Abonneer Log in

Back To the Future

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Kunnen we voor de economische relance na corona iets leren uit het Belgisch industriebeleid van de jaren 1950 en 1960?

Het coronavirus dat nu al bijna 9 maanden over onze planeet woekert, lijkt gruwelijk ingenieus in hoe het ons systeem aantast. Waarbij het eerst een virus leek dat voornamelijk op de luchtwegen werkte, blijkt nu dat het een aanval inzet op andere vitale organen. Maar ook de economische fall-out van het virus volgt een gelijkaardige weg. Niet enkel de economie maar ook cultuur, sport en onderwijs zijn in meer of mindere mate getroffen door coronamaatregelen. De economische klap die de wereld te verduren krijgt, wordt vergeleken met deze van de Tweede Wereldoorlog.

Misschien is het daarom interessant om tot 70 jaar terug in de geschiedenis te gaan om te kijken hoe België in de jaren 1950 en begin van jaren 1960 een moderne naoorlogse economie op poten zette. Bijzonder is dat plannen en investeringen uit deze periode een gigantische impact hadden op de huidig welvaart in ons land en in het bijzonder Vlaanderen. Kunnen we iets leren uit dit tijdsbestek? En kan dit inzicht gebruikt worden om een duurzame welvaart te genereren voor de volgende 50 jaar?

Het geloof in innovatie en een maakbare samenleving van die tijd wordt misschien het best weerspiegeld in de organisatie van de wereldtentoonstelling in 1958 in Brussel. Onder het motto 'Voor een betere, meer humane en meer eendrachtige wereld' vergaapten meer dan 40 miljoen bezoekers zich aan onder andere een replica van de pas gelanceerde Spoetnik satelliet of de eerste kleurentelevisie in voor die tijd uiterst moderne paviljoenen. Dit alles in de schaduw van het schitterende Atomium, een honderd meter hoog model van een ijzerkristal. Maar ook de schaduw van mensonterend kolonialisme was er aanwezig onder de vorm van een menselijke zoo in een nagebouwd Congolees dorp.Even terloops. Ook in die jaren bleef ons land niet gespaard van gevaarlijke virussen met twee golven van het poliovirus in 1952 en 1955-1957, hetgeen leidde tot de organisatie van een nationale ambulanceservice, grote investeringen in medische apparatuur en uiteindelijk de eerste collectieve vaccinatie tegen het virus in België in 1958.

VALSE START NA DE TWEEDE WERELDOORLOG

Eigenlijk nam ons land voor wat betreft industriële vernieuwing een valse start na de Tweede Wereldoorlog. De Belgische industriële infrastructuur was grotendeels gespaard gebleven van het oorlogsgeweld. Daarenboven draaide die industrie op volle toeren voor de heropbouw na de oorlog. België gaf zelfs deel van de Marshall-fondsen cadeau aan andere landen met betalingsbalansproblemen, zodat deze laatsten meer goederen uit België konden aanschaffen. De economische heropleving in België na de oorlog had grotendeels met geluk te maken. Hierdoor werd er geen industriële vernieuwing doorgevoerd; iets wat andere landen, vaak noodgedwongen om vernielde infrastructuur te vervangen, wel deden. Zo werden de getroffen havens van Rotterdam en Hamburg heropgebouwd en gemoderniseerd.

België zag de economische concurrentie dan ook zienderogen toenemen, samen met verlies aan competitiviteit. Daarenboven begon olie in sneltreinvaart de fakkel van steenkool over te nemen als belangrijkste fossiele energiedrager. Steenkool werd vervangen door elektriciteit (spoorwegen) en gas. De groei in vraag naar olie hing volledig samen met het stijgende aantal personenwagens en vrachtverkeer. Tussen 1954 en 1962 daalde het aantal mijnwerkers in België met bijna 50.000.

NIEUW INDUSTRIEEL BELEID IN JAREN 1950

Door te lang vast te houden aan oudere sectoren verloor België dus aan concurrentiekracht. Pas vanaf midden jaren 1950 begon een nieuw industrieel beleid vorm te krijgen. Over een periode van 15 jaar werd de grondslag gelegd voor het industrieel en logistiek weefsel van België en in het bijzonder Vlaanderen dat tot op heden een belangrijke bron van welvaart vormt.

Uiterst belangrijk waren de investeringen in de Antwerpse haven. In het bijzonder het 10-jaren plan dat de rechteroever ontwikkelde met de bouw van het kanaaldok, Churchilldok en later de Zandvlietsluis. Drie raffinaderijen werden gebouwd. Het is ook in deze periode dat de chemiesector zich ontwikkelde tot één van de belangrijkste in Vlaanderen met investeringen van onder andere BASF, Bayer, Monsanto en Union Carbide. Ook de Gentse zeehaven werd ontwikkeld; wat resulteerde in de bouw van een voor die tijd uiterst moderne en geïntegreerde staalfabriek (SIDMAR) in de jaren 1960. Deze maritieme locatie voor staalproductie kon profiteren van lagere transportkosten en schaalvoordelen, waardoor er een competitief voordeel ontstond met oudere, kleinere en meer binnenlands gelegen staalproductie.

Ook de farmaceutische sector, één van de huidige speerpunten van onze economie, vond haar oorsprong in die tijd. Gedeeltelijk als een spin-off vanuit de chemische industrie, maar ook door versnelde investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

In de metaalverwerkende industrie gebeurde er specialisatie, opnieuw aangedreven door de chemische industrie die nood had aan onder andere metalen boilers en reactorvaten. Deze knowhow voor de bouw van industriële procesinstallaties werd ook een exportproduct. Later, in de jaren 1960, volgden ook grote investeringen in automobielassemblage.

Het ontstaan van een snelwegennetwerk in België is ook een gevolg van grote investeringen in de jaren 1950 en 1960. Zo werd de ring rond Brussel aangelegd, alsook later de snelweg naar de kust. Over een periode van 20 jaar werd bijna 400 kilometer aan autosnelwegen aangelegd. Samen met de uitbouw van de havens werd hier de basis gelegd voor het belangrijke logistieke knooppunt dat ons land nu inneemt in Europa.

Ten slotte werd in de jaren 1950 ons land het nucleair tijdsperk binnengeloodst door de opstart van het nucleair testprogramma in Mol met de bouw van kleine pilootreactoren. In 1969 werd begonnen met de bouw van Doel 1 en later de dominante positie van kernenergie in de elektriciteitsproductie.

70 JAAR LATER

Het is dus geen overdrijving te stellen dat het economisch en industriebeleid uit de jaren 1950 en 1960 de basis vormde voor onze huidige welvaart. In het bijzonder de chemische en farmaceutische industrie en de andere havenactiviteiten dragen nog steeds in grote mate bij aan de toegevoegde waarde die, in het bijzonder in Vlaanderen, gecreëerd wordt.

Wat zijn de elementen die bijgedragen hebben aan zulke generatie overstijgende industriële omwenteling? De belangrijkste elementen wijzen in de richting van de uitbouw van nieuwe infrastructuur, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, en grote fiscale en financiële ondersteuning vanuit de publieke sector om private (vaak buitenlandse) investeringen te katalyseren. Daarenboven was er ook het groeiende besef dat zogenaamde defensieve investeringen (zoals investeringen in efficiëntieverbeteringen) in oudere minder competitieve sectoren (zoals steenkool) plaats moesten maken voor grote kapitaalintensieve investeringen in nieuwe groeisectoren. Dit alles gebeurde onder druk van toenemende internationale concurrentie én de opportuniteit van betere toegang tot een Europese afzetmarkt na de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap via het Verdrag van Rome in 1957.

Zoals reeds eerder vermeld, kan de rol van de grote publieke investeringen in de havens en de snelwegen niet genoeg beklemtoond worden. Hier speelden ook de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid (NMKN) en later ook de nationale investeringsmaatschappij een belangrijke rol. Zo financierde de NMKN de bouw van een grote raffinaderij in Antwerpen en beheerde zij de Marshall-fondsen. De nationale investeringsmaatschappij (1962) en afgeleide regionale fondsen hadden als doel de structurele vernieuwing van het industrieel weefsel verder te realiseren door middel van de participatie van publiek kapitaal in privé-investeringen.

De expansiewetten, met focus op regionale economische expansie, creëerden een voordelig fiscaal kader voor ondernemingen die wensten te investeren in België of participeerden in de nationale investeringsmaatschappij. Naast de uitbouw van infrastructuur was dit ook een manier om België aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeringen. De economische planning en sturing kreeg ook een administratie door de oprichting van het planbureau (Bureau voor economische programmatie).

Ten slotte kreeg in deze periode ook een degelijk financieel ondersteund en uitgebouwd beleid rond onderzoek en ontwikkeling vorm. Dit gebeurde door er aanzienlijke financiële middelen voor vrij te maken, inclusief overheidswaarborgen voor bedrijven die mee investeerden in onderzoek en ontwikkeling. Voorts richtte de regering in 1959 de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid op, de voorloper van de Federale Raad voor Wetenschapsbeleid.

Samengevat, de grondslag van deze industriële omslag bestond uit publieke investeringen in infrastructuur (met oog op aantrekken van private investeringen), financiële en fiscale steun voor de creatie van meerwaarde in nieuwe sectoren en uitbreiding van middelen voor onderzoek en ontwikkeling. Dit alles ondersteund door nieuwe administraties en instellingen zoals het planbureau, de nationale raad voor wetenschapsbeleid en investeringsfondsen.

DE ECONOMISCHE RELANCE NA CORONA

Keren we nu terug naar 2020 en hoe een economische relance er zou kunnen uitzien, met de maakbare samenleving uit de jaren 1950 en 1960 in het achterhoofd.

De coronacrisis heeft serieus ingehakt op onze economie. In de EU wordt een daling van het Europese bbp van boven 7% verwacht. In België kan dit cijfer nog hoger liggen. Het is daarenboven niet zeker dat het herstel heel snel via een scherpe v-vormige lijn zal verlopen. We kijken immers aan tegen de tweede golf van het virus, het vaccin laat nog op zich wachten en het virus woekert in andere grote economieën (zoals de VS en Brazilië) quasi ongeremd voort.

Daarenboven is de fall-out van dit virus niet de enige grote uitdaging waar we voor staan. De klimaatcrisis kan in de volgende decennia, indien niet beteugeld, zorgen voor nog grotere economische en menselijke schade. In 2020 zagen we een ongekende hittegolf in polaire regio's, samen met bosbranden en smeltend (noord)poolijs. Het geeft aan dat het klimaat zich geen jota aantrekt van het virus en dat deze crisis verre van onder controle is. Voorts maakte de impact van het virus ook duidelijk hoe kwetsbaar onze waardeketens zijn. Zo bleek dat het tijdig verkrijgen van adequaat medisch beschermingsmateriaal op de internationale markt erg moeilijk; ook omdat veel van dit materiaal niet meer in Europa geproduceerd wordt. Last but not least is er de grote (en door onder andere de vergrijzing groeiende) druk op de begroting en de slagkracht van de publieke sector. Dit laatste zet bijkomende druk om de productiviteit van onze samenleving te verhogen.

Een economische relance post-corona zal met dit alles rekening moeten houden.

Eerst en vooral zal de industriële vernieuwing en de transformatie van het energiesysteem zich moeten richten op duurzame en klimaatvriendelijke productie. Net als steenkoolproductie in de jaren 1950 in onze regio's rake klappen kreeg lijkt het nu de beurt aan olieproductie. Grote olieproducenten zijn de grootste verliezers van deze crisis. Samen met een steeds stringenter klimaatbeleid en de snelle ontwikkeling van steeds goedkopere hernieuwbare energie en de elektrificatie van transport, lijkt het er sterk op dat de olie-gebaseerde samenleving op een onontkoombare terugweg zit. Dit kan grote gevolgen hebben voor de chemische industrie die nog steeds quasi volledig draait op (afgeleide) olie- en gasproducten. De uitdaging zal er dus in bestaan om deze industrie drastisch te vernieuwen zodat zij beroep kan doen op meer diverse en klimaatvriendelijke grondstoffen. Dit kan het gebruik van waterstof met lage CO2-uitstoot, biomassa, hergebruik van CO2, de elektrificatie van processen en last but not least circulariteit van plastics inhouden als mogelijke alternatieven. Deze transitie zal niet eenvoudig zijn. Veel processen en installaties die nu nog draaien zijn gebouwd in de jaren 1960. Daarenboven staan vele nieuwe alternatieve productieprocessen nog lang niet op punt en is verder onderzoek en ontwikkeling nodig.

Daarenboven is de internationale concurrentie sinds de jaren 1950 en 1960 alleen maar toegenomen. De transitie naar duurzame processen zal moeten plaatsvinden in een zeer competitieve wereldmarkt. Dit zal bijkomend ondersteuningsbeleid noodzakelijk maken. De coronacrisis leerde ons immers dat het verliezen van industriële productiecapaciteit (zoals voor medisch beschermingsmateriaal) een ernstig strategisch risico brengt. Terwijl de jaren 1960 het begin vormden van de Europese eenheidsmarkt moet er nu gedacht worden aan een radicale verduurzaming van die markt, door bijvoorbeeld het introduceren van Europese standaarden met betrekking tot de koolstofafdruk en materiaalintensiteit van productie. Hierdoor kunnen Europese producenten, als zij op dit vlak voorloper zijn, beschermd worden tegen concurrentie met producten die aan veel lagere milieustandaarden gemaakt worden.

Net als in de jaren 1950 en 1960 zal het voorzien van nieuwe infrastructuur cruciaal zijn om deze transitie te realiseren. Zo moet er nu gedacht worden aan infrastructuur voor de opvang en transport van CO2, waterstofnetwerken en versterking van het elektriciteitsnetwerk. De publieke sector zal opnieuw een belangrijke taak hebben om de financiering van deze infrastructuur te voorzien.

Innovatie en in het bijzonder digitalisering moeten verder gefocust worden doorgevoerd om de (totale factor) productiviteit van onze economie te verhogen, en niet als doel op zich. De Vlaamse moonshots, met als doel de chemische industrie via innovatie klimaatneutraal te maken, zijn een goed voorbeeld van zulke 'mission oriented' innovatie. Voorts kan de productiviteit van onze economie serieus verbeteren door in te zetten op moderne en milieuvriendelijke mobiliteit, en aldus de externe kosten van files (tijdsverlies, luchtvervuiling) beperken.

Terwijl wij in de jaren 1950 en 1960 grote investeringsfondsen hadden om bovenstaande te realiseren zijn deze nu een schim van zichzelf. De NMKN is uiteindelijk opgegaan in het BNP-Paribas-Fortis en een groot deel van de middelen van de nationale investeringsmaatschappij werden overgedragen aan de private sector. De huidige investeringsvehikels, zoals PMV en FPIM, zijn te klein en te weinig doelgericht om de relance enige kans van slagen te geven. Waarom maken we van Belfius, een bank in handen van de overheid, geen nieuwe investeringsbank die de relance kan katalyseren?

Ten slotte is het meest tragische van de huidige crisis misschien nog dat de spirit van 1958 'voor een betere, meer humane en meer eendrachtige wereld' heel veraf lijkt. Zelfs de grootste naoorlogse crisis kon tot vandaag een regeringsformatie niet bespoedigen. Het lijkt alsof de collectieve politieke klasse het vertrouwen kwijt is in de mogelijkheid van een maakbare en betere samenleving en zich daarom noodgedwongen beperkt tot de meest spitsvondige quote, tweet of insta van de dag. Misschien is de belangrijkste les dan ook dat we er 60 jaar geleden wel zijn in geslaagd om een radicale industriële transformatie door te voeren en dat in principe niets ons tegenhoudt dit opnieuw te doen. 'History never repeats itself, but it rhymes',zei Mark Twain.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.

BRONNEN

  • Smeyers, K. En Buyst E., 2016, Het gestolde land: een economische geschiedenis van België
  • Dumolyn, T., 2012, De Industriële Transformatie van België: Economische Groei en Investeringen 1953-1966
  • Rijksarchief in België, Inventaris van het archief van de NationaleInvesteringsmaatschappij (NIM) en SOFINIM, (1922) 1962-2000
  • Verhasselt L., 2016, Polio een vergeten virus, Belgische polio-ervaringen uit de 20ste eeuw
  • Eyskens G. en Smits J., 1993, Gaston Eyskens: de memoires