Abonneer Log in

De homo­genisering van twee blokken

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 2 (februari), pagina 44 tot 48

België als optelsom van twee democratieën. Het lijkt, gezien de politieke deadlock op federaal niveau, op het eerste zicht bijna een vanzelfsprekendheid. Toch stemt deze karikaturale voorstelling niet overeen met de Belgische realiteit.

HISTORICI OVER HET HEDEN

Het sluipend gif van taal
Gita Deneckere
De homo­genisering van twee blokken
Vincent Scheltiens
Een tandem Vlaams Belang-N-VA in 2024?
Loonis Logghe

Na maanden (n)onderhandelingen was het maar weer eens aangetoond: het is in dit land geen sinecure om een federale regering te vormen. Dat hoeft niet te verbazen. De grootste Vlaamse partij, N-VA, kaapte het verkiezingsresultaat van 26 mei 2019 als een communautair plebisciet en rekende hiervoor mee op de stemmen die meer dan 810.000 kiezers op het extreemrechtse Vlaams Belang hadden uitgebracht. Hoewel N-VA zelf een kwart van de kiezers was kwijtgespeeld, zwol de partij deze constructie discursief op tot een quasi homogeen voorgesteld 'Vlaanderen' wiens stem niet mocht genegeerd worden in de regeringsvorming. Met die opstelling gijzelde N-VA zowel CD&V als een aantal elementen binnen Open VLD om een paars-groen kabinet te dwarsbomen en zichzelf artificieel incontournable te maken. Het feit dat N-VA inmiddels en na wekenlange schaamteloze gesprekken met Vlaams Belang een Vlaamse regering had gevormd met CD&V en Open VLD, maakte het haar des te makkelijker om de christendemocraten te domesticeren en bij de liberalen de uitgesproken rechtse krachten het kot op stelten te doen zetten. Terwijl in de vorige federale regering slechts iets meer dan een kwart van de Franstalige kiezers vertegenwoordigd was, leek het nu absoluut not done om een federale regering te vormen zonder Vlaamse meerderheid, dus mét N-VA. Een subnationalistisch discours, in casu dat van flaminganten die hun regio tot staat willen verheffen, werd mainstream.

Hiermee werd algemeen aanvaard dat men het zich graag moeilijker maakt dan het is door een confederale logica te accepteren in een federale regeringsvorming. Dat de stembusgang van mei 2019 helemaal niet om communautaire kwesties draaide, werd na die Vlaams-nationalistische kaping nog maar zelden in onze media benadrukt. De obstakels die N-VA zodoende nu al maandenlang zelf opwerpt, werden door de meeste politicologen, editorialisten en andere commentatoren in ruime mate geaccepteerd en gelegitimeerd. Ten gronde, klonk het, verschillen noord en zuid in dit land zo sterk van elkaar dat ze elk – maar dan wel vooral de Vlaamse helft – moeten 'vertegenwoordigd' worden in een federale regering. Vanwege de aanname dat dit land 'twee democratieën' zou tellen die 'steeds verder uit elkaar groeien', is kabinetten vormen nu eenmaal moeilijk. Het topos van de twee democratieën werd zo gevoed. En wie hiertegen wilde argumenteren, moest dat doen vanuit een erg defensieve situatie. Maar als we dit dominant geworden en in mediakringen breed gedragen sub-nationalistisch discours blootleggen, zien we dat één en ander mangelt.

TWEE DEMOCRATIEËN?

België als optelsom van twee democratieën. Het lijkt op het eerste zicht bijna een vanzelfsprekendheid. Kijk naar de politieke verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië, of Vlaanderen en Franstalig België. Die verschillen zouden onoverbrugbaar zijn geworden. Niet alleen vandaag, maar doorheen de hele Belgische geschiedenis, zo luidt het, stemt men in het zuiden overwegend links en in het noorden overwegend rechts. In het Vlaams-nationalistische vertoog krijgt de vermeende tweespalt een essentialistischer karakter en duidt men er ook culturele verschillen mee. Die doen ons snel bij stereotyperingen belanden. De linkse zuiderlingen zijn dan spilzuchtige Latijnen met een laissez-faire mentaliteit, terwijl de rechtse noorderlingen spaarzame Germanen zijn die nauwgezet en hard werken. Let bijvoorbeeld op de manier waarop N-VA een ouder topos in een nieuw jasje stak en ook wist op te dringen: 'de hardwerkende Vlaming'.

Meer dan een loutere vaststelling dat twee democratieën een goede werking zouden bemoeilijken of zelfs belemmeren, gaat het hier ook om een normatieve benadering: wat aan de overkant gebeurt is bij ons niet wenselijk en moet worden vermeden. Die representatie drukt niet alleen een verschil maar ook een onrechtvaardigheid uit: het onbekommerde zuiden teert en neemt (en wordt in sommige gevallen ook als corrupt voorgesteld); het plichtbewuste noorden produceert en geeft. De veelgehoorde zin die historisch deel uitmaakt van het vertoog van het Vlaams-nationalisme, 'Waalse vrienden, laat ons scheiden', is dan ook vals als men kijkt hoe er van 'vriendschap' geen sprake is maar eerder van een constante diabolisering. Maar die 'vriendschap' heeft haar nut bij de volgende logisch lijkende stap waarbij men 'elkaar loslaat' en de gepaste staatkundige conclusie trekt, vaak gepaard gaand met de metafoor van het mislukte huwelijk: scheiden met wederzijdse toestemming. Beide democratieën kunnen elk apart, zoals het ze belieft, hun eigen weg gaan. Aan het opdringen van deze conclusie als 'logisch' en 'onvermijdelijk' wordt nu hard gewerkt.

De communautarisering van de Belgische natiestaat werkte die politieke bipolarisering zo mogelijk nog meer in de hand. De opsplitsing bracht met zich mee dat de politieke partijen niet alleen die beweging zelf structureel volgden, maar dat ze hun programma's ook regionalistischer gingen inkleuren. Vermits de kiesomschrijvingen de grenzen van de gewesten niet overstijgen, werden volksvertegenwoordigers vooral verantwoording verschuldigd aan de eigen taalgroep. Met de opdeling van de nationale radio- en televisieomroep in 1960 nam dit verder een 'Belgische ruimte' weg. De communautarisering van België had en heeft dus middelpuntvliedende effecten. Occasionele pleidooien voor een herfederalisering van bepaalde bevoegdheden of voor de herinvoering van een federale kieskring proberen die centrifugale dynamiek te doorbreken.

KARIKATURALE VOORSTELLING

De even aandachtige als onbevooroordeelde lezer had al in de smiezen dat deze karikaturale voorstelling niet overeenstemt met de Belgische realiteit. Het land België bestaat immers niet uit louter twee entiteiten. Hoe klein en bescheiden het ook moge wezen, Ostbelgien, de Duitstalige Gemeenschap, is niét Wallonië en evenmin Vlaanderen. En dan is er natuurlijk Brussel. Al meer dan eeuw lang ontwikkelt de hoofdstedelijke regio zich sui generis tot een aparte entiteit met een eigen dynamiek die ontsnapt aan de Vlaams-Waalse binaire representaties en claims. Brussel, waar twee derde van de bevolking van (oudere of recente) vreemde origine is, kan in die bipolaire voorstelling van het land niet gevat worden. Dat valt makkelijk af te lezen aan de ongemakkelijke en tegenstrijdige manier van (pogen tot) verbale annexatie en feitelijke afstoting waarop de subnationale bewegingen de hoofdstedelijke regio voorstellen.

Een verschillend stemgedrag vormt evenmin een sluitend argument. Wat dan met de bijna even historische 'tweedeling' tussen een meer progressieve stem in steden en meer behoudsgezind stemgedrag in landelijke gebieden… binnen dezelfde Vlaamse entiteit? Wat met de economische ongelijkheid binnen dezelfde regio? Verder moet ook worden opgemerkt dat de historische institutionele evolutie van België – met een grens die je als horizontaal kan voorstellen – niet geheel overeenstemt met de reële economische ontwikkeling van het land waar je verticale regionale assen kan onderscheiden die de taal- en zelfs de landsgrenzen doorkruisen: de as Kortrijk-Moeskroen, de as Antwerpen-Brussel en de as Limburg-Luik met uitlopers naar Nederland en Duitsland. Het valt niet uit te sluiten dat deze sociaaleconomische ontwikkelingen – net zoals die van de centrumsteden – vroeg of laat ook sterkere politieke platformen of vertolkingen zullen genereren die in spanning zullen komen te staan met de horizontale communautaire as, zoals dat al vanaf de tweede helft van de 20e eeuw steeds meer het geval was op Europees vlak.

PS-MODEL VERSUS N-VA-MODEL?

Ver verwijderd van deze realiteit was het N-VA-voorzitter Bart De Wever die in de verkiezingscampagne van 2014 de zaken op scherp stelde door het Vlaamse publiek de keuze voor te leggen tussen een Franstalig 'PS-model' en een Vlaams 'N-VA-model'. Op die manier versterkte N-VA de hegemonie over het Vlaamse politieke veld. In dit bipolaire model werden twee blokken gehomogeniseerd waardoor het leek alsof Franstalig België geen rechtse en Vlaanderen geen linkse partijen en kiezers zou tellen. Uiteraard ging het hier om een politieke strategie die – ook vanuit de PS – inzette op de potentiële dreiging van een daardoor nuttige opponent aan de overkant om een reorganisatie rond en versterking van de eigen formatie te verkrijgen.

Het 'succes' van deze aanpak maakte dat het water almaar dieper werd om na verkiezingen 'tot elkaar te komen'. En dat werd een schreeuw die begin 2020 steeds luider begon te weerklinken, net als bij de regeringsvorming in 2010-2011 toen mensen vonden dat er sofort een regering moest komen en uit sympathiek protest de baard lieten groeien of een naïeve Shame-betoging organiseerden. Meer dan tekenen van antipolitiek zijn dit signalen van de uitermate betreurenswaardige depolitisering. Waarom zouden PS en N-VA samen in een regering moeten zitten? Waarom heeft het nog zin partij- en verkiezingsprogramma's op te stellen en op basis daarvan naar de gunst van de kiezer te dingen om daarna alles te laten vallen en ergens in het bloedeloze consensuele midden te stranden dat – in de huidige politieke en sociaaleconomische context – een neoliberale consensus is? De grote afstand tussen PS en N-VA wordt immers niet gecreëerd doordat de ene Waals of Franstalig is en de andere Vlaams, maar wel omdat de ene zegt voor een links programma te staan en de andere een ethisch conservatief en een sociaaleconomisch neoliberaal programma verdedigt. Er is een wezenlijk, kwalitatief verschil tussen een coalitie vormen (en dus toegevingen doen) met partners waarmee je min of meer op dezelfde as zit of in dezelfde richting vordert of met opponenten die pal aan de inhoudelijke overkant staan.

Precies daarom kan het wenselijk beschouwd worden dat vorige maand in Spanje een coalitie werd gevormd tussen een sociaaldemocratische en formatie links-van-het-centrum en waarom PS in België te kennen geeft géén regering met N-VA te willen of kunnen vormen (het is hier een synoniem).

HET COMMUNAUTAIRE VAN SCÈNE DUWEN

Los van onzin over 'politieke genen' en 'DNA' is het best mogelijk dat Vlaanderen ooit overwegend links wordt; zoals het evenmin uitgesloten is dat in Franstalig België ooit een rechts-populistische partij doorbreekt of PS haar leiderspositie moet afstaan. Er bestaat op dat vlak geen fataliteit.

Het is in de komende periode echter vooral zaak om het binaire, communautaire meerderheidsdiscours te doorbreken en een eigen sociale agenda voorop te stellen. Dat is de agenda van de solidariteit, van de transversaliteit, zonder dat het een verheerlijking van de Belgische staat mag worden. Als 'dunne' ideologie behoeft het nationalisme immers steeds een completere maatschappelijke invulling (wat precies wens je met een onafhankelijke staat of structuur te doen?) om een voldragen project te worden. Het 21e eeuwse Vlaams-nationalisme, zoals dat door het broederpaar N-VA en Vlaams Belang wordt beleden, heeft als project de verdamping van België om een sociaaleconomische en autoritaristische ruk naar rechts te voltooien. Binnen zo een autonome Vlaamse ruimte zouden de sociale en politieke krachtsverhoudingen daar immers veel gunstiger voor zijn. Nu al zijn sociale bewegingen in het algemeen en vakbonden in het bijzonder meer dan ze zelf beseffen het mikpunt van zowel perfide als uitgesproken destabiliseringscampagnes. Vermits er vanuit die geledingen geen rechtstreeks vat is op de politique politicienne moet de autonomie als een efficiënt wapen beschouwd worden, om te herpolitiseren in de juiste betekenis van de term: om het sociale op te dringen en het communautaire van de scène te duwen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 2 (februari), pagina 44 tot 48