Abonneer Log in

Goed doen is geen zaak van links alleen

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 2 (februari), pagina 10 tot 16

Het recente debat over de toekomst van de sociale zekerheid toont nog maar eens aan hoeveel onbegrip er heerst over de verhouding tussen empathie en solidariteit. Het symptoom van onze tijd komt daarbij bloot te liggen: waarom toch worden politieke vraagstukken omgetoverd tot ethische kwesties? De strategie daarachter begrijpen is een voorwaarde om de angel uit het debat te halen. Een poging.

EMPATHIE IS (NIET ALTIJD) FANTASTISCH

Goed doen is geen zaak van links alleen
Ignaas Devisch
Empathie kan een gevaarlijk wapen zijn
Bieke Verlinden
Hoe we grote instellingen zijn gaan wantrouwen
Evelien Tonkens
Begrip voor gast én gastsamenleving
Patrick Loobuyck
De ontmenselijking van de werkzoekende
Steven Genbrugge
Is er nog tijd voor de patiënt?
Rik Thys

Eind vorig jaar publiceerde ik mijn laatste boek Het empathisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid (De Bezige Bij, Amsterdam). Zowel de hoofd- als de subtitel deden heel wat wenkbrauwen fronsen: kun je van empathie wel teveel hebben en is er niet eerder sprake van empathisch tekort? En is onverschilligheid niet juist de kwaal van onze tijd?

In mijn boek heb ik geargumenteerd waarom het inderdaad geen goede zaak is om op beleidsniveau solidariteit in te ruilen voor empathie. Empathie is het vermogen je in te leven in en mee te voelen met wat je denkt dat de belevingswereld van anderen is. Empathie gaat daarom in de eerste plaats uit van persoonlijke betrokkenheid en goed gevoel bij de gever. Dat is mooi maar op maatschappelijk niveau, d.w.z. in een samenleving met miljoenen mensen, kun je niet verwachten dat we middelen, rechten en faciliteiten verdelen onder mensen op basis van onze persoonlijke betrokkenheid op elkaar. Dat is, om het zo te zeggen, te veel gevraagd. Bovendien werkt empathie selectief en bewustzijnsvernauwend: we richten ons op unieke personen of enkele goede doelen en lijken de rest van de wereld te vergeten. Daarom moeten er mechanismen bestaan zoals solidariteit die op een eerder onpersoonlijke, of onverschillige manier zo je wil, aan herverdeling doen zonder dat we voortdurend allemaal aan elkaar moeten vragen of degene die een uitkering ontvangt het wel verdient. Dat laatste zou de samenleving onwerkbaar maken. Vandaar mijn pleidooi voor werkbare onverschilligheid. Voor de details van mijn argumentatie verwijs ik naar mijn boek.

SOLIDARITEIT OF EMPATHIE?

In dit kort bestek wil ik verduidelijken waarom de toegenomen nadruk op empathie in rechtstreeks verband staat tot het herformuleren van politieke problemen tot ethische kwesties en waarom dit een kwalijke evolutie is. Wie, zoals vandaag het geval is vanuit verschillende politieke hoeken, tegelijk aangeeft dat solidariteit niet langer van onze tijd is en oproept tot meer empathie, bewandelt een spoor dat potentieel in staat is ons sociaal model te ondergraven. Een belangrijk deel van onze sociale relaties verloopt immers op een onpersoonlijke manier. Rechten en middelen worden verdeeld o.a. via sociale bijdragen waarbij we een stuk van onze wedde afstaan ten bate van mensen die we niet persoonlijk kennen maar waarmee we ons impliciet solidair verklaren omdat we allemaal deel uitmaken van dezelfde samenleving. Daarom neemt de politiek deze taak op zich en laat het dit niet over aan het empathische vermogen van individuen. Politiek is in staat om dingen te verdelen zonder er persoonlijk betrokken bij te zijn. Empathie is daar niet toe in staat.

Onverschilligheid – mijn woord voor niet-betrokkenheid – zit bijgevolg structureel ingebakken in ons maatschappelijk model. Het hele systeem van sociale zekerheid is gebaseerd op de gedachte dat we met veel te veel zijn om elkaar persoonlijk te kennen en te kunnen helpen, of om die hulp te laten afhangen van iemands verdienste en het mogelijk goed gevoel dat dit bij anderen doet ontstaan. De verzorgingsstaat, zoals wij die kennen, verwerpt daarom nadrukkelijk de gedachte dat we allemaal persoonlijk betrokken moeten zijn op elkaar. Niet alleen omdat dit niet lukt, maar ook omdat sociale zekerheid tot nader order uitgaat van een onvoorwaardelijke solidariteit: je moet geen goed mens zijn om een uitkering te krijgen. Je ontvangt deze los van je persoonlijke verdienste.

Wie deze onverschilligheid of onpersoonlijkheid wil vervangen door empathie, moet beseffen welke eisen hij of zij aan iedereen stelt en tot welk soort samenleving dit kan leiden. Stel dat je iedereen met wie je financieel solidair bent, ook nog eens sympathiek moet vinden, hoe ver zou solidariteit dan nog reiken? De overheid heeft de sociale zekerheid ingevoerd omdat naarmate de samenleving complexer werd, het op empathie gebaseerde liefdadigheidsmodel ontoereikend werd. Een sociaal vangnet voor mensen die in een bepaalde fase van hun leven met tegenslag te maken hebben, vraagt om veel meer dan filantropie. Geïnstitutionaliseerde solidariteit vertrekt niet van empathie, maar van onpersoonlijke rechtvaardigheid. Dit abstracte systeem gaat ervan uit dat ik mij als individu niet telkens hoef in te leven in iemands persoonlijke situatie om hem of haar te ondersteunen. Geïnstitutionaliseerde solidariteit stelt veel minder eisen aan ons morele systeem dan empathie. Dat werkt in zekere zin bevrijdend, want hoe kun je met miljoenen medeburgers persoonlijk betrokken zijn?

EN DE VLUCHTELINGEN DAN?

Uiteraard verklaren we ons pas solidair met de samenleving omdat we ons empathisch kunnen opstellen. Pure afstandelijkheid zou de samenleving niet vooruit helpen. In die zin is empathie natuurlijk ook altijd nodig. Maar die anderen zijn vaak abstracte of onbekende anderen en daarom kan empathie nooit de basis vormen om alle maatschappelijke problemen op te lossen. Maar dan hebben we wel andere mechanismen nodig om de samenleving draaiende te houden. Rechtvaardigheid en solidariteit zijn er twee van. Net die laatste staat al een tijdje onder druk en die evolutie gaat opvallend genoeg gepaard met pleidooien voor meer empathie, zoals bijvoorbeeld Gwendolyn Rutten betoogt in haar pamflet De geëngageerde burger. Aan solidariteit zouden voorwaarden moeten worden verbonden. Tegelijkertijd wordt empathie opgevoerd als alternatief om de zorg voor elkaar garant te stellen.

Het klinkt in eerste instantie vreemd dat sommigen solidariteit willen afbouwen én tegelijk oproepen tot meer empathie. Zijn beiden dan geen 'linkse' reflexen? Nochtans is de logica hierachter consequent en eenduidig: wie de geïnstitutionaliseerde solidariteit afbouwt houdt alleen nog de empathie tussen mensen over. Dat maakt het begrijpelijk dat het voor een liberaal politicus bijzonder coherent is om de solidariteit onder druk te zetten en de empathie te bewieroken. Zo wordt politiek een zaak van persoonlijke ethiek van individuen en empathie het ultieme glijmiddel van de sociale orde. En dan zeg je als overheid zoveel als: lossen jullie maar zelf de problemen op want als overheid zullen we het boeltje niet langer organiseren. Dat lijkt natuurlijk minder fraai dan 'de vrijheid om je leven zelf in te vullen' maar ten gronde komt het daar wel op neer.

Zoals gezegd werkt empathie vooral op basis van persoonlijke betrokkenheid en het eigen goed gevoel. Zolang die voorwaarden aanwezig zijn, is empathie zeer dienstbaar. Maar wat met al die mensen op wie ik mij niet empathisch betrokken weet? Behoren die dan nog toe aan dezelfde sociale orde? Of zijn ze voor mij nobele onbekenden die alleen maar beschouwd worden als een lastenpost op het orderboekje van de sociale zekerheid?

Wie buiten het empathische blikveld valt heet dan snel een bedreiging te zijn voor de sociale orde, of de sociale zekerheid. Vluchtelingen bijvoorbeeld worden steeds meer zo geframed. Onder het valse voorwendsel dat we ze 'niet allemaal kunnen helpen' wordt meteen gedaan alsof het helpen van vluchtelingen als dusdanig een foute aangelegenheid is omdat het de samenleving zou desolidariseren of een aanzuigeffect zou hebben naar andere groepen van vluchtelingen.

Die 'framing' klopt niet of is minstens een doelbewuste strategie om een andere logica te maskeren. Met name dat alleen wie past binnen het empathische plaatje ook daadwerkelijk steun verdient en dat alle anderen daar per definitie een bedreiging toe vormen. En dat alle anderen een last zijn die we beter vermijden. Nu, hoe meer we op empathie alleen terugvallen, hoe groter de groep van anderen zal worden die we als een last beschouwen: langdurig zieken, rokers, mensen met overgewicht, en dus ook vluchtelingen, altijd al een dankbare groep om op af te geven: ze zijn met veel, ze zijn anders, ze kosten geld en we kennen hen niet.

TOT SLOT

Een discussie voeren met wie we solidair zijn en de voorwaarden ertoe aanscherpen, is natuurlijk een belangrijke aangelegenheid. Natuurlijk moet de eigen gemeenschap niet worden achtergesteld op vluchtelingen en heeft elk systeem een beperkte draagkracht. Maar laten uitschijnen dat solidariteit niet meer van deze tijd is en empathie als voornaamste pijler overhouden is één ding. Als je vervolgens ook nog eens het goed op zich verdacht maakt en plots doet alsof pas dan de sociale zekerheid in stand kan worden gehouden, dan zijn we aanbeland bij het ultieme cynisme: goed doen is een maatschappelijk verdachte zaak geworden in een samenleving die door de politiek in de steek wordt gelaten.

Als de sociale zekerheid niet kan standhouden omdat goed doen niet volstaat dan zou de politiek in de eerste plaats naar zichzelf moeten kijken. De discussie over welke voorwaarden we moeten scheppen om de sociale zekerheid goed en wel de 21e eeuw te laten doorvaren, is al vaker gevoerd. Enkele jaren terug zijn er n.a.v. vijftig jaar RIZIV heel wat interessante debatten en studiedagen geweest die meer dan voldoende teksten en nota's hebben opgeleverd om de discussie te stofferen.

Als je echter solidariteit vervangt door empathie, als je politiek vervangt door ethiek, dan lijkt het alsof sociale problemen alleen nog kunnen worden opgelost indien de hele samenleving er persoonlijk naar omkijkt. Dat lukt niet, gezien de begrensdheid van empathie, zelfs al doen we ons uiterste best om mensen in nood te helpen. Het door Bart De Wever strategisch gelanceerde debat over de toekomst van de sociale zekerheid is een zoveelste illustratie van die ethisering of empathisering van politieke vraagstukken. De op zich interessante vraag wat het anno 2018 betekent om een goed mens te zijn, wordt als opstapje gebruikt om ons voor een – valse – keuze te plaatsen: of vluchtelingen helpen, of de sociale zekerheid redden. Maar bovenal toont het aan waarom het herformuleren van politieke problemen tot morele plichten geen neutrale zaak is. De sociale zekerheid of de vluchtelingenproblematiek zijn nochtans geen kwestie van persoonsethiek. Het zijn politieke vraagstukken die we als politieke vraagstukken moeten behandelen. Indien die politiek achterwege blijft dan moeten burgers het wel opnemen om de problemen op te lossen. Hen nog eens verwijten dat ze een overdaad een empathie vertonen is het cynisme bij uitstek.

Goed doen is geen zaak van links alleen. Empathie is dat evenmin. Wie wat krijgt is het resultaat van maatschappelijk en politiek overleg, met transparante criteria en spelregels tot gevolg. Wat rest, is onze dagelijkse leefsfeer waarin meer dan voldoende ruimte overblijft voor de heilzame werking van empathie. Maar die dient niet ter vervanging van beleid. Het is een beetje zoals met goede doelen of warmste weken: allemaal mooi en fijn, maar die kunnen hoogstens een aanvulling vormen op beleid en zijn geen substituut ervan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 2 (februari), pagina 10 tot 16