogelijk met de vier identieke items. Deze items hebben betrekking op het kunnen vertrouwen van immigranten, het misbruik maken van de sociale zekerheid, de culturele bedreiging door immigranten, en de culturele verrijking door hun aanwezigheid. Drie items zijn verwoord in de richting van een negatieve houding, één in positieve richting.

Elk uitspraak bevat een antwoordschaal gaande van helemaal oneens (1) tot helemaal eens (5). Ze drukken dus samen, na omkering van het positief verwoord item over culturele verrijking, een negatieve houding uit naarmate de antwoordscore hoger is. Het is van belang op te merken dat de items van de volledige set in de vragenlijst afgewisseld worden met positief verwoorde uitspraken om beïnvloeding tegen te gaan, en om te kunnen corrigeren voor de neiging tot beamen bij een aantal respondenten.

Het meetmodel voor de vier indicatoren werd, gecontroleerd voor leeftijd en opleiding, voor de tien steekproven (5 periodes x 2 regio’s), getest met behulp van Multi Group Structural Equation Modelling (MGSEM) voor ordinaal gemeten indicatoren. Speciale aandacht gaat daarbij natuurlijk uit naar strikte vergelijkbaarheid (equivalentie) van de gemeten concepten door te testen of binnen elke groep de relatie tussen elke overeenkomstige indicator en het gemeten concept (scalar) invariant is. Dat is een noodzakelijke voorwaarde om de gemiddelden van de gemeten latente variabele ‘etnische dreiging’ te kunnen vergelijken tussen de tien steekproeven (Meuleman e.a., 2009). Een gedetailleerde beschrijving van de equivalentietesten en van de parameters is te vinden in onderzoeksrapporten (zie: Billiet & Swyngedouw, 2009; Baudewyns e.a., 2010).7

Verschillen Vlamingen en Walen over de tijd?

Een latente variabele wordt niet rechtstreeks gemeten maar is samengesteld op basis van een meetmodel. Het is dan ook niet mogelijk om het gemiddelde in absolute waarde uit te drukken in een cijfer. Indien men echter tot een invariant meetmodel kan besluiten in meerdere groepen dan is het wel mogelijk om de verschillen tussen de groepsgemiddelden uit te drukken ten opzichte van een referentiegroep (gefixeerd nul). De Vlaamse steekproef uit 1991 fungeert als referentie. Scores die in de negen andere steekproeven beduidend hoger zijn dan 0 verwijzen naar een meer negatieve houding tegenover vreemden; cijfers met een beduidend lagere waarde drukken dan een meer positieve houding uit. Figuur 1 toont een duidelijk beeld van de verschillen in gepercipieerde etnische dreiging tussen Vlamingen en Walen en de evolutie over de tijd.

Figuur 1. Gemiddelden van de latent variabele gepercipieerde etnische dreiging in Vlaanderen en Wallonië van 1991 tot 2007 (ISPO/PIOP) (Referentie is Vlaamse steekproef in 1991).

Voelen Vlamingen en Walen zich overwegend bedreigd of eerder niet? We kunnen dit achterhalen door de latente gemiddelden om te zetten in composietscores van de samengestelde variabele ‘etnische dreiging’, gemeten op een schaal die varieert van 0 (minimale dreiging) tot 10 (maximale dreiging). De gemiddelde waarde in het midden van de bestudeerde periode (1999) is dan in Vlaanderen 5,22 en in Wallonië 5,48. De Walen scoren in dat jaar gemiddeld beduidend hoger (p 0,001) dan de Vlamingen en voelden zich toen gemiddeld iets meer bedreigd door vreemden dan de Vlamingen. In 1991 en 2003 scoorden de Walen echter beduidend, maar in geringe mate, lager dan de Vlamingen (p 0,01). In Wallonië werd de houding tegenover vreemden bedidend negatiever vanaf 1995, en deze trend blijft aanhouden tot het laatste peiljaar (2007) waarin er (gemiddeld) geen verschil meer is tussen Vlamngen en Walen. Vlaanderen zit op dezelfde hoogte als in 1991. In Vlaanderen ziet men een meer positieve houding tegenover vreemden tot en met de verkiezing van 1999. In 2003 is dit omgeslagen, waarschijnlijk als gevolg van 9/11 in zover ‘vreemden’ Moslims zijn. De ervaring van etnische dreiging hangt in 2007 in de twee bevolkingen zeer sterk samen met Islamfobie (r = 0,79) (Billiet, Jaspaert & Swyngedouw, 2012). Het blijft vooralsnog een raadsel waarom de negatieve houding na 11/9 niet toenam in Wallonië, en waarom daar vroeger een toename was.8

De meerderheid scoort eerder negatief in de twee landsdelen maar de verschillen tussen Vlamingen en Walen zijn alles samen genomen kleiner dan doorgaans in de media gesuggereerd wordt. Men moet hierbij bedenken dat leeftijd en opleiding onder controle gehouden worden. Dat is nodig om zo zuiver mogelijk het verschil tussen Vlamingen en Walen te vatten. Als alle twaalf items in het ISPO onderzoek in beschouwing worden genomen, dus ook de niet strikt vergelijkbare over de tijd, dan blijkt in alle studies dat Vlamingen zich iets meer bedreigd voelen dan Walen op cultureel gebied, maar op sociaaleconomisch gebied is dat precies andersom. Een voorbeeld uit 2007: 58% van de Walen is van oordeel dat vreemden ‘misbruik maken van de sociale zekerheid’ tegenover 52% in Vlaanderen. Anderzijds vindt 42% van de Vlamingen dat immigranten een bedreiging zijn voor ‘onze cultuur en gebruiken’, maar in Wallonië is dat lager, 38%. Deze verschillen zijn niet groot maar beduidend en ze zijn ook stabiel.

ETNISCHE DREIGING EN (SUB)NATIONAAL BEWUSTZIJN BIJ VLAMINGEN EN WALEN

We hebben sinds 1991 herhaaldelijk vastgesteld dat de relatie tussen etnische dreiging en (sub)nationaal bewustzijn in Vlaanderen verschilt van Wallonië. In Vlaanderen vindt men een positief verband tussen deze twee kenmerken: Vlamingen vertonen vaker weerstand tegenover ‘vreemden’ naarmate ze zich meer verbonden voelen met Vlaanderen dan met België. In Wallonië is het net andersom. Hoe sterker Walen een Belgisch nationaal bewustzijn vertonen hoe vaker ze zich afwijzend opstellen tegenover ‘vreemden’. Dit tegengesteld verband is eerder matig en van dezelfde grootteorde in de twee regio’s, en is statistisch significant. Dit verband is bovendien stabiel in de verschillende verkiezingsonderzoeken sinds 1991. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat al wie zich sterk Vlaming voelt noodzakelijk ook negatief staat tegenover migranten. Dergelijke veralgemeningen zijn ontoelaatbaar. Het wil wel zeggen dat de kans bij Vlamingen met een sterk uitgesproken subnationaal bewustzijn groter is dan bij hen die zich met België identificeren, en dat in Wallonië de omgekeerde tendens bestaat. Waals regionalisme gaat daar eerder samen met meer openheid naar migranten toe en Belgicisme leidt er vlugger tot weerstand tegen vreemden. Deze bevinding geeft een antwoord op de theoretische vraag of (sub)nationale gevoelens noodzakelijk gepaard gaan met het afwijzen van nieuwkomers. Neen dus! Dit wordt nu aangetoond voor het verkiezingsonderzoek van 2007 onder 1.984 Vlaamse en 717 Waalse kiezers. Er wordt ook een verklaring voor deze omgekeerde relatie in Vlaanderen en Wallonië voorgesteld.

De gemeten concepten: etnische dreiging, Islamfobie en (sub)nationale gevoelens

Uitspraken over empirische relaties tussen concepten zijn afhankelijk van de wijze waarop de theoretische concepten gemeten worden. Daarom moeten we daar even op ingaan. Voor de details over de geteste meetmodellen wordt verwezen naar de studie van Billiet, Jaspaert en Swyngedouw (2012).
De gepercipieerde etnische dreiging is in 2007 gemeten met een quasi-gebalanceerde set van acht items. Deze set bevat naast de vier reeds vermelde items nog bijkomend vier items over de bijdrage van immigranten aan de welvaart van het gastland, over de levenswijze van immigranten, over de bedreiging die ze vormen voor de tewerkstelling van de Belgen, en de stelling dat immigranten zwaar en vermoeiend werk uit de weg gaan. Deze laatste wordt door een meerderheid van ondervraagden verworpen.

Het tweede concept, ‘islamfobie’, is gemeten via een set van zeven stereotype uitspraken waarvan twee positief en vijf negatief verwoord zijn t.o.v. het attitudeobject: de aanwezigheid van Moslims in Europa. Deze uitspraken hebben betrekking op de cultuur en waarden bij Moslims met betrekking tot gezin, onderwijs en politieke actie. Samen meten deze indicatoren op een betrouwbare wijze het houding tegenover Moslims. Globaal genomen is de houding van autochtonen tegenover Moslims nog iets meer uitgesproken afwijzend dan de houding tegenover immigranten.

De twee besproken concepten zijn met een hoge mate van geldigheid en equivalent gemeten in de twee steekproeven. Aangezien de twee sets van indicatoren uit positief en negatief verwoorde uitspraken bestaan ten opzichte van de gemeten attitudeobjecten is het mogelijk om naast de twee attitudes bijkomend een responsestijl ‘tendens tot beamen’ te meten.

De meting van het derde concept, ‘(sub)nationaal bewustzijn’, bestaat uit vier indicatoren. De eerste indicator is een 4-puntenschaal op basis van de vraag naar de eerste en tweede geopolitieke (subjectieve) identiteit van de ondervraagden. Een uitgesproken identiteit als Vlaming (of Waal) krijgt de hoogste score, uitgesproken Belg de laagste. De tweede indicator is de bekende ‘Moreno vraag’ die nagaat of de ondervraagde zich uitsluitend of overwegend identificeert met Vlaanderen (Wallonië), met België, of met beide evenveel. De derde indicator heeft betrekking op de splitsing van België (België splitsen: score 5; herstel van de unitaire staat: score 1). De vierde indicator is een 11-puntenschaal die het gewenste beslissingsniveau uitdrukt: Vlaanderen/Wallonië (score 10) of België (score 0). Dit item is niet invariant over de twee steekproeven want het staat sterker in relatie tot ‘subnationaal bewustzijn’ in Wallonië (0,749) dan in Vlaanderen (0,632). Het concept is bijgevolg quasi-invariant maar laat nog steeds vergelijking van de relaties tot de andere concepten toe.

Bevindingen

Wat zijn de gelijkenissen en verschillen in de relaties tussen de drie empirisch onderzochte concepten bij Vlamingen en Walen? Vooraf nog iets over de gemiddelde scores. Vlamingen en Walen verschillen in 2007 gemiddeld niet van elkaar wat gepercipieerde etnische dreiging aangaat en dit is ook zo voor de meting met acht items. Islamfobie blijkt gemiddeld wel te verschillen tussen de twee regio’s: Waalse kiezers scoren lichtjes beduidend hoger op dit kenmerk en vertonen dus tegen verwachting in een meer negatieve houding. Zoals men kan vermoeden, leeft het subnationaal bewustzijn in Vlaanderen sterker dan het regionaal bewustzijn in Wallonië waar de gemiddelde score op de latente variabele beduidend lager is.

De significante relaties tussen de drie gemeten (latente) variabelen zijn te vinden in Tabel 1. Voor elke correlatie tussen twee variabelen werd de hypothese getest dat ze identiek is in de twee regio’s. Die hypothese wordt niet verworpen voor de relatie tussen etnische dreiging en Islamfobie. Men mag dus aannemen dat deze samenhang in Vlaanderen niet verschilt van Wallonië. In de twee bevolkingen bestaat er een zeer sterke relatie tussen de twee kenmerken: met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden voorspeld dat wie zich bedreigd voelt door de aanwezigheid van ‘vreemden’ zich ook negatief opstelt tegenover Moslims.

Tabel 1. Correlaties tussen de latente variabelen ‘gepercipieerde etnische dreiging’,Islamfobie’ en ‘(sub)nationaal bewustzijn’ in Vlaanderen en Wallonië gemeten in een equivalent meetmodel voor de twee steekproeven (ISPO/PIOP 2007).

De aandacht gaat vooral naar de omkering van de relaties tussen de perceptie van etnische dreiging en Islamfobie enerzijds, en het (sub)nationaal bewustzijn anderzijds. Voor etnische dreiging en (sub)nationaal bewustzijn is dit een bevestiging met wat reeds herhaaldelijk werd gevonden sinds 1991 (zie o.m.: Maddens, Billiet & Beerten, 2000). Naarmate Vlamingen een sterker Vlaams bewustzijn vertonen, hebben ze de neiging om zich ook meer bedreigd te voelen door de aanwezigheid van ‘vreemden’. Verrassend is dat dit omgekeerd is in Wallonië (negatieve relatie) en dat Walen zich meer bedreigd voelen naarmate ze zichzelf als Belg beschouwen. Eens dit wordt vastgesteld, verrast het niet dat de relatie tussen Islamfobie en (sub)nationaal bewustzijn eveneens omkeert in de twee regio’s. Deze relatie is in Vlaanderen iets sterker dan de relatie tussen (sub)nationaal bewustzijn en de perceptie van etnische dreiging.

Hoe komt dat?

De omgekeerde relatie tussen perceptie van etnische dreiging en (sub)nationaal bewustzijn werd in onze studies verklaard vanuit twee invalshoeken. De eerste invalshoek is historisch, de tweede is theoretisch en conceptueel.

Historisch werd ingebracht dat het verschil toe te schrijven is aan de verschillende evolutie van het (sub)nationalisme in Vlaanderen en het regionalisme in Wallonië, en van het maatschappelijk en politiek draagvlak van deze stromingen. De Vlaamse identiteit wordt historisch geassocieerd met culturele emancipatie en de bescherming van de Vlaamse culturele erfenis. De Waalse identiteit daarentegen wordt eerder verbonden met de sociaaleconomische ontwikkeling van de Waalse regio en met openheid naar andere culturen (Van Dam 1996). In het recente verleden (1991 tot 2007) groeide verkiezing na verkiezing de aanhang van een extreemrechtse xenofobische Vlaams-nationale partij die de positieve relatie tussen Vlaams bewustzijn en weerstand tegen ‘vreemden’ symboliseert. Het is mogelijk dat kiezers die deze weerstand niet delen in Vlaanderen eerder een Belgisch bewustzijn koesteren. In de context van de vroege industrialisatie die gepaard ging met grote migratiestromen uit Zuid-Europa was het regionalisme in Wallonië politiek links. Politiek rechts in Wallonië hangt eerder een Belgisch nationalisme aan.

De tweede verklaring maakt gebruik van de verschillende invulling van ‘burgerschap’. Sommigen benadrukken de noodzaak van een open vorm van burgerschap die ook nieuwkomers omvat zolang deze deelnemen aan het maatschappelijk leven en respect hebben voor de wetten van het land. Dit type van burgerschap refereert aan een ‘civic’ (of instrumenteel) concept van de natie. Anderen hebben daar een andere opvatting over en zijn van oordeel dat nationale identiteit een gemeenschappelijke afkomst en geschiedenis veronderstelt. Dit zijn twee elementen van de zogenaamde ‘primordiale autochtonie’, een term gebruikt door de antropoloog E. Roosens. Men spreekt in dit verband ook van etnisch burgerschap.

In het Belgische luik van het Europees Waardeonderzoek (2009) werden de twee types van burgerschap gemeten. Duidelijke indicatoren voor etnisch burgerschap zijn: in het land geboren zijn, de duur van verblijf en de afkomst (voorouders). Respect hebben voor de wetten en het politiek systeem van het land, en de taal van het land (of regio) kunnen spreken, gelden als indicatoren van instrumenteel burgerschap. Het taalcriterium blijkt echter ambigu van betekenis en staat in relatie tot de twee burgerschaptypes. Het beheersen van de landstaal verwijst mogelijks eerder naar instrumenteel burgerschap omdat het nieuwkomers in staat stelt om aan het maatschappelijk leven deel te nemen. Het gebruik van de landstaal verwijst als indicatie van afkomst daarentegen meer naar etnisch burgerschap.

In het ISPO onderzoek van 2010 werden de twee burgerschapsopvattingen beter gemeten door bijkomende voorwaarden9 op te nemen. Om na te gaan of de omkering van de relatie tussen etnische dreiging en (sub)nationalisme verklaard kan worden door de collectieve voorstellingen van burgerschap moeten de drie concepten samen onderzocht worden bij Vlamingen en Walen. Er moet dan kunnen worden aangetoond dat de etnische burgerschapsopvatting in Vlaanderen samengaat met het (sub)nationaal bewustzijn en in Wallonië met Belgisch nationaal bewustzijn. Bovendien moet dan nog kunnen worden uitgelegd waarom dat zo is. Wij beschikken in het verkiezingsonderzoek van 2010 helaas niet over deze gegevens voor de Waalse kiezers. Onze verklaring blijft daarom voorlopig hypothetisch.

TWEE TEGENDRAADSE BEVINDINGEN…

De voorstelling dat Vlamingen in grotere mate dan Walen negatief staan tegenover vreemden klopt niet. Nauwgezet onderzoek toont dit aan. Dat is een eerste tegendraadse bevinding. Als er al een verschil zou zijn in de opinie van de twee bevolkingen dan is dit onderhevig aan wisselende omstandigheden en afhankelijk van de aard van gepercipieerde dreiging, cultureel of sociaaleconomisch. Een ander waanbeeld dat in de media de ronde doet, is de voorstelling dat de ‘Belgen minst tolerant voor migranten’ zijn onder de Europeanen (De Morgen, 6 augustus 2011). Zulk bericht steunt op gebrekkig onderzoek. Een willekeurige selectie van een handvol landen wordt zonder enige controle verspreid door de media. Uit verschillende rondes van het ESS10 blijkt alvast dat onder 25 tot 32 Europese landen België zich aan de negatieve kant maar niet ver van het gemiddelde situeert inzake weerstand tegen migranten. Landen die veel positiever scoren inzake houding tegenover immigranten zijn de Noorse landen (Noorwegen, Zweden, Finland), maar in het Zuiden (Griekenland, Portugal) en Centraal-Europa (Polen, Hongarije) zijn vreemden minder welkom. België verschilt al bij al niet zo heel veel van zijn buurlanden (Meuleman, Davidov & Billiet, 2009).

Een tweede tegendraadse bevinding heeft betrekking op het veronderstelde universele verband tussen de weerstand tegen vreemden en (sub)nationale (of regionale) verbondenheid. Onze studies die een verschil in relatie aantonen tussen Vlaanderen en Wallonië, relativeren dit. Dat (sub)nationaal bewustzijn de weerstand tegen vreemden noodzakelijk versterkt, wordt door empirisch onderzoek weerlegd. Zowel ontwikkelingen in het verleden als collectieve voorstellingen over burgerschap kunnen deze relatie modificeren. De verklaring van de wisselende relatie is nog hypothetisch en wordt verder onderzocht.

Jaak Billiet
Emeritus, en in die hoedanigheid bijzonder gastprofessor aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (CeSO), K.U.Leuven

Noten
1/ Billiet J. (2011), Flanders versus Wallonia, Right versus Left is this real? Pp 11-24 in: De Wever Bruno (ed.) Right-Wing Flanders, Right-Wing Wallonia? Is this so? If so, Why? And What is the Problem? E-book: Re-Bel Initiative. Rethinking Belgium in the European Context.
2/ De situatie in Brussel is onduidelijker. Brussel is een grote stedelijke agglomeratie en dat maakt reeds op zich een vergelijking met de andere twee gewesten moeilijk. Door de zeer gemengde samenstelling van de bevolking is Brussel moeilijk in termen van links en rechts te vatten. Bovendien laten de steekproeven waarvan we gebruik maken niet toe betrouwbare uitspraken over Brussel te doen.
3/ De data van de verkiezingen van 2010 worden hier niet gebruikt omdat in 2010 geen verkiezingsonderzoek plaats had in Wallonië.
4/ De responsgraden van de Vlaamse ISPO steekproeven liggen tussen 60% en 65%. In Wallonië (PIOP) zijn ze voor de surveys in de jaren 1990 iets lager (tussen 55% en 60%) maar zijn ze in 2003 en 2007 op vergelijkbare hoogte als de ISPO steekproeven.
5/ Daardoor, en door de non-respons, kan er wel enige vertekening zijn in de richting van de meer politiek geïnteresseerden. Die wordt gedeeltelijk rechtgetrokken bij de correctie voor non-response via poststratificatie weging.
6/ De data van de verkiezingen van 2010 worden hier niet gebruikt omdat in 2010 geen verkiezingsonderzoek plaats had in Wallonië.
7/ Het gezamenlijk equivalent model voor Vlaanderen en Wallonië is niet in de aparte rapporten opgenomen maar kan op aanvraag worden bekomen.
8/ Tenzij het om een meetfout zou gaan in de Waalse steekproeven omwille van de non-response. Dit is echter niet heel aannemelijk omdat uit onderzoek over non-response blijkt dat dit eerder tot een onderschatting van een negatieve houding tegenover migranten leidt.
9/ De uitbreiding van de instrumentele opvatting van burgerschap met bijkomende voorwaarden als belastingen betalen, verscheidenheid van opvattingen respecteren, zoals dit gebeurde in ISPO 2010.
10/ Het ESSkreeg in 2005 de Europese Descartes prijs voor de kwaliteit en methodologische innovatie inzake gegevensverzameling.

Literatuur
Alleen de voornaamste gebruikte ISPO/PIOP rapporten en publicaties zijn opgenomen in de literatuurlijst. Een uitgebreide verantwoording van de gebruikte methodes en ook verwijzingen naar alle gebruikte literatuur zijn daarin aanwezig.
- Billiet J. and Swyngedouw M. (2009), Etnische minderheden en de Vlaamse kiezers. Een analyse op basis van de postelectorale verkiezingsonderzoeken 1991-1995-1999-2003-2007. CeSO/ISPO/2009-10, 34 p. (http://soc.kuleuven.be/web/staticpage/6/34/nl/456).
- Billiet J., Jaspaert E. & Swyngedouw M. (2012), Diversity in the Relationship between Perceived Ethnic Threat, Islamophobia and (sub)national identity in Belgium: a combination of two approaches. pp. 279-289, in: Salzborn S., Davidov E. & Reinecke J. (Eds.), Methods, theories, and empirical applications in the social sciences: A festschrift for Peter Schmidt. Edited by Wiesbaden: VS Verlag.
- Baudewyns P., Billiet J., Bol D., Swyngedouw M. and Frognier A. 2(010), Une analyse sur la base de l’enquête post-électorale de 2007. Bulletin de recherche de PIOP. Louvain la Neuve: UCL/PIOP.
- Maddens B., Billiet J. & Beerten R. (2000), National Identity and the Attitude Towards Foreigners in Multi-national States: the Case of Belgium, Journal of Ethnic and Migration Studies. 26 (1), pp. 45-60.
- Meuleman B., Davidov E. & Billiet J. (2009), Changing attitudes toward immigration in Europe, 2002-2007: A dynamic group conflict theory approach. Social Science Research, 38, pp. 352-365.

vreemden - Vlaanderen - Wallonië - etnocentrisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 13