Abonneer Log in

'De loonkosten zijn te hoog'

DE MYTHE DOORPRIKT

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 58 tot 62

Er bestaan talloze mythes over arbeid. Ze is te duur, waardoor we economisch minder weerbaar zijn dan onze buurlanden. Zeker voor jongeren en voor ouderen, zodat die minder kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Sociale uitkeringen zijn te genereus, zodat werkzoekenden niet geprikkeld worden om de beschikbare jobs te aanvaarden. De arbeidsorganisatie is niet flexibel genoeg, zodat we opnieuw kansen voorbij laten gaan ten opzichte van de buurlanden. De sociale bescherming is te rigide, waardoor werkgevers minder geneigd zouden zijn om aan te werven. Enzovoort, enzoverder.

Dergelijke opvattingen over arbeid zijn niet nieuw. Wat wel nieuw is, is dat ze vrij dominant zijn in ons land en ver daarbuiten. Dat heeft veel te maken met de sociaaleconomische ideologie die pakweg de laatste 40 jaar de scepter zwaait, en die doorgaans het etiket 'neoliberalisme' draagt. In die visie is de arbeidskost doorslaggevend en moet er alles aan gedaan worden om die zo laag mogelijk te houden. Enkel op die manier kunnen we vermijden dat we uit de markt worden geprijsd. En bovendien moet de markt worden bevrijd van een al te opdringerige overheid die met al haar regels – waaronder de arbeidswetgeving – de markt en het ondernemerschap doodknijpt.

Ooit klonk het anders. Arbeid had dan misschien een kost, maar daar stond koopkracht tegenover, zowel direct als indirect via de sociale zekerheid, wat een afzet garandeerde ook in economisch noodweer. Samen met koopkracht en sociale zekerheid bood de arbeidswetgeving de nodige sociale bescherming om de groei te stutten en te garanderen. De manier waarop tegen arbeid wordt aangekeken, heeft dus veel van doen met het onderliggende, dominante maatschappelijke discours. Voor de werknemers is dit geen theorie, geen ver-van-mijn-bedshow. Het is een ideeënstrijd met vergaande en voelbare gevolgen. De dominantie van deze of gene visie is van tel voor de hoogte van de lonen, voor de toegankelijkheid en de robuustheid van de sociale zekerheid en voor goede arbeidsstatuten. Om het tij te keren, zijn verschillende zaken nodig. Vooreerst moet het gangbare vertoog geconfronteerd worden met de feiten en met wetenschappelijke bevindingen.

GANGBARE MYTHES ROND ARBEID

Mythe 1. 'De loonkosten zijn te hoog'

Laat ons een aantal van die gangbare mythes eens van dichterbij bezien. Te beginnen met de loonkost. Steevast beweren werkgevers en hun medestanders dat de loonkost bij ons te hoog blijft ten opzichte van de buurlanden. De cijfers van de Centrale Raad van het Bedrijfsleven (CRB) geven hen ongelijk. Een rits aan regeringsmaatregelen maakt dat de lonen in België sinds 1996 (de datum van de fameuze loonnormwet) trager zijn gestegen dan in de buurlanden. Als we ons strikt houden aan het kader dat de loonnormwet oplegt bij de berekening van de loonkosten, dan zijn we toch 1% goedkoper. Als we objectiever te werk gaan en rekening houden met alle loonkostverminderingen die intussen van kracht zijn, dan loopt dit verschil zelfs op tot 4,7% in het 'voordeel' van België. Allemaal goed en wel zeggen de werkgevers dan, maar dit is de loonkostevolutie, wat vooral telt is het absolute verschil, waarbij wordt bekeken hoeveel een uur arbeid in België kost in vergelijking met de buurlanden. Klopt, maar dan moet er ook rekening worden gehouden met de productiviteit en als je dat doet dan bedraagt het verschil ongeveer 1% ... in het voordeel van België (CRB, technisch verslag 2019). Mythe van te hoge loonkosten: doorprikt. Niet dat we daar gelukkig mee zijn, want dat betekent een grotere loonmatiging bij ons. Ondanks het feit dat we een automatische prijsindexatie hebben van de lonen, leden de werknemers bij ons een groter welvaartsverlies. Het Europees Vakbondsinstituut berekende dat de afgelopen 10 jaar (2009 tot 2018 om precies te zijn) de reële lonen bij ons stagneerden, terwijl ze 3% stegen in Nederland, 7% in Frankrijk en 11% in Duitsland. Reden waarom we een fundamentele hervorming van de loonnormwet eisen. De regering-De Croo is ons daar niet in gevolgd. Onder druk van de socialisten maakte ze wel een kleine opening door de mogelijkheid te voorzien om via omzendbrieven de administratie wat meer speelruimte te geven bij de beoordeling van loonakkoorden.

Mythe 2. 'Er is geen ruimte om de minumumlonen te verhogen'

Tweede mythe: er is geen ruimte om de minimumlonen te verhogen, want die zijn al hoog in ons land en het optrekken van de minima zal in het nadeel spelen van de laagst gekwalificeerden. Het klopt dat onze minimumlonen in vergelijking met het buitenland tot de hogere categorie behoren. Maar dan nog spreken we over een bruto uurloon dat nog geen 10 euro bedraagt of een bruto maandloon van 1.560 euro. We hebben berekend wat minimaal nodig is om vandaag van een waardig loon te kunnen spreken en we komen uit op een 14 euro bruto per uur of 2.300 euro bruto per maand. Op een ogenblik dat men de mond vol heeft over de waardering van de zorgberoepen en andere 'essentiële' beroepen, stellen we vast dat de minimumlonen in de overgrote meerderheid van die sectoren stukken onder 14 euro/2.300 euro liggen. De erkenning resulteert alvast niet in vitale minimumlonen. Maar er is meer aan de hand: de waarde van ons minimumloon kalft steeds verder af in verhouding tot het mediaanloon omdat er sinds jaar en dag geen verhoging – op de indexering na – is geweest. En dat in tegenstelling tot het buitenland waar men net de omgekeerde beweging kent (OESO-databank minimumlonen). Dus die relatief hoge minimumlonen zijn stilaan een mythe geworden. Over het effect van hogere minimumlonen op de tewerkstelling en de tewerkstellingskansen van lager gekwalificeerden lopen de onderzoeksresultaten uiteen. Van hoog tot laag beweren dat dit arbeidsvernietigend is, is ronduit fout.

Mythe 3. 'Anciënniteitsverloning prijst oudere werknemers uit de markt'

Ook de anciënniteitsverloning is er zo een. Vaak wordt beweerd dat hogere lonen naarmate men langer in het bedrijf werkt, ervoor zorgt dat oudere werknemers te duur zijn en zichzelf buiten de markt prijzen. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, die paritair is samen gesteld uit werknemers en werkgevers, werkte een rapport af waarin de puntjes op de i worden gezet. Vooreerst is dit een internationaal fenomeen: ook in andere Europese landen en onze buurlanden zien we dat lonen mee stijgen met de ervaring. Wat het relatief belang van dergelijke verloning betreft behoren we maar tot de middenmoot. Bovendien komt anciënniteitsverloning het meest voor bij bedienden, terwijl het nu net de arbeiders op leeftijd zijn die slechter scoren inzake werkgelegenheidsparticipatie. En ik wil nog aanvoeren dat het ervaringsloon niet kan worden ingeroepen als drempel die de aanwerving van oudere werklozen zou verhinderen, want die krijgen die hogere verloning niet (automatisch) als ze in dienst worden genomen. Ervaring opgedaan bij een vorige werkgever worden niet zomaar toegekend. Anciënniteitsbarema's zijn geen leeftijdsbarema's die overigens onwettig zijn (want ongeoorloofde discriminatie).

Mythe 4. 'Sociale uitkeringen worden te gemakkelijk toegekend of zijn te hoog'

Over drempels tot aanwerving gesproken. Een veelgehoorde stelling is dat de sociale uitkeringen te makkelijk worden toegekend of te hoog zijn waardoor ze onvoldoende prikkels inhouden om (passend) werk te zoeken of aan te nemen. Wie beweert dat sociale uitkeringen te hoog zijn, is niet gedocumenteerd of ter kwade trouw. De meeste minima liggen onder de armoedegrens, reden waarom vakbonden en armoedeorganisaties dit al jaren op tafel gooien. Vorige regeringen hebben daar niets aan gedaan, ondanks ronkende beloftes. Deze federale regering heeft eerste (bescheiden) stappen gezet en budget voorzien op haar meerjarenbegroting en de begroting voor volgend jaar. Maar ook de voorwaarden zijn veel te streng geworden, zeker het recht op werkloosheidsuitkeringen voor jongeren die nog geen kans kregen om te werken: lange wachttijd, beperking van het recht in de tijd tot 3 jaar, geen recht voor wie ouder dan 25 jaar is, enzovoort. Nochtans is er geen enkel bewijs dat beperking van het recht of het korten op de uitkering (bijvoorbeeld door ze degressiever te maken dan ze al zijn) mensen aan het werk helpt. In een studie van de Nationale Bank van België wordt aangetoond dat de beperkingen op vlak van de toegang tot inschakelingsuitkeringen (vroeger wachtuitkeringen) geen positief effect hadden op de tewerkstelling van jonge werklozen.

Mythe 5. 'De arbeidsorganisatie is te weinig flexibel'

Nog eentje, om het af te leren. Een mythe om U tegen te zeggen is die van de arbeidsflexibiliteit die in ons land te beperkt zou zijn, waardoor bedrijven en werknemers te weinig wendbaar zouden zijn met minder jobcreatie als gevolg. Precies daarom kwam de regering-Michel met de Wet Wendbaar en Werkbaar werk op de proppen, met een ganse rist maatregelen om de flexibiliteit op werkgeversmaat een boost te geven, zoals meer 'vrijwillige' overuren en meer vrijheid van werkgevers om af te wijken van de arbeidstijdregels. Het was één van de belangrijkste strijdpunten van Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert tijdens deze regeringsformatie om arbeid nog meer flexibel te maken door onder meer collectieve en sectorale afspraken over werktijden te vervangen door afspraken op bedrijfsniveau en het liefst tussen de werkgever en de individuele werknemer. Gelukkig konden de socialisten dat wat temperen door er telkens een grote scheut sociaal overleg aan toe te voegen. Ook op dit domein zijn er weinig eensluidende wetenschappelijke inzichten. Het is in elk geval een goede zaak dat in het regeerakkoord is afgesproken om eerst een wetenschappelijk onderzoek te doen naar de mogelijke impact van de arbeidsorganisatie op de e-commerce-activiteiten alvorens te besluiten dat het grote aantal spelers in Nederland enkel en alleen te maken zou hebben met de definitie van nachtarbeid en mocht dat al zo zijn of dat de gewenste richting is die wij moeten uitgaan. E-commerce op kleinere schaal en met een grotere nabijheid van de winkeliers is allicht een veel betere optie voor alle partijen, het milieu incluis.

HET BEDRIJFSLEVEN ONSTNAPT DE DANS

Om die hardnekkige mythes te doorprikken zal meer nodig zijn dan de wetenschappelijke onderbouwing ervan in vraag te stellen. Het is en blijft natuurlijk een zaak om voldoende tegenmacht op te bouwen, en dit zowel op het politieke niveau, als via syndicaal verzet en zo mogelijk via sociaal overleg. Het federaal regeerakkoord kent zwakke plekken, maar ze biedt alvast geen vrijgeleide om de arbeidsbescherming af te bouwen.

Maar het komt er ook op aan de juiste oorzaken van de dysfuncties van de markten en de economie aan te tonen. Anders blijven we op achtervolgen aangewezen. Arbeid wordt te makkelijk met de vinger gewezen, terwijl het bedrijfsleven te weinig voor hun verantwoordelijkheden wordt geplaatst. Als de economische groei en de productiviteitsgroei slabakt – in niet-COVID periodes –, heeft dat dan niet vooral te maken met onvoldoende investeringen in opleiding, in innovatie en het aanboren van nieuwe markten? De overheid is over de brug gekomen met heel veel bedrijfssteun, ze zet nu ook in op overheidsinvesteringen door het aandeel van 2% naar 4% van het bbp op te krikken tegen 2030. Maar is het niet de hoogste tijd dat de bedrijven zelf hoger schakelen, dat ze meer en beter investeren? Is het dan ook niet tijd om die investeringsstrategieën onder de loep te nemen en daar conclusies uit te trekken? We deden alvast een eerste vingeroefening en maakten de analyse van de jaarrekeningen van een aantal grote spelers (sociaaleconomische barometer ABVV, 2020). Wat blijkt: veel beursgenoteerde bedrijven kochten in 2019 op brede schaal eigen aandelen in. Dat betekent dat in plaats van geld strategisch te reserveren of te investeren in het bedrijf, het management verkoos om aandeelhouders te plezieren door aandelenprijzen kunstmatig op te krikken (aangezien er minder aandelen op de financiële markt zijn) en dividenden te verhogen. Bij de grootste Belgische beursgenoteerde bedrijven bedroeg de inkoop van eigen aandelen meer dan 1,9 miljard euro. Deze trend ziet zich al enkele jaren door. Die zijde van de medaille verdient alvast meer aandacht.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 10 (december), pagina 58 tot 62