Abonneer Log in

Briljant doch toxisch

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 46 tot 47

Toxisch leiderschap, van het Witte Huis tot de Wetstraat.

Donald Trump is een narcist. We lazen het de laatste jaren regelmatig. Zijn narcisme zou zijn gedrag en een belangrijk deel van de Amerikaanse politiek verklaren. Zo simpel is het natuurlijk niet. Maar het lijkt me wel duidelijk dat de psychologie van Trump veel vragen oproept. In Vlaanderen las je de laatste jaren nauwelijks over het 'toxisch' leiderschap van Trump, terwijl dat in de VS, het VK en Nederland wel het geval is. Het gaat bij toxisch leiderschap niet alleen om disfunctionele, persoonlijke karaktertrekken, maar ook om destructief gedrag met belangrijke negatieve impact op medewerkers en op de organisatie. Het lijkt me een blinde vlek in de Wetstraat.

Het gebeurde een tijd terug. Ik dacht dat x een briljant politicus was, creatief en participatief, visionair en resultaatgericht. Dat was allemaal waar, maar deze persoon had ook een schaduwkant en was op momenten ronduit toxisch voor zijn omgeving, in de zin dat er schade was voor de organisatie en de leden ervan. Hij was én briljant én toxisch. Het was een bijzonder ontnuchterend inzicht, de start van een soort rouwproces.

Een tijdje geleden ontdekte ik een boek dat hierover boeiende inzichten bevat: Why Do So Many Incompetent Men Become Leaders? And How to Fix It (2019), van Tomas Chamorro-Prezumic, professor psychologie aan University College London en Colombia University. Hij heeft het onder meer over 'dark side traits', zoals narcisme en psychopathie. Voeg daar machiavellisme bij en je hebt wat onderzoekers de 'dark triad' noemen, een begrip waar heel wat wetenschappelijke literatuur over bestaat. Bij narcisme en psychopathie kunnen we ons wel iets voorstellen. Machiavellisme is minder bekend. Kenmerken zijn harteloosheid, het manipuleren zonder scrupules, een grote aandacht voor de eigen reputatie, en een zeer berekend en strategisch handelen. Ik geef enkele cijfers van Chamorro-Prezumic. Bij hogere kaders zouden 4 à 20% een vorm van psychopathie hebben (1% in de bevolking). Bij narcisme bij CEO's zou het gaan om 5% (1% bij de bevolking). Waarom zou het in de politiek beter zijn? Statistisch gezien is de kans dus groot dat er ook een aantal Belgische politici 'dark side traits' hebben en toxisch voor hun omgeving zijn.

Wat het voor mensen die met dit soort leiders werken complex maakt, is dat zij soms briljante dingen kunnen doen en mensen rond zich kunnen verblinden. Als je collega's of ondergeschikten aanspreekt over de 'dark side' van die persoon, is er vaak totaal ongeloof. Maar als de schellen uiteindelijk van de ogen vallen, dan komt alles boven. Hoe iemand maandag A zegt en dinsdag B, dat nog zelf lijkt te geloven en er vlot mee wegkomt. Hoe iemand met een team mooie projecten kan opbouwen, maar op een gegeven moment, als het echt over zijn of haar loopbaan gaat, alle ideetjes over participatie en overleg vergeet en zonder scrupules mensen laat vallen om zijn of haar persoonlijk doel boven alles en iedereen te zetten. Hoe iemand mensen kan uitrangeren en nadien door zeer overtuigende praatjes het vertrouwen kan herstellen. Hoeveel mensen zijn niet in een burn-out beland omwille van een intelligente, maar toxische leider?

Bij gesprekken hierover duikt wel eens de uitdrukking op 'If you can't stand the heat, get out of the kitchen.' Politiek is nu eenmaal hard, heet het. Met dit soort zinnen dood je natuurlijk elk debat en legitimeer je deviant gedrag en toxisch leiderschap, terwijl dat uiteindelijk altijd leidt tot schade voor medewerkers en de organisatie (de partij, het kabinet, de regering, de gemeente).

Wat ons ook niet verder helpt, is politici beoordelen op hun al of niet 'charismatisch' karakter. Charisma is geen eigenschap, maar iets wat we toekennen. Het is niet omdat iemand (volgens ons) charismatisch is, dat hij of zij ook een visie heeft, een team kan coachen of empathie heeft.

Natuurlijk moeten we het de volgende jaren hebben over hoe we eindeloze regeringsonderhandelingen kunnen vermijden en hoe we onze democratie participatiever kunnen maken. Maar we zouden het ook moeten hebben over leiderschap in de politiek in het algemeen, en over toxisch leiderschap in het bijzonder. We zullen nooit een magische truc tegen toxisch leiderschap vinden, maar als meer mensen zouden beseffen dat charisma geen eigenschap is, maar iets wat wij zelf toekennen aan mensen, zouden we al verder staan. Als we bij casting meer belang zouden hechten aan integriteit, zouden we ook een stap verder zetten. Het gaat om werk in de diepte en op lange termijn. Heel de samenleving is toe aan een debat over leiderschap.

Ik geef kort enkele pistes. De civiele samenleving kan boeiend werk verrichten met seminaries, studiedagen en publicaties. De media zouden vaker het woord kunnen geven aan leiderschapsexperten, zoals Jasmine Vergauwe, Katleen De Stobbeleir, Koen Marichal, Jesse Segers, Ivo Brughmans en Marc Buelens. De overheid kan wetenschappelijk onderzoek over leiderschap financieren. Politieke partijen hebben uiteraard een sleutelrol. Kunnen de procedures om voorzitters te kiezen en lijsten samen te stellen verbeterd worden zodat men betere leiders kiest? Dat is een heel moeilijke vraag. Maar wie die vraag negeert kan, net als ik in de tijd, tot de pijnlijke vaststelling komen dat mensen zowel briljant als toxisch voor hun omgeving kunnen zijn. Waarna het puin ruimen kan beginnen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 46 tot 47