Abonneer Log in

Onze energiefactuur ontleed

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 45 tot 55

De voorbije maanden domineerde de stijgende elektriciteitsfactuur het nieuws. In 2015 betaalden gezinnen met een gemiddeld elektriciteitsgebruik van ca. 3500 kWh/jaar ongeveer 70% meer op hun elektriciteitsfactuur dan in 2003. Vorig jaar werd de btw opnieuw opgetrokken van 6% naar 21%, stegen de distributienettarieven en moesten de intercommunales zoals Eandis en Infrax vennootschapsbelasting gaan betalen, wat ze natuurlijk ook doorrekenden aan de klant. Dit jaar zal voor de gezinnen de factuur verder stijgen door de Turteltaks en door de afschaffing van de gratis stroom. Redenen genoeg voor het Transitienetwerk Middenveld (TNM) om zich te verdiepen in de energiefactuur.

DE OVERHEID SCHIET TEKORT

Niemand ontkent dat een klimaatneutraal energiesysteem veel investeringen vergt in energie-efficiëntie, in productie van hernieuwbare energie en in de modernisering en de uitbouw van het elektriciteitsnet en andere energie gerelateerde infrastructuur (bijvoorbeeld warmtenetten). Vraag is echter welke investeringen we willen en hoe we ze financieren. Het overheidsbeleid is cruciaal in dit gebeuren: het kan een groot verschil maken voor beide aspecten. Verder rijst de vraag hoe die investerings- en beheerskosten verdeeld worden over de verschillende actoren van het energiesysteem, wie eigenaar is van de investeringen en de winsten die eruit voortvloeien en wat daarvan de effecten zijn? Zorgt dat ervoor dat we snel genoeg evolueren naar een ecologisch duurzame samenleving, dat iedereen een rechtvaardige bijdrage betaalt, dat de energieprijzen energiebesparing stimuleren, dat energiearmoede weggewerkt wordt en dat de burger meer zeggenschap krijgt in zijn energievoorziening?

Er blijft een grote kloof bestaan tussen het tempo waarop het energiesysteem momenteel verandert en het noodzakelijke tempo om de mondiale en Europese langetermijndoelen te halen op het vlak van klimaatneutrale economie. In Europa liggen de groothandelsprijzen op de vrijgemaakte elektriciteitsmarkt gemiddeld 20% te laag om investeringen in elektriciteitsproductie rendabel te maken.1 De beleidskosten voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie komen vooral bij de gezinnen en de kleine bedrijven terecht. Ze treffen (arme) gezinnen dikwijls extra hard. Langs de kant van de verdeling van de baten valt op dat de regering geen steun meer geeft aan kleine installaties van zonnepanelen maar grotere installaties wel blijft steunen, terwijl de steunbehoefte sterk vergelijkbaar is.

De overheid schiet dus tekort. Daarom formuleert het Transitienetwerk Middenveld (TNM)9 voorstellen om het beleid te verbeteren.

1. INTERNALISEER EXTERNE KOSTEN

Heel wat kosten van fossiel energieverbruik zitten niet in de energiefactuur. Ze worden gedragen door de maatschappij, bijvoorbeeld onder de vorm van gezondheidsschade en ecologische schade door klimaatopwarming en luchtverontreiniging.

Die afwenteling moet stoppen. De ‘externe kosten’ moeten zoveel mogelijk geïnternaliseerd worden in de prijs. Het gevolg zal zijn dat veel vormen van hernieuwbare energie niet of nauwelijks nog steun behoeven. Bovendien worden dan ook de verdelingseffecten aangepakt die gepaard gaan met deze ‘externe kosten’. Zo worden bij ons bepaalde gebieden/bevolkingsgroepen zwaarder getroffen door luchtverontreiniging. En op wereldvlak worden bepaalde landen (vooral in het Zuiden) zwaarder getroffen door klimaatverandering.

Het beleid in België/Vlaanderen en de buurlanden zet nu te eenzijdig in op het wegwerken van ‘kostenhandicaps’ voor grote bedrijven, waarmee de race to the bottom wordt aangezwengeld. Zo stelde Duitsland zijn energie-intensieve industrie grotendeels vrij van kosten voor het hoogspanningsnet en voor steun aan hernieuwbare energie2, waarna de buurlanden vonden dat ze niet konden achterblijven. Er wordt geen werk gemaakt van Europese beleidskaders of vergelijkbare afspraken met de buurlanden die een gelijk speelveld creëren op een hoog beschermingsniveau. Het klimaatakkoord van Parijs is in deze optiek een belangrijk lichtpunt dat ten volle moet worden aangegrepen om het tij te keren.

Het Europees Emissiehandelssysteem voor broeikasgassen (EU ETS) moet externe kosten internaliseren. Maar de vraag rijst of EU ETS echt het verschil maakt. Eind januari bedroeg de prijs van de EU ETS-uitstootrechten amper 6,57 euro per ton CO23, wat ongeveer een kwart is van de prijs die Europa oorspronkelijk voor ogen had. De emissies in de ETS-sectoren dalen wel degelijk. Maar gegevens van de Europese Commissie4 lijken uit te wijzen dat de broeikasgas-intensiteit5 van de Europese economie tijdens de eerste twee fases van EU ETS niet sneller is gedaald dan de autonome trend van de periode voor de invoering van het systeem (1990-2004).

Om onze economie koolstofarm te maken is een sterk EU ETS-systeem nodig waarin o.a. meer rechten geveild worden (en er dus minder gratis toegekend worden). Dit zal ongetwijfeld leiden tot een substantieel hogere CO2-prijs. Deze veilinginkomsten moeten worden ingezet voor investeringen in innovatie, energiebesparing en hernieuwbare energie, voor vorming en opleiding van de werknemers in de betrokken sectoren en voor klimaatfinanciering in het Zuiden. Dit in tegenstelling tot het huidige Vlaamse beleid dat - onder het door Europa toegelaten systeem van de compensatie voor ‘indirecte emissiekosten’ - een veel te groot deel van de inkomsten terugstort aan de energie-intensieve industrie zonder daar voorwaarden aan te koppelen.

2. MAAK WERK VAN EEN VISIE EN EEN MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK

De Europese doelstellingen zijn gekend: 80-95% reductie van broeikasgassen tegen 2050 in vergelijking met de niveaus van 1990, en verder ook tussentijdse doelstellingen om minder broeikasgassen uit te stoten, minder energie te verbruiken en meer energie te halen uit hernieuwbare energiebronnen.

Om die doelstellingen te halen en tezelfdertijd bevoorradingszekerheid te garanderen, is behoefte aan een langetermijnvisie op het energiesysteem (zie de Duitse Energiewende) die tot stand moet komen na een breed maatschappelijk debat en vastgelegd wordt in een pact. Volgende thema’s moeten aan bod komen: Vlaamse en Belgische doelstellingen voor de uitstoot van CO2, voor hernieuwbare energie en voor energiebesparing die in lijn liggen met wat nodig is in de strijd tegen de klimaatopwarming; een oplossing voor het feit dat de integratie van hernieuwbare energie bemoeilijkt wordt door grote hoeveelheden niet-flexibele elektriciteitsproductie (o.a. van kerncentrales); een voldoende hoge en voorspelbare CO2-prijs zodat zowel producenten als consumenten aangespoord worden tot meer duurzame keuzes, een verankering van decentrale hernieuwbare energie in handen van de bevolking en ten slotte het aanwenden van inkomsten uit een CO2-heffing en uit de veiling van uitstootrechten voor de nodige investeringen in een klimaatneutrale economie en een sociaal energiebeleid.

De huidige regeringen hebben in hun regeerakkoorden wel een energiepact aangekondigd, maar tot nu toe kwam daar niets van in huis. In plaats daarvan wordt de kernuitstap uitgesteld en is er een sluipende besluitvorming aan de gang die vooral de kortetermijnbelangen van (een deel van) de bedrijven dient.

3. KIES VOOR EEN ANDERE FINANCIERING

De beleidskosten die Vlaanderen en België nu maken om de Europese doelstellingen te halen - bijvoorbeeld via het systeem groenestroomcertificaten - worden nu uitsluitend toegewezen aan de elektriciteitsfactuur. Een groot deel van het fossiele energieverbruik ontsnapt daardoor, terwijl verbruik uit hernieuwbare bronnen (vooral elektriciteit) wel betaalt.

We pleiten ervoor om de steun aan hernieuwbare energie en energiebesparing te laten betalen door het volledige energiesysteem. Dat kan bijvoorbeeld via een CO2-heffing op het gebruik van fossiele brandstoffen (aardgas, stookolie, diesel/benzine). Dat is een efficiënte klimaatmaatregel die leidt tot een eerlijkere verdeling van de lasten. Bovendien wordt zo ook het grote totale potentieel voor energiebesparing en energie-efficiëntie in het kader van warmtetoepassingen (bijvoorbeeld verwarming gebouwen) aangesproken.

4. INVESTEER IN ENERGIENETTEN OP BASIS VAN EEN TOEKOMSTVISIE

Onze energienetwerken staan voor heel wat uitdagingen. Grote centrales worden vervangen door hernieuwbare energie-installaties die dichter bij de verbruiker opgesteld worden. Het verbinden van regio’s waar bepaalde hernieuwbare bronnen ruimer voorradig zijn (waterkracht in bergachtige gebieden, zonne-energie in Zuid-Europa, windmolens in de Noordzeeregio) maakt het systeem stabieler. Het tijdstip waarop elektriciteit opgewekt kan worden, verandert ook. Fossiele energiebronnen kunnen worden ingezet op het moment van de vraag. Waterkrachtcentrales zijn nog sneller regelbaar, terwijl zonne- en windenergie beschikbaar zijn op het moment dat de wind waait en/of de zon schijnt. Zon en wind moeten daarom gecombineerd worden met flexibele eenheden, vraagsturing en opslagcapaciteit, terwijl onze kerncentrales enkel niet-regelbare baseload6 op het net plaatsen. Het proces van elektrificatie kan de vraag naar elektriciteit doen toenemen. En de recente aandacht voor (groene & rest-)warmte brengt de warmtenetten opnieuw in beeld. Voor gasnetten rijst de vraag hoe fijnmazig ze uitgebouwd moeten worden als onze maatschappij onder meer mikt op energieneutrale woningen en warmtenetten.

Als we op een kostenefficiënte manier willen omgaan met die veranderingen, is dringend een visie nodig op de uitbouw van gas-, elektriciteits- en warmtenetten en de interactie daartussen (bijvoorbeeld overtollige elektriciteit gebruiken voor warmteopwekking). Deze visie moet bovendien passen in de globale toekomstvisie op het energiesysteem.

5. HOUD ENERGIENETTEN IN PUBLIEKE HANDEN

Een te beslechten vraag is wie welke onderdelen van die netten zal beheren. Het distributienet voor gas en elektriciteit is vandaag volledig in handen van intercommunales. Maar Eandis, één van de twee werkmaatschappijen, is momenteel op zoek naar een private partner in de financiële wereld. En die zal alleen investeren als daar een voldoende hoog/zeker dividend tegenover staat.

Energienetten moeten in essentie in publieke handen blijven. Het zijn publieke goederen die ten dienste moeten staan van de gebruikers en ze zijn van essentieel belang voor de integratie van hernieuwbare energie. En in een toekomst waarin steeds meer verbanden ontstaan tussen de verschillende netten, wordt dit punt nog belangrijker. Al moet de samenleving meer zeggenschap krijgen in het netbeheer.

Er is maatschappelijk debat nodig over de vraag hoe ver we dit principe willen doortrekken. De huidige regelgeving voorziet in de mogelijkheid om private lokale netten (gesloten distributienetten) uit te bouwen, maar die mogelijkheid is tot nu toe beperkt. Toch streven grote bedrijven daar naar. Aan het huidige systeem van financiering van steun aan hernieuwbare energie hangen belangrijke financiële voordelen vast. En ook langs de andere ‘fijnmazige’ kant van het net rijst de vraag hoe ver het monopolie van de netbeheerder zich precies moet uitstrekken. Dat monopolie zou immers de evolutie kunnen afremmen naar decentrale opwekking van elektriciteit. Het kan bijvoorbeeld interessant zijn om als buren, op wijkniveau, samen een installatie te bouwen en te voorzien in een lokaal netwerk. Deze decentraal opgewekte elektriciteit wordt dan ook lokaal verbruikt, wat het net kan ontlasten. Daartegenover staat het gevaar dat, als alle meer kapitaalkrachtige bedrijven en gezinnen eigen private netwerkjes uitbouwen, armere burgers alleen opdraaien voor het steeds meer onbetaalbaar wordende publieke net.

6. HERBEKIJK HET DOORREKENEN VAN DE KOSTEN

De uitgaven van distributienetbeheerders (DNB’s, overkoepeld door Eandis en Infrax) vallen uit elkaar in twee grote blokken. Ten eerste zijn er de kosten die te maken hebben met de uitbouw en de exploitatie van de netten (de eigenlijke netkosten). Ten tweede zijn er de kosten voor de openbaredienstverplichtingen (ODV’s) die de overheid oplegt aan de DNB’s. Die omvatten enerzijds de ecologische ODV’s (de verplichte opkoop van WKK- en groenestroomcertificaten8 en de uitbetaling van premies voor energiebesparing) en anderzijds de sociale ODV’s voor de bestrijding van energiearmoede. De regering schafte recent de ODV gratis stroom af, zodat de DNB-uitgaven daarvoor weggevallen zijn.

De distributienetvergoeding die gezinnen betalen voor het gebruik van het elektriciteitsnet stijgt snel, hoewel de eigenlijke netkosten van de DNB’s de laatste jaren ongeveer gelijk gebleven zijn.9 Het dalend elektriciteitsverbruik speelt daarbij een rol.10 De doorrekening van de (historische, huidige en toekomstige) kosten voor de opkoopplicht groenestroomcertificaten (GSC) is de belangrijkste oorzaak. Verder heeft ook de manier waarop de DNB’s die kosten toewijzen aan hun verschillende klantengroepen een belangrijk effect op de hoogte van de factuur.

De distributienetbeheerders (DNB’s) verdelen de eigenlijke netkosten tussen hun laagspanningsklanten en hun middenspanningsklanten op basis van het cascadeprincipe. Klanten die aangesloten zijn op lagere spanningsniveaus betalen daardoor voor de exploitatiekosten van hogere spanningsniveaus in verhouding tot hun aandeel in het elektriciteitsverbruik. Concreet betaalt de laagspanning 80% van de totale kosten van het distributienet en de middenspanning 20%. Voor de doorrekening van de kosten voor de ODV’s gelden andere percentages. Eandis wijst 90% van die kosten toe aan de laagspanning en 10% aan de middenspanning. Bij Infrax is de verhouding 85%-15% (mits enkele uitzonderingen zoals de sociale ODV’s). Binnen elke groep worden de kosten verder toegerekend aan individuele klanten op basis van hun verbruik (kWh). De bezitters van kleine PV-installaties (zonnepanelen) betalen netkosten op basis van een bijzondere regeling (het prosumententarief).

Die toerekening aan individuele klanten op basis van hun elektriciteitsverbruik (kWh) ligt momenteel onder vuur. De regering en de DNB’s willen ze vervangen door een capaciteitsvergoeding, zijnde een vaste vergoeding die bepaald wordt in functie van het vermogen (kW) van de aansluiting. Dat komt overeen met het maximaal vermogen dat de gebruiker van het net kan afnemen zonder dat de zekering springt. Hoewel dit afhankelijk zal zijn van de specifieke modaliteiten dreigt een capaciteitstarief kleine en zuinige verbruikers te benadelen in vergelijking met grotere gebruikers. Een capaciteitstarief werkt immers als een vaste kost, hij is niet afhankelijk van het verbruik. Bovendien is het vermogen van de aansluiting bij veel verbruikers mogelijk een stuk zwaarder dan nodig (in hun technisch reglement raden de netbeheerders een standaardaansluiting aan; een te lichte aansluiting veroorzaakt problemen).

Wat wil het Transitienetwerk Middenveld (TNM) veranderd zien?

Ten eerste willen we een grondig politiek en maatschappelijk debat over de manier waarop netkosten toegerekend worden aan individuele klanten. Op welke manieren kan dit en wat zijn telkens de voor- en nadelen? De regering beweert dat het capaciteitstarief de enige manier is om netkosten op een ‘kostenreflectieve’ manier toe te wijzen aan klanten. Maar de Belgische rechtspraak11 kwam al tot het besluit dat het niet mogelijk is om de (meeste) kosten van collectieve (netwerk)infrastructuur op een objectieve basis toe te wijzen aan individuele verbruikers. Vaak moeten keuzes gemaakt worden.

TNM pleit voor een zodanige verdeling van de netkosten over de gebruikers dat iedereen tegen een aanvaardbare prijs elektriciteit ontvangt. De verdeling moet verder sturen richting een optimaal gebruik van en optimale investeringen in het net, namelijk door het aanmoedigen van energie-efficiëntie en peak shaving12 en door het bevorderen van doordachte integratie van installaties voor hernieuwbare energie in het net. Een variabele vergoeding in functie van het verbruik scoort ook op dit vlak veel beter dan een capaciteitsvergoeding. Uit rechtvaardigheidsoogpunt en omwille van REG-doelstellingen zijn we bijkomend voorstander van een progressieve tariefstructuur voor gezinnen (goedkopere eerste schijf en duurdere volgende schijf/schijven).

Ten tweede. Omdat de kosten voor de openbaredienstverplichtingen (ODV's) eigenlijk beleidskosten zijn, vinden we dat de politieke overheid - na een maatschappelijk debat op basis van heldere informatie - moet beslissen over de toewijzing aan klantengroepen van deze uitgaven. Nu wordt dit type van beslissingen aan de distributienetbeheerders (DNB’s) overlaten. De keuzevrijheid van de politiek is in onze ogen wel beperkt: kruissubsidiëring kan niet, noch om het concurrentievermogen van de bedrijven te versterken, noch om het energiearmoedebeleid te financieren. Het is verkeerd dat laagspanningsklanten een veel groter deel betalen van de uitgaven voor groenestroomcertificaten dan middenspanningsklanten. Dit steunbeleid is in essentie klimaatbeleid. Niet het spannings­niveau waarop de klant is aangesloten, maar bijvoorbeeld wel de verbruikte hoeveelheid elektriciteit is in die context relevant. Het is overigens de vraag of een aantal van de ODV-kosten wel via de distributienetvergoeding gefinancierd moeten worden. Het was oorspronkelijk immers de bedoeling om het systeem van de groenestroomcertificaten volledig te financieren via de leverancierscomponent. En het is evenmin correct dat klanten btw betalen op bijdragen die door de overheid opgelegd worden om beleidsdoelen te financieren.

Ten derde dient het cascadeprincipe te worden herbekeken. Het past bij een situatie van ‘centrale’ elektriciteitsproductie die volgens een watervalsysteem elektriciteit levert aan de klanten. Maar het geraakt achterhaald naarmate de decentrale elektriciteitsproductie verder doorbreekt.

7. WENTEL DE KOST NIET AF OP DE GEZINNEN

Er is veel energie-intensieve industrie in België. Geregeld stelt het bedrijfsleven dat de energiekost hier hoger ligt dan elders. Onze regering kent daarom steeds meer voordelen toe aan energie-intensieve bedrijven en wentelt de kosten af op de gezinnen (Figuur 1).

Een recente studie van de CREG13, die de prijzen van elektriciteit en gas voor Belgische industriële verbruikers vergelijkt met die van de vier buurlanden, levert een meer genuanceerd beeld op. Wat elektriciteit betreft is België doorgaans goedkoper voor bedrijven met een gemiddeld elektriciteitsverbruik (peakload industriële verbruikers). Voor de meest energie-intensieve bedrijven (baseload industriële profielen) is België wel gemiddeld duurder dan Frankrijk, Duitsland en Nederland. Het Verenigd Koninkrijk is altijd het duurste land. Voor industriële aardgasverbruikers is België altijd het goedkoopst van alle onderzochte landen.

Overigens geeft een dergelijke vergelijking van leveranciersprijzen geen volledig beeld. Steeds meer Belgische energie-intensieve bedrijven baten - al dan niet samen met energiebedrijven - zelf installaties uit om elektriciteit (en warmte) op te wekken. Er zijn geen gegevens over de kostprijs van hun elektriciteit. En verder kan de situatie snel wijzigen. Zo heeft de recente beslissing om de levensduur van enkele Belgische kerncentrales te verlengen de Belgische groothandelsprijs voor elektriciteit fors doen dalen. Bedrijven, die hun elektriciteit ook rechtstreeks (kunnen) aankopen op de elektriciteitsbeurs, profiteren veel meer van deze lage groothandelsprijzen dan gezinnen en kmo’s.

Wat TNM betreft kan er zeker een debat gevoerd worden over het effect van de energiefactuur op de concurrentiepositie van onze bedrijven. Maar het debat moet worden gevoerd op basis van degelijke publieke informatie over de volledige energiefactuur van onze bedrijven, en niet alleen op basis van de ongunstigere elektriciteitsprijs op de beurs of ongunstigere transport- en distributienettarieven, terwijl veel energie-intensieve bedrijven bilaterale leveringscontracten afsluiten of zelf elektriciteit produceren. Als een compensatiemechanisme nodig blijkt, moet dat beperkt worden tot de segmenten die het echt nodig hebben, kan de compensatie nooit hoger zijn dan nodig, moet het mechanisme passen in een weldoordacht industrieel beleid dat o.a. leidt naar de klimaatneutrale economie en degelijke jobs, en kan de kostprijs niet worden verrekend in de energiefactuur van andere gebruikers. Bovendien schiet Europa tekort op dit vlak (zie bijvoorbeeld de kostenverlagingen voor de grote Duitse bedrijven). In de Europese elektriciteitswetgeving moet een bepaling opgenomen worden die zorgt voor een rechtvaardige verdeling van de kosten over de verschillende klantengroepen.

Gezinnen en kmo’s betalen een steeds groter deel van allerlei kosten die aan de elektriciteitsfactuur toegevoegd worden. Los van de vraag of die doorschuifoperatie rechtvaardig is, doet de stijgende factuur de behoefte toenemen aan een sterk overheidsbeleid op het vlak van energie-efficiëntie bij kleine gebruikers (bijvoorbeeld wijkrenovatie) en aan degelijke sociale correcties (zie verder).

De afwenteling van de kost van steun voor hernieuwbare energie op gezinnen en kleine bedrijven stelt verder de vraag scherp wie de baten krijgt van de het stimuleringsbeleid voor hernieuwbare energie. Wie investeert heeft recht op een correcte return (niet méér, maar ook niet minder): de overheid zou moeten zorgen voor een beleidskader waarin de economische baten van de investeringen zo ruim mogelijk gespreid worden over de bevolking. Decentrale hernieuwbare energie biedt daartoe veel kansen. En energie-coöperaties of vergelijkbare formules kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.

8. ZORG VOOR EFFICIËNTE SOCIALE CORRECTIES

Hierboven deden we aanbevelingen voor een tariefstructuur die van toepassing moet zijn voor de grote meerderheid van de gezinnen. Op die tariefstructuur moeten daarenboven sociale correcties aangebracht worden voor de ongeveer 15% van de gezinnen die in energiearmoede leven. De prijsstijgingen voor elektriciteit hebben een belangrijke negatieve impact op de koopkracht van kwetsbare gezinnen. De kosten voor energie wegen bij deze gezinnen erg zwaar door in het gezinsbudget. Bij de armste 25% van de bevolking gaat 15% van het budget naar energie. De afschaffing van de gratis kWh versterkt de problemen. Omdat armere gezinnen een pak minder elektriciteit verbruiken dan gemiddeld, hadden ze meer voordeel bij het systeem.14

Het uitgangspunt om energiearmoede aan te pakken, is een goed begrip van de oorzaken ervan: een ontoereikend inkomen, slechte huisvesting, stijgende energieprijzen en de impact/complexiteit van de liberalisering van de energiemarkt.15 Dikwijls gaat het om een combinatie van factoren. Zo blijkt uit verschillend onderzoeken dat private huurders vaker wonen in oudere woningen, meer dan gemiddeld een laag inkomen en/of een laag opleidingsniveau hebben en vaak alleenstaand zijn of tot een eenoudergezin behoren.

Er bestaan verschillende steunmaatregelen (de sociale maximumprijs voor gas en elektriciteit, het sociaal energiefonds waarmee OCMW’s mensen met energieschulden verder helpen, de sociale ODV’s en enkele REG-ODV’s), maar armoedeonderzoek wijst uit dat slechts ruwweg de helft van het aantal Vlamingen dat in energiearmoede leeft daadwerkelijk een sociale correctie ontvangt. De doelgroep moet dus uitgebreid worden. Ook een automatische toekenning van de correctie zal een verschil maken. Verder moet de hoogte van het sociaal tarief afhangen van de betaalbaarheid voor de doelgroep, terwijl het sociaal tarief nu afgeleid wordt van de marktprijs.

De overheid moet kwetsbare groepen meer helpen om over te schakelen naar een goedkopere energieleverancier. Alle gemeenten en OCMW’s moeten mensen helpen bij het zoeken en kiezen van de leverancier met de goedkope aanbieding en bij het in orde maken van alle administratie zodat mensen effectief overstappen.

De regering moet haar belofte waarmaken om voor mensen in armoede in te zetten op energiebesparende maatregelen, zeker in private huurwoningen maar ook in de sociale woningbouw. Dit beleid moet zijn ingebed in het ruimere woonbeleid en moet o.a. gepaard gaan met verbetering van de woonkwaliteit en waterbesparende maatregelen, zonder de huurprijs noemenswaardig te verhogen.

9. HERVORM HET ENERGIEFONDS

Hoe financieren we de kosten van het beleid met betrekking tot hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en energiearmoede? Via de energiefactuur? Zo ja, via welke energiefactuur (olie, gas, elektriciteit), en via welke rubriek op de factuur (commodity, netvergoeding, specifieke energieheffing)? Of via generieke of specifieke heffingen en/of belastingkortingen die losstaan van de energiefactuur?

Heel wat overwegingen spelen hier. Elke financieringswijze heeft andere verdelingseffecten. Voor zover financiering gebeurt via de commodity of de netvergoeding betalen de (niet-vrijgestelde) klanten, bijvoorbeeld voor hun aansluiting en/of hun verbruik. Voor zover de financiering gebeurt via specifieke heffingen op de energiefactuur, bepalen de modaliteiten van de heffing de verdelingseffecten. Bij financiering uit generieke belastingen draagt elke belastingbetaler meer bij naar draagkracht (personenbelastingen maken het grootste deel uit van de overheidsinkomsten en zijn in ruime mate progressief). En elke financieringswijze geeft andere economische, ecologische en gedragseffecten. Het gaat dan over de mate waarin de prijs van bepaalde energiegoederen beïnvloed wordt. En vervolgens over het effect dat dit heeft voor de concurrentiepositie van onze economie, voor energiebesparing, voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en voor de overschakeling naar meer klimaat- en milieuvriendelijke energievormen.

Bij het maken van keuzes geven helaas twee overwegingen de doorslag bij de huidige regeringen. Ten eerste, zijn er mogelijkheden om te besparen in de begroting door uitgaven door te schuiven naar de energiefactuur? En, ten tweede, valt er op korte termijn een concurrentievoordeel te halen voor onze (veelal exportgerichte) energie-intensieve bedrijven? Belangen zoals klimaat, koopkracht van de gezinnen (en dus binnenlandse vraag) en vergroening van onze economie spelen geen rol.

Dat wordt duidelijk als we de recente beleidsbeslissingen overlopen. De inkomsten van de veiling van uitstootrechten onder het Europees Emissiehandelssysteem voor broeikasgassen (EU ETS) worden via het systeem ‘indirect carbon leakage’ voor een belangrijk deel als (onvoorwaardelijke) subsidie uitgekeerd aan energie-intensieve bedrijven. De invoering van de vennootschapsbelasting op intercommunales zorgt voor een extra inkomst voor de federale schatkist, maar zorgt voor een stijging van de gas- en elektriciteitsfactuur met gemiddeld 30 euro per gezin. En dan is er de financiering van de steun aan hernieuwbare energie via de Turteltaks en via de distributienetvergoeding voor elektriciteit. Terwijl energie-intensieve bedrijven grotendeels vrijgesteld worden, doen deze maatregelen de elektriciteitsfactuur van een gemiddeld gezin stijgen met 330 euro op iets meer dan een jaar tijd. Door de forfaitaire aard van de Turteltaks worden kleine verbruikers (dikwijls mensen met een hoger risico op energiearmoede) extra zwaar getroffen. Energiezuinig gedrag wordt niet beloond of gestimuleerd. Het opnieuw optrekken van de btw op elektriciteit van 6 naar 21% treft bedrijven niet omdat ze die btw kunnen aftrekken. Maar het treft wel de gezinnen, en dan vooral de arme gezinnen.16

TNM pleit voor een grondige hervorming van het Energiefonds (en het Klimaatfonds) om de energie- en klimaatgerelateerde overheidsinkomsten en -uitgaven te beheren. De inkomsten moeten vooral komen uit een CO2-heffing en eventueel ook uit een heffing op energie en/of een dotatie uit de reguliere fiscale inkomsten. Een CO2-heffing op fossiele brandstoffen moet zorgen voor een zuiniger gebruik en een daling van de CO2-uitstoot. Het fonds moet de beleidsuitgaven financieren voor steun aan hernieuwbare energie, voor energie-efficiëntie en voor structurele energiebesparingsmaatregelen en sociale correcties op de energiefactuur bij mensen in armoede. Het fonds moet zorgen voor een structureel klimaatbeleid, voor een stabilisatie van energie gerelateerde inkomsten over de legislaturen heen, voor transparantie op het vlak van inkomsten en uitgaven, en voor zoveel mogelijk gelijke behandeling van alle energiegebruikers. Omdat de olie- en gasprijzen sterk gedaald zijn (sinds midden 2014 daalde de olieprijs van meer dan 110 euro naar een goede 30 euro per vat17), terwijl de gasprijs in Noord-Amerika juist stijgt18, ontstaat hiervoor ruimte. Al geldt ook hier dat een Europees beleid de zaken fel zou vergemakkelijken.

In het huidige politieke klimaat kunnen de kosten voor de openbaredienstverplichtingen (ODV’s) slechts gefinancierd worden uit fiscale inkomsten (algemene middelen) als hiervoor een nieuw en rechtvaardig financieringsmechanisme ingevoerd wordt. Anders leidt deze verschuiving naar bijkomende besparingen in de begroting die vooral de gezinnen treffen, en armere gezinnen verder in energiearmoede duwen.

Pieter Verbeek & de TNM-werkgroep energie

| Dit artikel is de samenvatting van de recente werkzaamheden van de Werkgroep Energie van het Transitienetwerk Middenveld (TNM) waaraan de volgende mensen actief deelnamen: Bert De Wel (ACV, voorzitter van de werkgroep), Pieter Ledeganck (Gezinsbond), John Vandaele (MO\*), Leen Smets en Wannes Starckx (Samenlevingsopbouw), Pieter Verbeek (ABVV), Sara Van Dyck (BBL) en Tom Willems (REScoop.Vlaanderen). |

Noten
1/ International Energy Agency (IEA), World energy investment outlook, 2014, p. 117, http://www.iea.org/publications/freepublications/publication/weio2014.pdf.
2/ Toch blijft het grootste deel van de Duitse bevolking de Energiewende steunen. Dat komt omdat de decentrale hernieuwbare energiebronnen voor een groot deel in handen zijn van de burgers en gebruikers, waardoor ze ook delen in de voordelen. Daardoor is hernieuwbare energie er een belangrijker vorm van plattelandsontwikkeling geworden.
3/ http://www.eex.com/en/market-data/emission-allowances/spot-market/european-emission-allowances - stand 20 januari 2016.
4/ Jan-Wouter Langenberg (Europese Commissie, DG Clima), presentatie over het voorstel tot herziening van de EU-ETS-richtlijn voor de CCIM-Stakeholdermeeting, Brussel, 30 september 2015, http://www.klimaat.be/files/9514/4362/2389/EC.pdf.
5/ De broeikasgasintensiteit wordt berekend door de totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen te delen door het bbp. Het bbp is een maatstaf voor de groei van de economie.
6/ Baseload: een basislastcentrale is een elektriciteitscentrale die met een constant vermogen elektriciteit levert. Dit type centrale kan het geleverde vermogen niet aanpassen aan de vraag naar elektriciteit.
7/ De toewijzing van de kosten van het gasnet aan individuele gebruikers gebeurt op een gelijkaardige manier als bij elektriciteit, al zijn de kosten voor ODV’s daar veel lager.
8/ Groenestroomcertificaten (GSC) zijn het belangrijkste mechanisme dat Vlaanderen gebruikt om de ontwikkeling van hernieuwbare energie aan te moedigen. Producenten krijgen een certificaat per opgewekte hoeveelheid elektriciteit uit een hernieuwbare bron (oorspronkelijk 1 MWh, nu verschilt het aantal uitgereikte certificaten per technologie). De GSC-ODV verplicht de distributienetbeheerders om GSC op te kopen aan minimumprijzen (die verschillen naargelang de technologie en het tijdstip van plaatsing van de installatie voor de opwekking van hernieuwbare energie). De kosten voor die verplichting werden door de DNB’s - o.a. als gevolg van federale en Vlaamse beleidsmaatregelen - in het verleden slechts gedeeltelijk doorgerekend aan hun klanten. De DNB’s maakten schulden om ze te kunnen betalen.
9/ De distributiekosten voor aardgas zijn licht gedaald aangezien de kosten voor de uitbating van het net de voorbije jaren afgenomen zijn.
10/ De hoeveelheid elektriciteit die door Infrax wordt verdeeld via zijn net is sinds 2009 gedaald met 12%. Dit deels door de opkomst van (zelf opgewerkte) hernieuwbare energie en deels door energiebesparing. Daarom stijgt de netvergoeding per kWh.
11/ Arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 25 maart 2015 (Febeliec / CREG).
Zie http://belgischenergierecht.blogspot.com/2015/03/kostenreflectiviteit-van-nettarieven.html#ixzz3o57biIC6.
12/ Peak shaving: het verminderen van vermogenspieken.
13/ PWC in opdracht van de CREG, A European comparison of electricity and gas prices for large industrial consumers, 28 april 2015, http://www.creg.info/pdf/Studies/F20150428EN.pdf.
14/ De gratis kWh was in essentie een herverdelingsmechanisme. De kostprijs van de eerste ‘gratis’ verbruiksschijf werd betaald door een hogere prijs (distributienetvergoeding) aan te rekenen voor de tweede verbruiksschijf. O.a. mensen met een laag verbruik hadden er voordeel bij.
15/ De sociale staat van Vlaanderen 2013, onderzoek energiearmoede in België 2011.
16/ Olivier Pintelon, Verdelingseffecten tax shift, Poliargus, 3 oktober 2015, http://poliargus.be/de-lasten-en-de-lusten-van-de-tax-shift/verdelingseffecten-tax-shift/.
17/ http://www.bloomberg.com/quote/CO1:COM.
18/ http://www.bp.com/en/global/corporate/energy-economics/statistical-review-of-world-energy/natural-gas-review-by-energy-type/natural-gas-prices.html.

energie - energiebeleid - energiearmoede

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 45 tot 55