Abonneer Log in

Hebben we het gehad met de stad?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 17 tot 21

Debatten over de betonstop en de Mobiscore verwijzen dikwijls naar het onderscheid tussen stad en buitengebied. Er zijn zowel progressieve als conservatieve stemmen te vinden die een voorkeur hebben voor de stad dan wel het platteland. Het gaat daarbij vooral om geïdealiseerde wensbeelden, en niet zozeer om de huidige situatie. Het voornaamste risico van het debat is dat strategieën om compacte, duurzame steden te realiseren bestaande privileges en ongelijkheden versterken.

STAD VERSUS PLATTELAND

Groeten uit de Westhoek
Tom Coppens en Mieke Nolf
Sluipmoord op de open ruimte
Guy Vloebergh en Peter Renard
Hebben we het gehad met de stad?
Thomas Vanoutrive

spit on the city, spit on the walls
spit on all the blocks and the shopping malls
spit on the traffic, spit on the cars
spit on all the restaurants and bars
(Red Zebra, spit on the city)

STAD-PLATTELAND: 1-0

A: Sorry, ik ben wat later,… aansluiting gemist.
B: Pieker er maar niet over. Ik heb ondertussen wat gelezen met een macchiato erbij. En bij mensen met een lage Mobiscore hou ik er rekening mee dat ze te laat komen.
A: Inderdaad, de Mobiscore,... weeral een nieuwe episode in het debat over de stad versus de rest. Eerdere episodes gingen over de aangekondigde betonstop, en over het Structuurplan Vlaanderen dat het percentage nieuwe woningen bepaalde dat in stedelijke gebieden moest komen.1
B: Toch een prachtig instrument, die Mobiscore. De website vat voor elk adres in Brussel en Vlaanderen de bereikbaarheid van 5 activiteiten samen in een score op 10. Zo kunnen mensen geïnformeerd hun woonlocatie kiezen.
A: Op de nieuwspagina's ging het bij de lancering van de Mobiscore vooral over het contrast tussen goed bereikbare steden en het platteland. De stad krijgt dan het etiket duurzaam omdat bewoners makkelijker onderwijs, winkels, gezondheidszorg, sport en cultuur kunnen bereiken zonder auto. In het defensief gedrongen vertegenwoordigers van niet-stedelijke gebieden verdedigden hun leefomgeving en stelden vragen bij de superioriteit van de stad. Ik heb wel wat bedenkingen bij het Mobiscore-vertoog, waarbij aanhangers een moreel onderscheid maken tussen stedelijke en andere gebieden. De stad is goed want duurzaam, maar ook de plaats van hogere cultuur, innovatie, politiek debat en creativiteit. De tegenpool is dan het achterlijke, dieselzuipende platteland met een verstikkende sociale controle.
B: Niet iedereen zegt dit. Anderen zien de open ruimte als de plek van het goede leven, waar mensen elkaar kennen en een authentiek contact met de natuur hebben. De stad staat dan gelijk aan anonimiteit, armoede, criminaliteit en vervreemding. Met zo'n karikaturen geraken we nergens.

WAT HEET EEN STAD

A: Tja, daar valt wat voor te zeggen.
B: Het begint al met het simplistische onderscheid tussen de stad en den buiten. Zowat de hele wereld is vandaag geïntegreerd in de stedelijke samenleving zodat wetenschappers spreken over planetaire verstedelijking. Het gaat niet over stad en platteland, maar over sociaal-ruimtelijke patronen binnen onze verstedelijkte samenleving. Daarbinnen vinden we een onderscheid tussen de kernstad waar lagere inkomens achterbleven terwijl de gegoede middenklasse vluchtte richting suburbs. De inwoners van de buitenwijken consumeren graag de lusten van de stad, maar slapen en belastingen betalen doen ze in omliggende gemeenten waar ze groen, ruimte en rust vinden. Brasschaat bij Antwerpen en Sint-Martens-Latem bij Gent zijn iconische voorbeelden.
A: En de kloof tussen stad en suburbs is dan het resultaat van een klassenstrijd?
B: Correct. Reeds in de 19e eeuw hadden veel Belgische politici een anti-stedelijke mentaliteit. Ook later bevoordeelde hun beleid de middenklasse buiten het centrum van de stad. Het wereldbeeld van veel politici in de naoorlogse periode ziet de ideale burger wonen in een verkaveling van waaruit ze naar de stad pendelen. Niet toevallig verschillen verkiezingsresultaten in steden van die elders. Buiten de stad overheersten de christendemocraten terwijl liberaal- en sociaaldemocraten hun stemmen haalden in steden. De anti-stedelijke houding van de politieke elite heeft mee de opkomst van extreemrechts in de hand gewerkt.2
A: In grote lijnen is uw analyse correct. Maar niet alle buitenwijken hebben een welvarende bevolking en hippe wijken in de stad werden voor velen onbetaalbaar door golven van gentrificatie. Daarenboven ligt er nog een gebied voorbij de buitenwijken. Deze periferie is slechter verbonden met stedelijke economische centra: minder jobmogelijkheden en minder voorzieningen zijn hun lot. Het huidige beleid zet in op centralisering en stedelijke kerngebieden als economische groeimotoren. Meer perifere gebieden zitten nu in het defensief en het is daar dat extreemrechts groeit.3
B: Tragisch, maar het wijst op de kern van het probleem: we laten toe om overal te bouwen, ook waar geen voorzieningen zijn. De stad heeft wel een positiever imago gekregen, maar het beleid mag nog wat stedelijker worden.
A: Yes, want de stad is goed? Het is boeiend hoe ideeën over steden en stedelijkheid, buitenwijken, periferie,… opduiken in maatschappijvisies.

CONSERVATIEF EN PROGRESSIEF: VOOR ÉN TEGEN DE STAD

B: Sorry, ik weet niet of ik u helemaal volg. Kan je verduidelijken waarop je doelt?
A: Zeker. Ik zei reeds dat we regelmatig over stad of platteland spreken in morele termen. Kijk, conservatieve stemmen voelen zich al eens aangetrokken door rurale idylle, ver weg van stedelijke losbandigheid. Maar dit gaat ook over de rol van de overheid. Denk maar aan Wilhelm Röpke [1899-1966], die goed was ingebed in de netwerken waaruit de neoliberale vertooggemeenschap ontwikkelde. Zijn mengeling van liberaal marktdenken en een conservatieve maatschappijvisie vreesde dat steden te veel regulering vereisen.4 Een hoge dichtheid vraagt heel wat overheidsingrijpen. Een neoliberale stem als Ed Glaeser daarentegen ziet de stad als de grootste menselijke uitvinding die ons rijker, slimmer, groener, gezonder en gelukkiger maakt. De concentratie van activiteiten in steden hangt immers samen met economische productiviteit.5 Aan progressieve kant omarmt men ook graag stedelijkheid. Het ideaal van het stedelijke leven benadrukt heterogeniteit, variëteit, en streeft naar diversiteit zonder exclusie.6 De stad is ook een plek van creativiteit en verzet, de plek waar het maatschappelijk leven en het echte politieke zich afspeelt. Voor wereldstedenexpert P.J. Taylor ligt het democratische potentieel van steden in het feit dat ze zowel economische betekenis hebben als een verbeelde gemeenschap vormen.7
B: In de discussie over stad versus platteland is er dus geen simpel links-rechts onderscheid?
A: Inderdaad, want ook in progressieve middens is kritiek te horen op degenen die alles door een stedelijke bril bekijken. Zo'n bril negeert de eigenheid en het potentieel van hetgeen buiten kernsteden ligt.8 William Morris bijvoorbeeld, geloofde wel in het progressieve potentieel van een niet verstedelijkte samenleving. Zijn boek News from Nowhere uit 1890 beschrijft een mogelijke toekomst voor Engeland. Grote metropolen zoals Londen zijn verdwenen en burgers leven in harmonie zonder dominantie. Geld als betaalmiddel is slechts een vage herinnering en mensen delen wat ze produceren. Werk is geen verplichting, maar een aangename bezigheid in deze hiërarchieloze wereld. Verstedelijking wordt hierbij kritisch benaderd...
B: …ook al verwijzen geestesgenoten van Morris naar middeleeuwse vrije steden als inspirerende voorbeelden.9
A: Niettemin kan je echo's van Morris terugvinden in recente vrijplaatsen waar men op anarchistische wijze bouwt aan alternatieve samenlevingen. Dit gebeurde onder meer in Notre-Dame-des-Landes waar protest tegen een geplande luchthaven hand in hand ging met een niet stedelijk alternatief. Steden zijn alomtegenwoordig vandaag, maar niet voor iedereen is de gewenste maatschappij stedelijk. Zowel in conservatieve als progressieve hoek is enthousiasme als kritiek op de stad te vinden. Het is niet de stad die men goed of slecht vindt, wel bepaalde eigenschappen van een stedelijke levenswijze. Zo wijzen stedenbouwkundigen regelmatig op het duurzame karakter van het leven in steden.10

IK BEN DE STAD

B: Terecht! Mogen stedenbouwkundigen dan niet spreken over duurzame steden met groen, fietsers en openbaar vervoer?
A: Hoe zal ik het zeggen,… stedenbouwkundigen wekken soms de indruk dat ze in naam van de stad spreken. Het heeft er echter alle schijn van dat hun visie en levenswijze niet die van de meerderheid in de stad is. Het is een wensbeeld van een compacte stad met een kleine ecologische voetafdruk waar inwoners zich verplaatsen zonder auto en hun inkopen doen in winkels die via korte ketens verbonden zijn met het nabije ommeland waar bioboerderijen het nodige voedsel produceren. Het is ethisch zinvol om na te denken over de oorsprong van ons voedsel, de milieu-impact van onze mobiliteit en alternatieve levenswijzen. Dit mag ons niet doen vergeten dat de hedendaagse, stedelijke samenleving heel ver staat van dit wensbeeld.
B: En wat dan met het onderzoek dat aantoont dat wie dichter bij het stadscentrum woont een lagere milieu-impact heeft? Ik ben zeker niet de enige die een link ziet tussen steden en duurzaamheid.
A: Toch zijn er ook bedenkingen te maken. Hoogbouw kan meer beton en airconditioning vergen. Steden zijn ook knooppunten in wereldwijde logistieke netwerken die producten vanuit alle windstreken met de nodige kilometers op de teller aanleveren. De afstand maakt het makkelijk om de bedenkelijke productieomstandigheden uit het gezichtsveld te doen verdwijnen. Verstedelijking en exploitatie hangen samen. Op vlak van personenmobiliteit is het zo dat de gemiddelde stedeling vaker op de fiets en in het openbaar vervoer zit voor dagelijkse verplaatsingen. Maar het is de vraag of het totale plaatje duurzamer is. Denk maar aan de discussie over het barbecue-effect.11
B: Raar, van dat barbecue-effect heb ik nog nooit gehoord.
A: Ach, de naam doet er niet toe. De barbecue-these luidt dat stadsbewoners in hun vrije tijd meer en langere verplaatsingen maken terwijl men buiten de stad vaker in de buurt blijft om bijvoorbeeld te barbecueën. De impact van occasionele verplaatsingen naar verre bestemmingen maakt het transport van stedelingen minder duurzaam. Studies geven immers aan dat stedelingen vaker vliegen, wat op vlak van klimaat weinig duurzaam is.12 Al gaat het hier niet over dé stedeling, maar over degenen die de mogelijkheden hebben om de cosmopolitische, stedelijke levenswijze te omarmen. Zou het een brug te ver zijn om te suggeren dat het dezelfde lieden zijn die namens de stad spreken en die morele superioriteit putten uit hun zogenaamd duurzame, stedelijke levenswijze?
B: Pfff… Langs de andere kant is het ook weinig waarschijnlijk dat degenen die de media opvoeren als stemmen van het buitengebied representatief zijn voor wie daar leeft. Sommigen hebben meer weg van…euh…
A: … feodale heren? Misschien, maar sommigen maakten wel een terechte bedenking. Bij het wensbeeld van de compacte, duurzame stad denkt men al eens aan financiële sturingsinstrumenten. Voorbeelden zijn duurdere nutsvoorzieningen waar de bevolkingsdichtheid lager is, rekeningrijden en het koppelen van woonfiscaliteit aan de Mobiscore. Leidt dit niet tot een situatie waarin koopkrachtigen hun privilege op veel mobiliteit en wonen in het groen behouden, terwijl minder vermogenden het hardst worden getroffen? Dit klinkt niet echt sociaal duurzaam en rechtvaardig.
B: Inderdaad. Samengevat komt het er dus op neer dat we ons bewust moeten zijn van het gebruik van morele termen om stad en platteland te beschrijven. Daarbij moeten we volgens u dus een onderscheid maken tussen de stad, of beter gezegd de stedelijke samenleving zoals ze nu is, en de ideale stad of stedelijke levenswijze die we wensen.
A: Correct, met nog één belangrijke bedenking. Het is geen uitgemaakte zaak dat er in de gewenste samenleving steden zullen zijn, laat staan steden zoals die er vandaag uitzien.
B: …

VOETNOTEN

  1. https://mobiscore.omgeving.vlaanderen.be/, laatst geraadpleegd op 27/8/2019; de Olde, C. (2018). 'Betonstop: van metafoor tot werkelijkheid?'. Agora, 2018(4), pp. 42-44.; Ministerie Vlaamse Gemeenschap. (1998). Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Brussel: Ministerie Vlaamse Gemeenschap.
  2. De Rynck, F., Boudry, L., Cabus, P., Corijn, E., Kesteloot, C., & Loeckx, A. (2003). 'Witboek Stedenbeleid. De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden'. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.; Kesteloot, C., De Maesschalck, F. 2001. Anti-urbanism in Flanders: the political and social consequences of a spatial class struggle strategy. Belgeo 2001, pp. 1-2, http://journals.openedition.org/belgeo/15346.
  3. Guilluy, C. (2014). 'La France périphérique. Comment on a sacrifié les classes populaires'. Paris: Flammarion.
  4. Dardot, P., & Laval, C. (2013). 'The new way of the world. On neoliberal society'. London: Verso.
  5. Glaeser, E. L. (2011). 'Triumph of the City. How Our Greatest Invention Makes Us Richer, Smarter, Greener, Healthier, and Happier'. New York: The Penguin Press.
  6. Young, I. M. (1990). 'Justice and the politics of difference'. Princeton: Princeton University Press.
  7. Taylor, P. J. (2004). 'World City Network. A Global Urban Analysis'. London: Routledge.
  8. Grange, K., & Gunder, M. (In Press). 'The urban domination of the planet. A Rancièrian critique'. Planning Theory.
  9. Bookchin, M. (1992). 'Urbanization without Cities. The Rise and Decline of Citizenship. revised edition'. Montréal: Black Rose Books.; Kropotkin, P. (1924). 'Ethics. Origin and Development'. New York.; Morris, W. ([1890] 1908). 'News from Nowhere'. London: Longmans, Green, and Co.
  10. Neuman, M. (2005). 'The compact city fallacy'. Journal of Planning Education and Research, 25(1), pp. 11-26.
  11. https://www.epfl.ch/research/domains/transportation-center/wp-content/uploads/2018/08/Citadins-vs-periurbains-ENN.pdf, laatst geraadpleegd op 30/8/2019.
  12. Boussauw, K., & Vanoutrive, T. (2017). 'Transport policy in Belgium. Translating sustainability discourses into unsustainable outcomes'. Transport Policy, 53, pp. 11-19; Holden, E., & Linnerud, K. (2011). 'Troublesome Leisure Travel. The Contradictions of Three Sustainable Transport Policies'. Urban Studies, 48(14), pp. 3087-3106.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 17 tot 21