Abonneer Log in

Vlaanderen Trumpland

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 30

Terwijl N-VA zich schaamteloos verheugt op een gezamenlijk meerderheidsdiscours met Vlaams Belang, zijn progressieve partijen nog steeds bezig de eigen uitslag te interpreteren. Alsof het antwoord zal komen van het bijsturen van elk afzonderlijk project._ _Het progressief overleg zal niet uit de bestaande particratie komen en vergt daarom een initiatief vanuit de civiele maatschappij.

RECHTSE REVOLTE

De verkiezingen van het onbehagen
Koen Abts
Vlaanderen Trumpland
Eric Corijn
Tegen het globale tribalisme
Arne De Winde

Shock of paniek zijn slechte raadgevers voor goede analyse. En ja, we zijn ook erg bezorgd over de verrechtsing na 26 mei. Maar dat zijn we al sinds 1991. Daarom werd Charta 91 opgestart. Daaruit groeide met succes de idee van een cordon sanitaire. Dertig jaar verrechtsing is de onderbuik van de neoliberale mondialisering. Lees de teksten en de analyses van toen er nog eens op na,1 het geeft ook vandaag nog een nuttige aanzet tot analyse.

HET REGERINGSBELEID AFGESTRAFT

Laten we beginnen met de meest belangrijke vaststelling van de verkiezingen van 26 mei: de uitredende regeringscoalitie N-VA-CD&V-Open VLD-MR verliest maar liefst 22 zetels. Daar mag men op zijn minst uit afleiden dat hun verkiezingsmantra – 'het gaat beter', 'economie en levenstandaard zijn erop vooruitgegaan' – niet is gevolgd. Het rechtse regeringsbeleid heeft maar een matig 'draagvlak' zoals dat vandaag heet.

De tweede belangrijke vaststelling is dat de traditionele partijen uit de oppositie, sociaaldemocratie of cdH, ook niet scoren. Hun neergang zet zich door tot een historisch dieptepunt. Ze innen geen oppositiebonus. Het gaat dus om de geloofwaardigheid van het alternatief zelf, om het programma van die partijen.

Beide vaststellingen hebben dezelfde oorzaak: het politieke spel zit nog in de vorige eeuw terwijl de wereld er nu totaal anders uitziet: postindustrieel, gedigitaliseerd, geglobaliseerd en verstedelijkt. De partijen met hun visie uit de naoorlogse welvaartsstaat, gesteund op een overlegeconomie met sterke overheidstussenkomst, verloren allemaal zwaar. De poging van de 'Zweedse' coalitie om het systeem, de groei- en winsteconomie, te redden via economische en financiële stimuli op de rug van het samenleven is mislukt. Door nu te focussen op de winst van Vlaams Belang en die bij het eigen nationalisme op te tellen, dekt N-VA dat eigen falen toe. We horen het Theo Francken op de verkiezingsavond nog zeggen: 'Samen hebben we een meerderheid'. En dat is ook zo in 76 gemeenten in Vlaanderen! Schamper kan worden opgemerkt dat Vlaams Belang in geen enkele Brusselse gemeente ook maar één verkozene heeft.

Ook de media zitten gevangen in het 'eigen volk'-verhaal. De verkiezingen gingen nauwelijks over het Europees project. Dat wordt als een aanhangsel van de landelijke politiek voorgesteld. Geen debat ook over de op- en neergang binnen het land zelf, over de verschuiving van de economische activiteit van industriezones naar steden, over de verhouding buitenlands kapitaal en lokale economie, enzovoort. De politiek blijft gericht op landelijk beleid, met nietszeggende gemiddelden, terwijl de werkelijke wereld zeer gelaagd is. Zolang die nieuwe realiteit niet doordringt, zolang het politiek personeel vanuit de eigen navel en binnen de eigen kieskring blijft denken, zal de depolitisering zich verderzetten. Dat hebben we in 2014, op zoek naar een progressieve politiek, al op de agenda willen zetten met het boek van de Vooruitgroep Wereldvreemd (in) Vlaanderen.2 Tevergeefs.

HET GEVECHT TUSSEN GROEN EN N-VA

Dat blijft wel ons uitgangspunt voor elke verdere analyse. De fordistische nationale overlegeconomie is dood en komt niet meer terug. De neoliberale afbraak van de sociale structuren via 'het primaat van de politiek' is ook niet echt gelukt. Om die lijn verder te zetten willen ze een nog meer autoritaire afbraakpolitiek. De alternatieven komen van de buitenbaan. Daar staat de agenda van de mondialisering centraal. Die uitersten kunnen niet langer als 'populistisch' of 'extremistisch' worden weggezet. Dat etiket dient enkel om de grenzen van het systeem te bewaken, maar is geen karakterisering. Het gaat wel degelijk om alternatieve maatschappijmodellen, aan beide kanten een antwoord op de mondialisering. De interessante sociaalgeografische analyse in De Standaard van 8 juni bevestigt de polarisaties op verschillende schalen. Een goed uitgangspunt om te werken aan de wederopbouw van een sociaal en duurzaam beleid.

Er is de klimaatuitdaging, de ecosystemische crisis. Die is planetair. Ze vergt een systemische omslag, weg van business as usual, een nieuwe oriëntatie in de wereldeconomie. Daarvoor moet een maatschappelijk draagvlak worden gevonden. Het antwoord aan die kant is de mondiale verstedelijking verduurzamen, een ecosystemische transitie inzetten, de klimaatuitdaging ernstig nemen.3 Dat is de winst van Groen, die vooral appelleert aan een progressieve middenklasse voorbij de materiële zorgen. Op links is de winst voor PVDA om het vooral ook sociaal, inclusief en rechtvaardig te houden. Het is een overwegend stedelijk kamp, multicultureel en internationalistisch.'Think global, act local'. Niet alleen is de groene golf onvoldoende hoog geweest, het thema zelf is door de politieke en mediatieke business as usual ondergesneeuwd. Jammer dat de scholieren nog niet mochten stemmen. Hopelijk onderschat men bij de herbronning de diepgang van de mobilisatie van die generatie niet. Dat effect zien we dan wel in 2024.

Vooral de angst voor die agenda is in het laatste stuk van de campagne op de voorgrond geplaatst. Eerst door het dwarsliggen van de tot oppositiepartij vervelde N-VA. In dienst van de bestaande economische belangen nam het zogenaamde 'ecorealisme' de klimaatjongeren en Groen als mikpunt. Via een 'wie gaat dat allemaal betalen' werd de 'hardwerkende Vlaming' gemobiliseerd. En die hardwerkende Vlaming woont vooral in de randstad, ook voorbij de echte materiële zorgen, maar niet begaan met de meer algemene uitdagingen. Dat materiële egocentrisme wordt door N-VA tot 'Vlaamse leidcultuur' verheven. Zo werd de identiteitsagenda en dus ook het migratievraagstuk opnieuw in stelling gebracht. De andere buitenbaan werd gemobiliseerd: het verzet tegen het vreemde en de vervreemding, voor een monocultureel territorium, voor de eigen identiteit waaraan nieuwkomers zich moeten onderwerpen, voor het behoud van leefstijl en consumptiepatroon. Verzet tegen de vreemdeling, onder het mom van een bedreiging voor onze cultuur, maar in feite als diegene die ons te veel kost, de vermeende bron van onze verarming. Dat is het kamp van N-VA, op rechts opgezweept door Vlaams Belang.

Aan die beide uitersten zitten vooral partijen zonder eigen zuil, zonder eigen middenveld, met een wisselend electoraat vol proteststemmen. Het gaat om twee verschillende ontwikkelingsmodellen die loskomen van de analyses van de vorige eeuw. Ze zetten ook het middenveld onder druk. Het ene kamp zal het makkelijker halen in de steden, het andere eerder in de residentiële suburbaniteit. Wat daarbij opvalt is dat er tussen de kampen gelaagde polariteiten ontstaan. N-VA en Groen staan tegenover elkaar in de middenklasse, Vlaams Belang staat tegenover PVDA en sp.a in de volkse buurten, N-VA, CD&V en Open VLD vechten om de ondernemers, N-VA en CD&V strijden om het platteland. Van plaatselijk over gewestelijk en federaal tot planetair zie je dus verschillende strijdperken. De strijd in de buurten, of in de steden, of in het buitengebied, of over het maatschappelijk model zelf is niet langer in één of andere hoofdtegenstelling samen te vatten. Jammer genoeg gaat zulke nuance in tegen de simplistische framing van zowel media als particratie die de politiek beperken tot de machtsstrijd in de bestaande instellingen. Zo reikt het verhaal van N-VA niet verder dan 'confederalisme' om van Vlaanderen een nieuw kleiner België te maken. En kwam Groen niet verder dan de Belgische samenwerking met Ecolo, zonder visie over hoe dat dan Europees en planetair verder wordt ingevuld. Beide partijen denken tenminste na over herschaling. Alle andere passen dezelfde generische recepten toe op elke schaal. Tja.

WINNAARS EN VERLIEZERS

Wat ook nog te weinig zichtbaar is gemaakt: geen van beide kampen heeft een inclusief model. Dat kan ook niet wanneer het bestaande systeem op de schop moet. Het is nu echt wel of-of, en niet en-en. Ideologisch is net dat het bankroet van de traditionele partijen die nog uitgaan van het naoorlogse groeimodel en de herverdeling. Toen steunde het sociaal contract op een win-winproject, op een economische groei met én sterk stijgende winsten én sterk stijgende koopkracht én sociale zekerheid. Vandaag is er geen geloofwaardig model waarvan iedereen direct beter wordt. De klassentegenstellingen zijn terug. Men kan niet én de belastingen verlagen én de winsten verhogen én de aandeelhouders en beleggers plezieren én dan toch de levenstandaard verhogen én de sociale zekerheid en de openbare diensten versterken. Daar was in de jaren 1960 een groei van meer dan 5% voor nodig; net als beschikbaar kapitaal, openbaar geld en ook investeerders die zich met enkele percenten winstverwachting tevredenstelden.

Vandaag is de economie die nationale markt ontgroeit. Het kapitaal is sterk geprivatiseerd, erg mobiel en gericht op speculatieve superwinsten; de groei ligt veel en veel lager. Een neoliberale regering kan niet anders dan inzetten op de concurrentiecapaciteit en dus op het verlagen van de productiekosten, inclusief de loonkost. En dus richt ze zich naar het productieve deel van de bevolking met de stakanovistische metafoor van de 'hardwerkende Vlaming'. Daar ligt dan de economische kern van het identitaire verhaal en de 'eigen mensen eerst'. Die samenlevingsopbouw rond een verbeelde gemeenschap kan niet anders dan uitsluitend zijn. Ook al volgt men het open identiteitsmodel van Bart De Wever, dat van een 'imagined community', van een 'verlichte leidcultuur', de inzet op ondernemerschap en winst vergt steeds meer druk, flexibilisering en precariteit en dus de groei van het aantal achterblijvers.

Om uit die neerwaartse spiraal te komen zijn er enkele voorwaarden. Er is nood aan een sociale regulering van de markt op internationale schaal en dus een sociaal Europa. Er is nood aan meer aandacht voor niet-monetaire en niet-delokaliseerbare economie; en dus meer aandacht voor lokale ontwikkelingsmodellen. Inzetten op meer circulaire en lokale economie is goed, maar er moet worden doorgerekend wanneer die echt een paradigmashift inzet. Anderzijds willen zowel Vlaams Belang als PVDA, maar ook N-VA en sp.a vooral de consumptiepatronen van hun achterban beschermen, ook al zullen die sommige transities in de weg staan.

EUROPA ALS INZET

Hoewel er in onze media nauwelijks over wordt bericht: de eindbeslissing zal vallen op het Europese toneel. Ofwel verwordt de EU tot een los verband van protectionistische identitaire natiestaten, met allerlei 'exit'-vormen en zal ook binnen de landen de verbrokkeling verdergaan. Dan gaat het identitaire kamp steeds verder op zoek naar een afgebakend territorium voor de 'eigen mensen' met een eigen politiek, een eigen levensstijl en consumptiepatroon, sterk afgeschermd van nieuwkomers. De meest radicalen zullen daarbij dan opnieuw gaan voor etnische zuiverheid. Niemand heeft dat model ooit doorgerekend. Wat is de leefbaarheid van een protectionistisch nationalistisch model, zeker in een Vlaanderen dat niet eens een territorium met een eigen economie kan afbakenen? De voorbeelden uit het buitenland tonen aan dat het niet voldoende is de vreemden uit te sluiten om welvaart voor het eigen volk te garanderen. Op de kortste keren moeten ook (een deel van) de eigen mensen inleveren. Het kapitalisme heeft immers wetmatigheden.

Alleen integratie op een grotere schaal kan een echt nieuw sociaal contract waarborgen. Maar daar botst de EU op een constructiefout. Het blijft een statenbond, met lidstaten die samenwerken in een markt- of een muntunie, maar niet in een gemeenschappelijk project, op basis van een nieuw sociaal contract. De EU blijft een aaneenschakeling van nationale territoria, terwijl de sociaaleconomische werkelijkheid eerder bestaat uit genetwerkte metropolitane gebieden. De integratie gaat steeds verder via de reëel bestaande netwerking van steden, stromen geld en goederen, culturen, artiesten en academici, studenten en scholieren, maar die krijgt geen culturele en institutionele post-nationale uitdrukking. De tegenstelling tussen stad en ommeland wordt ook daar scherper gesteld en zal zich politiek vertalen in een strijd om Europa tussen begrensd nationalisme en genetwerkte stedelijkheid.4

GEZAMENLIJKE ANTWOORDEN ZOEKEN

Het is op die breuklijnen dat vernieuwde programma's en hun kampen moeten worden gebouwd. Aan de ene kant staan de nationalistische projecten, op zoek naar afgebakende territoria. Ze splitsen landen op, eerder dan ze bij elkaar te houden. Op zoek naar het meest zuivere eigen volk. Gedragen door een rechts en xenofoob vertoog. Aan de andere kant de systemische verbondenheid die in een verstedelijkte wereld verloopt van het lokale ecosysteem naar een ruim ommeland en dan de transnationale genetwerkte connecties. Gedragen door duurzaamheid, gelijkheid en solidariteit. De schaal en de stijl van de programma's van beide varianten zijn zeer verschillend.

De media en hun commerciële formats spelen een belangrijke rol in de framing en agendasetting. Ze bevoordelen bijna automatisch de identitaire politiek. Media hebben immers een beperkt bereik, zijn eentalig, en gericht op kijkcijfers en verkoop. En dus maken ze programma's gericht op een doelpubliek in een afgebakend gebied, ze doen aan monoculturele gemeenschapsvorming. Systemische, planetaire of multiculturele agenda's passen niet in hun kraam, of ze worden steevast in een wij-zij-aanpak gevat. De media zijn aldus deel van het probleem.

Velen denken nu vooral aan een operatie tegen uiterst rechts, aan de verdediging van de democratie, aan het behoud van een cordon sanitaire. Voor mij ligt de sleutel in het uitwerken van een geloofwaardig alternatief.5 Dat bestaat uit het vastleggen van de minimumgrenzen voor een solidaire samenleving. Die steunen op de verworvenheden uit de eeuwenoude sociale strijd. Ze zijn door de neoliberale draai van sociaal- en christendemocratie op de helling gezet. Ze worden in die traditie opnieuw opgepikt door PVDA. Maar er is nood aan een nieuw ontwikkelingsmodel dat loskomt van de industriële vormgeving. Alleen het ecosocialisme zoekt in die richting. Het wordt een combinatie van meer lokale deeleconomie en meer internationale solidariteit. Maar hoe dat kan zonder het privaat bezit gevoelig in te perken of zonder de levenstandaard te verlagen, valt echt nog uit te zoeken. Hoe daarbij een nieuwe verhouding tussen markt, staat en de nog uit te bouwen 'commons' ligt, is nog onduidelijk.

Om dat uit te werken zal het nodig zijn dat de groene, rode, oranje en dieprode denktanks en studiediensten uit hun onderlinge competitiemodus stappen om samen te zoeken naar de antwoorden die ze alleen niet vinden. Zolang elkeen de oplossing van de maatschappelijke uitdagingen alleen denkt vanuit een groei van eigen partij en ideologie, zonder oog voor de eigen beperkingen en limieten, zolang zal de andere pool de wind in de zeilen houden. N-VA denkt nu al schaamteloos samen met Vlaams Belang en verheugt zich al op een gezamenlijk meerderheidsdiscours. Zij denken tenminste op termijn.

Aan de andere kant van het spectrum – en dat is, waarde lezers, het echte probleem van deze verkiezingen – zijn de partijen nog steeds bezig de eigen uitslag te interpreteren. Alsof het antwoord zal komen van het bijsturen van elk afzonderlijk project. Terwijl net dat het probleem is. Elke partij speelt op een ander speelveld, voor een ander publiek, met andere belangen. Geen enkele heeft zelf en alleen een echt geloofwaardige en begerenswaardige transitie voor te stellen. Daar ligt de uitdaging. Er moet een initiatief komen, vertrekkend van de huidige sectaire verdeeldheid en van de kernpunten van elk programma, om samen een uitgebalanceerd transitiebeleid voor de stellen. Dat moet concreet zijn voor elk lokaal gebied en vooral voor Europa. De gewesten en het federale niveau moeten worden gedacht als (slechts) een scharnier tussen de stadsgewesten en een hernieuwde Europese Unie. Op elk van die niveaus moeten progressieve partijen met hun eigen sterkte samen een beleid voorstellen en op zoek gaan naar een 'draagvlak' (een meerderheid dus).

Op eigen initiatief zullen de partijen dat niet doen. Dus moeten platformen als Hart boven Hard, of samenwerkende denktanks, of een project van SamPol met Oikos, De Gids, Lava en anderen, misschien met Apache en DeWereldMorgen, die opdracht eens ter harte nemen. Of anders zal iemand opnieuw met een Vooruitgroep moeten starten. Het zal niet uit de bestaande particratie komen, vrees ik. Ook niet ter linkerzijde.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld ons door Hugo Claus hertaalde manifest: http://www.charta91.be/index.html?url=/BasisTekst.htm. Of nog: Burghgraeve, P; E.Corijn & P. Verbraeken (2001): 'Vlaanderen: wat we zelf doen, doen we beter… niet', Samenleving & Politiek, jg.8/nr.1, januari 2001.
  2. Corijn, E. & P. Saey (red) (2014): 'Wereldvreemd (in) Vlaanderen. Bakens voor een progressieve politiek', epo, Berchem: 279 p.
  3. Zie hiervoor het rapport van het wetenschappelijk Klimaatpanel opgemaakt op vraag van Youth for Climate: https://www.klimaatpanel.be/nl.
  4. Zie hierover: Corijn, E. (2018): 'Een stad is geen land. Pleidooi voor de stedelijke revolutie', Brussel, VUB Press.
  5. Nog zo'n vergeefse poging: Corijn, E. (2017): 'Een road map voor progressieven richting 2018', Samenleving & Politiek, jg.24/nr.2, februari 2017.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 30