Abonneer Log in

Een virus op ons bord

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Een pandemie als opportuniteit voor korte keten en lokaal voedselbeleid.

Voedsel is een belangrijk onderdeel van ons dagelijks leven. We eten verschillende keren per dag en lijken ons steeds meer bewust te zijn van de consequenties van wat er op ons bord ligt en hoe het daar terechtkomt. COVID-19 heeft verschillende nieuwe en bestaande uitdagingen geassocieerd met het dominant industrieel voedselsysteem onder de aandacht gebracht.

Een groot deel van de impact van de pandemie en de lockdown manifesteert zich in steden. Voedsel, dat er in pre-corona tijden in overvloed van overal en schijnbaar nergens aanwezig was, leek plots een schaars goed te worden. Dat heeft zowel paniek, hamstergedrag als het debat over (stedelijk) voedselvraagstuk aangewakkerd. Blijkbaar is er een crisis nodig om de fragiliteit en ongelijkheid van het systeem te erkennen, maar ook om niches onder de aandacht te brengen en te doen groeien. Naast de hernieuwde focus op de fragiliteit van het systeem (zoals de nood aan voedselhulp, onze afhankelijkheid van seizoensarbeid, lange productieketens) of de precaire arbeidsomstandigheden in de vleesverwerkingsindustrie), vinden stedelingen ook steeds meer de weg naar lokale voedselinitiatieven en de korte keten.

In deze bijdrage ga ik eerst kort in op enkele uitdagingen van het dominant voedselsysteem en hoe de COVID-19 pandemie deze aan het licht heeft gebracht. Vervolgens worden mogelijke oplossingen besproken zoals de rol van stedelijke voedselproductie, de korte keten, en een lokaal voedselbeleid. Wat hebben we geleerd van deze crisis? Waar liggen de pijnpunten en wat zijn mogelijke oplossingen? Maar ook: hoe kan het post-corona voedselsysteem eruitzien en hoe kunnen we dat organiseren?

VOEDSELVRAAGSTUK IS COMPLEX

Het primaire doel van een voedselsysteem is het voeden van mensen. Ons geglobaliseerd voedselsysteem produceert voedsel in overvloed, maar haalt deze doelstelling niet. Sterker nog, het is wereldwijd een belangrijke driver van ongelijkheid, ecologische degradatie en één derde van de totale productie gaat verloren.1 Het voedselvraagstuk is een complexe problematiek. Hoe voorzien we genoeg, betaalbaar en gezond voedsel voor iedereen, waarbij landbouwers eerlijk worden vergoed en onze ecosystemen niet worden vernietigd?

Er bestaat geen eenduidig antwoord op deze vraag en de meningen lopen sterk uiteen. Er bestaat wel consensus over de nood aan een beter voedselsysteem. Maar hoe dat er juist moet uitzien en hoe we dat best organiseren is onderwerp van hevige, politieke en emotionele discussie. Deze duurzaamheidsuitdaging is duidelijk ook een politiek vraagstuk waarbij verschillende toekomstbeelden, technologieën en oplossingen met elkaar concurreren. Hier ga ik dieper in op twee posities die kunnen worden ingenomen binnen dit vraagstuk: voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit. Alsook op de kwestie van korte versus lange ketens.

Voedselzekerheid en goedkope overproductie?

Het dominant paradigma binnen het voedselsysteem is dat van voedselzekerheid. Deze positie biedt antwoord op de vraag hoe voorzien we genoeg voedsel voor de wereldbevolking,waarbij industriële productie voor globale markten en technologische innovatie centraal staan. De focus ligt op de hoeveelheid voedsel, en niet op de manier waarop het wordt geproduceerd of gedistribueerd, of wie de controle erover heeft. Dit dominant paradigma wordt steeds meer in vraag gesteld want het brengt wereldwijd hoge sociale en ecologische kosten met zich mee, zoals biodiversiteitsverlies, klimaatverandering, waterschaarste, onderbetaalde landbouwers, obesitas, honger en verspilling.

Deze kosten worden niet meegerekend in de goedkope prijs die wij voor voedsel betalen. Binnen een geglobaliseerd voedselsysteem wordt de waarde van voedsel gedetermineerd door de prijs. Maar dat is een reductie. Het is een belangrijk onderdeel van onze gezondheid, ons landschap, sociaal leven, identiteit, onze normen en waarden, tradities, enzovoort.2 Globale ketens maken voedsel spotgoedkoop en altijd beschikbaar, maar dat heeft wel zijn prijs: voor landbouwer en natuur. In België besteedt men gemiddeld slechts 14% van het huishoudbudget aan voeding en niet-alcoholische dranken.3 Deze lage kostprijs vertaalt zich naast destructie van ecosystemen ook in minimumlonen voor bijna iedereen die zich bezighoudt met voedselproductie; landbouwers, medewerkers in de verwerkingsindustrie en seizoenarbeiders. Goedkoop voedsel is volgens Carolyn Steel een illusie en een excuus om niets te moeten doen aan het echte probleem, namelijk ongelijkheid.4 Dit model produceert voedsel in overvloed waarbij wereldwijd ongeveer één derde van de totale productie verloren gaat. Ondanks de goedkope kostprijs en overproductie van voedsel, blijft het aantal mensen dat beroep doet op voedselbanken al decennia groeien.5 Ook in het welvarende België, en ook voor de COVID-19 pandemie. De belangrijkste uitdaging vandaag is dus niet om voedselzekerheid te garanderen: er wordt genoeg geproduceerd. Het gaat niet langer om de hoeveelheid, maar eerder om de verdeling en de toegang ertoe te garanderen.

Voedselsoevereiniteit en inefficiënte zelfvoorziening?

Eén van de uitdagers van deze positie is het paradigma van voedselsoevereiniteit. Deze benadering stelt het recht van iedereen op voldoende en gezonde voeding en de ruimte om het te produceren centraal. Voedselsoevereiniteit betekent 'the right of people to healthy and culturally appropriate food produced through ecologically sound methods, and their right to define their own food and agricultural systems. It puts the aspirations and needs of those who produce, distribute and consume food at the heart of food systems and policies rather than demands of markets and consumers'.6

Waar aanhangers van voedselzekerheid inzetten op grootschalige en technologische oplossingen, pleiten voorstanders van voedselsoevereiniteit voor meer lokale en agro-ecologische voedselvoorziening. De focus ligt op korte productieketens en natuurinclusieve landbouw, en om een keuze toe te laten voor welke sociale en ecologische kosten ons voedselsysteem met zich meebrengt. Deze beweging krijgt steeds meer aandacht. Ook instellingen zoals FAO (VN), Wereldbank en IPES pleiten voor transitie naar een agro-ecologisch voedselsysteem. En recent zet ook Europa steeds meer in op korte keten via de Farm-to-Fork strategie, onderdeel van de Europese Green Deal. In en rond steden vinden we vormen van voedselsoevereiniteit terug bij CSA-boerderijen (Community Supported Agriculture), gemeenschapstuinen en sommige korte keten initiatieven. En het zijn net deze initiatieven die tijdens de pandemie floreerden als nooit tevoren.

Voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit zijn uitersten van het spectrum binnen het (stedelijk) voedselvraagstuk en staan lijnrecht tegenover elkaar. Een veel voorkomende kritiek op lokale of stedelijke voedselproductie is de vraag of dergelijke systemen wel efficiënt zijn, en of we zo de wereld wel kunnen voeden, maar dat is niet de juiste vraag. De doelstelling is om te komen tot een veerkrachtig en duurzaam voedselsysteem, dat toegang garandeert tot voedsel voor iedereen. De doelstelling is niet om volledig zelfvoorzienend te worden. Voorstanders van grootschalige industriële landbouw zetten dit vaak zo weg, terwijl voorstanders van voedselsoevereiniteit de industriële landbouw aanduiden als de duivel, in plaats van een debat te voeren over mogelijke complementariteit en het potentieel van zowel korte als lange voedselketens.

Korte versus lange ketens: het probleem van machtsconcentratie

Langere productieketens an sich zijn geen probleem. Bepaalde gronden lenen zich beter om bepaalde gewassen te kweken en een duurzaam voedselsysteem mag ook efficiënt zijn. Schaalvoordelen kunnen milieuvriendelijk zijn en het aandeel van transport (of voedselkilometers) binnen de totale uitstoot van de voedselketen is eerder klein. Het grote probleem van lange ketens is dat ze zorgen voor een enorme concentratie van macht bij een handvol bedrijven die de prijs van onze voeding bepalen, zowel voor producent als consument, op globale schaal. Een prijs die sociale en ecologische kosten niet in rekening brengt omdat financiële belangen voorop staan.

Korte ketens zijn niet automatisch méér duurzaam of méér rechtvaardig – dat wordt vaak verondersteld (the local trap) maar is niet altijd waar. Sommige initiatieven brengen vormen van ongelijkheid met zich mee of zijn enkel toegankelijk voor de hogere middenklasse foodie, maar dat betekent niet dat deze niches geen plaats hebben in de transitie naar een beter voedselsysteem.

Lange bevoorradingsketens zijn complex en hangen met elkaar samen. Tijdens periodes van crisis wordt dan duidelijk dat we erg afhankelijk zijn van andere landen. Korte ketens hebben meer veerkracht getoond tijdens de corona-pandemie en lijken beter in staat om schokken op te vangen. Algemeen staan ze voor een ander productie- en organisatiemodel dat machtsconcentratie tegengaat, een eerlijk inkomen voor landbouwers garandeert en een duurzaam voedselsysteem nastreeft.

EFFECTEN VAN COVID-19 OP HET VOEDSELSYSTEEM

COVID-19 heeft het debat over de toekomst van het voedselsysteem sterk aangewakkerd. De pandemie heeft het dominant paradigma van voedselzekerheid in vraag gesteld en de fragiliteit ervan getoond. Denk aan de kritiek op industriële vleesproductie, de precaire werkomstandigheden bij de verwerking en de link met zoönose, de sterke groei van lokale voedselinitiatieven, grote productieoverschotten en verspilling door het sluiten van grenzen, groeiende vraag naar voedselhulp, hamstergedrag in supermarkten en hun bedienden als frontliniewerkers, onze afhankelijkheid van (goedkope) seizoenarbeid, of de link tussen obesitas, verwerkt voedsel en vatbaarheid voor COVID-19. In dit deel zoom ik in op enkele ongelijkheden die deze crisis aan het licht heeft gebracht, de overrompeling van de voedselbanken en de veerkracht van de korte keten.

Lockdown en de paradoxale relatie tussen voedselverspilling en -hulp

In het begin van de pandemie waarschuwde de VN al dat corona-gerelateerde lockdownmaatregelen wereldwijd voor voedseltekorten konden zorgen, en dat het aantal mensen met honger hierdoor zou verdubbelen als er geen actie werd ondernomen.7 De Vlaamse landbouwsector wordt steeds efficiënter en milieuvriendelijker. Maar ze is ook sterk gespecialiseerd en exportgericht. Daardoor is ze gevoelig voor schokken zoals COVID-19, droogte, exportbeperkingen of andere virussen. Bij ons werden overschotten vernietigd terwijl er elders honger dreigde. Door gebrek aan afzetmarkt en seizoensarbeid is er veel voedsel verloren gegaan, terwijl op andere plaatsen tekorten dreigden. Deze verspilling vond voornamelijk plaats op productie- en distributieniveau. Op huishoudniveau werd er tijdens de lockdown minder verspild, onder andere door meer tijd om te koken.8

Overrompeling van de voedselbanken

In het begin van de lockdown leek het aantal mensen die beroep doen op voedselhulp stabiel, maar al snel volgde de overrompeling van de voedselbanken. De vraag explodeerde omdat sporadische cliënten nu frequenter moesten aankloppen, en omdat ze nieuwe risicogroepen bedienden zoals freelancers en jongeren. De goedkopere producten in supermarkten waren sneller uitverkocht, waardoor minder koopkrachtige groepen ofwel duurdere producten moesten kopen, ofwel moesten aankloppen bij de voedselbank. Op sommige verdeelpunten waren er tot 30% meer cliënten. Bovendien dreigde de werking van verschillende voedselbanken stil te vallen. Enerzijds door een gebrek aan voedseloverschotten (door hamstergedrag in de supermarkten)9, anderzijds door de afstandsmaatregelen en een gebrek aan vrijwilligers die niet tot de oudere risicogroep behoorden. Gelukkig werd dit probleem snel opgelost. Er ontstond een golf van solidariteit en er werden nieuwe en tijdelijke initiatieven rond voedselbedeling opgestart, vooral in de steden. Het tekort aan vrijwilligers en voedsel werd met behulp van lokale overheden snel opgevangen waardoor zowel bestaande als nieuwe verdeelpunten in snel tempo de deuren weer konden open.

Dit voorbeeld brengt een duidelijke spanning aan het licht binnen het voedselsysteem, namelijk de paradoxale relatie tussen voedselverspilling, overschotten en voedselhulp. Het toont dat overproductie van goedkoop voedsel en honger naast elkaar bestaan, en ook dat ongelijkheid binnen het systeem een grotere uitdaging is dan productievolumes. Nu kan je denken; herverdeling van overschotten naar hulpbehoevenden – wat kan je daarop tegen hebben? Wel, op korte termijn is het een effectieve oplossing voor honger, maar structureel verander je er weinig mee. Noch aan armoede, noch aan de manier waarop we ons voedsel (over)produceren.

Veerkracht in de korte keten

Door de coronacrisis hebben veel nieuwe mensen de weg naar lokale voedselinitiatieven gevonden. Initiatieven die experimenteren met andere productie- en organisatiemodellen, zoals CSA-boerderijen en de korte keten. De vraag ernaar groeide enorm en ze boekten omzetten als nooit tevoren. Sommige korte keten producenten konden de vraag niet bijbenen. Als je lid of coöperant wil worden bij een CSA-boerderij (Community Supported Agriculture) kom je op een wachtlijst terecht. De korte keten en het CSA-organisatiemodel, die steunen op samenwerking tussen producent en consument, hebben getoond dat ze kan om kunnen gaan met schokken, voedselzekerheid bieden aan hun afnemers en inkomenszekerheid garanderen aan de landbouwer. Daardoor is deze niche sterk gegroeid. Maar de vraag is: hoe duurzaam zijn deze veranderingen wanneer de ratrace heropstart? Het is nu al duidelijk dat er een terugval in aantal klanten is.

Het huidige voedselsysteem heeft ons tijdens deze crisis van voedsel voorzien, maar samen met extra inspanningen van de korte keten. De lege rekken in de supermarkt waren een gevolg van paniek, hamstergedrag, exportbeperkingen en gesloten grenzen, niet van een gebrek aan productie. Er is altijd genoeg voedsel geweest, maar het systeem van lange ketens en afhankelijkheid van andere landen is fragiel. De coronacrisis heeft de ongelijkheden binnen dit systeem blootgelegd en getoond dat het geglobaliseerd industrieel model niet de enige mogelijkheid is. Deze uitzonderlijke situatie zet mensen bovendien aan om een positie in te nemen over de vraag wat voor soort voedselsysteem we willen, waar onze volgende maaltijd vandaan komt, wat de effecten daarvan zijn en wie er toegang tot heeft.

DE TRANSITIE NAAR EEN BETER VOEDSELSYSTEEM

De transitie naar een beter voedselsysteem dient op verschillende fronten gebeuren. Lokale productie en de korte keten sluiten langere ketens niet uit maar deze beloftevolle niches krijgen vandaag weinig ondersteuning. Aandacht en ondersteuning voor lokale productie betekent niet dat we alles lokaal moeten organiseren, zelfvoorzienend moeten worden en dat er geen nood meer is aan handel en langere ketens voor bepaalde producten. Dat is een vaak voorkomende misvatting. Voor deze complexe problematiek is er nood aan antwoorden op verschillende niveaus.

Voedsel- en landbouwbeleid is de afgelopen decennia vooral gevoerd op hogere beleidsniveaus. Het lokale en stedelijke niveau, waar veel innovatieve niches ontwikkelen, is lange tijd onderbelicht gebleven. Stadsbewoners zijn vandaag weinig verbonden met hun voedsel. Het is in overvloed aanwezig maar ze weten niet waar het vandaan komt en hebben daar ook geen inspraak in.

Als reactie op de sociaalecologische impact van het dominant voedselsysteem, wordt er steeds meer gekeken naar lokale voedselnetwerken als oplossing. De afgelopen twee decennia is er daarnaast een sterke toename van stedelijke voedselproductie. De vraag ernaar en belangstelling ervoor stijgen en COVID-19 heeft dit fenomeen versterkt. Lokale initiatieven verenigen zich steeds meer in netwerken en lokale overheden tonen steeds meer interesse in een voedselbeleid. In Vlaanderen wil bijvoorbeeld 52% van de steden en gemeenten in 2020 meer inzetten op een lokaal voedselbeleid10, door tussenschakels tussen productie en consumptie te verminderen en dus in te zetten op de korte keten, gezonde voeding te promoten en voedselverlies tegen te gaan.

De ontwikkeling van voedselbeleid op lokaal niveau laat toe om knelpunten te identificeren, met verschillende spelers rond de tafel te zitten, samenwerkingen op te zetten en niches te versterken en verbinden met elkaar. Een lokaal voedselbeleid kan over verschillende beleidsdomeinen11 heen oplossingen uitwerken en samenwerking faciliteren tussen beleidsmakers, lokale producenten, buurtbewoners, wetenschappers en middenveldorganisaties. Het is een manier om de verschillende stemmen in het debat samen te brengen en gedeelde belangen en doelstellingen te ontwikkelen. Op die manier krijg je een meer constructief debat waarbij wordt erkend dat er meerdere antwoorden mogelijk zijn om hetzelfde doel te bereiken: een duurzaam voedselsysteem met genoeg en gezond voedsel voor iedereen. Het is niet het enige beleidsniveau, maar het is wel een belangrijk niveau om zowel lokale voedselinitiatieven als burgers die het voedsel uiteindelijk opeten, een stem te geven. Het kan een forum zijn om het (stedelijk) voedselvraagstuk in de stedelijke politieke arena te brengen en biedt kansen voor meer voedselsoevereiniteit door inspraak te geven in wat voor voedselsysteem we willen en welke sociale, ecologische en economische kosten dat met zich meebrengt. Ten slotte kan lokale en stedelijke productie ook de toegang tot voedsel voor kwetsbare groepen verbeteren. Stadslandbouw, en meer specifiek volks- en gemeenschapstuinen, hebben hier historisch vaak een belangrijke rol hierin gespeeld.

Als meer stedelingen de weg zoeken naar korte keten initiatieven en lokale voedselnetwerken, kunnen we dat alleen maar toejuichen en beter ondersteunen. Bijvoorbeeld door de ontwikkeling van een lokaal voedselbeleid. Dergelijke initiatieven worden nu amper ondersteund, maar verdienen meer belangstelling.

CONCLUSIE

De coronapandemie heeft de fragiliteit en ongelijkheid van het dominante voedselsysteem extra in de verf gezet. Tegelijk zijn niche spelers zoals korte keten initiatieven en CSA-boerderijen (Community Supported Agriculture) in de belangstelling gekomen door hun veerkracht. Lokale initiatieven hebben getoond dat ze in staat zijn om schokken op te vangen. Lokale productie alleen zal de wereld niet voeden, maar het biedt kansen en kan een complementaire rol vervullen om de fragiliteit van lange ketens op te vangen. Die fragiliteit zal door andere shocks zoals klimaatverandering nog versterkt worden. De pijnpunten die nu aan het licht komen bieden een kans om daarop in te spelen en bieden mogelijkheden voor transitie naar een meer duurzaam en rechtvaardig voedselsysteem.

Het is onmogelijk om te zeggen wat hét voedselsysteem van de toekomst zal zijn. De uitkomst van die transitie is onbekend en onbepaald. Daarom is er nood aan overleg en afstemming, aan gedeelde belang- en doelstellingen tussen conflicterende ideeën, tussen agro-industrie en agro-ecologie, tussen voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit. De ontwikkeling van lokaal voedselbeleid kan daarin een belangrijke rol spelen door verschillende stemmen in het voedselvraagstuk samen te brengen, veerkrachtige niches te versterken en te verbinden in een lokaal voedselnetwerk.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.

VOETNOTEN

  1. http://www.fao.org/platform-food-loss-waste/flw-data/en/
  2. Vivero-Pol, J. L., Ferrando, T., De Schutter, O., & Mattei, U. (Eds.). (2018). Routledge handbook of food as a commons. Routledge.
  3. https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/huishoudbudget#figures
  4. https://www.standaard.be/cnt/dmf20200703_97423957
  5. https://www.foodbanks.be/images/cont/2020-04-08-rapport-d-activites-2019-nl_file.pdf
  6. Raj Patel (2009) Food sovereignty, The Journal of Peasant Studies, 36:3, 663-706
  7. https://www.wfp.org/news/covid-19-will-double-number-people-facing-food-crises-unless-swift-action-taken.
  8. https://www.wur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Onderzoeksinstituten/food-biobased-research/Show-fbr/COVID-19-en-de-effecten-op-voedselverspilling-bij-Nederlandse-consumenten.htm
  9. Zelfs een grote speler als Foodsavers Gent is zonder voedsel gevallen.
  10. https://www.vvsg.be/nieuws/lokaal-voedselbeleid-in-de-lift-in-steden-en-gemeenten
  11. Voedsel is naast landbouwbeleid ook sterk verbonden met sociaal beleid, ruimtelijk ordening en omgeving.