Abonneer Log in

Minder kinderbijslag voor de middenklasse?

Laten we geleidelijk aan, en met de nodige voorzichtigheid, de bedragen van de gezinnen met de hoogste inkomens verlagen ten voordele van de gezinnen met de laagste inkomens.

Het is tot op heden onvoldoende bewezen dat meer selectiviteit ook daadwerkelijk leidt tot een verminderd maatschappelijk draagvlak.

Ik pleit voor een gefaseerde aanpak waarin geduldig gewerkt wordt naar een meer evenwichtige balans tussen selectiviteit en universaliteit.

Experts pleiten er al jaren voor: maak de kinderbijslag selectiever door een hoger bedrag toe te kennen aan wie er meer nood aan heeft. Hoewel binnen het huidige Groeipakket het basisbedrag reeds wordt aangevuld met een sociale toeslag voor gezinnen met een laag inkomen, blijkt dit vooralsnog weinig effectief te zijn in de aanhoudende strijd tegen (kinder)armoede. De voor de hand liggende oplossing bestaat erin de sociale toeslag aanzienlijk te verhogen. De vraag is alleen: hoe moet dat worden gefinancierd? De meest logische optie is om het beschikbare budget voor de kinderbijslag flink uit te breiden. Dat lijkt echter weinig waarschijnlijk in de huidige maatschappelijke context, gelet op het grote gat dat de coronapandemie geslagen heeft in onze overheidsbegroting. Een tweede, budgetneutrale optie is om het huidige budget anders te gaan besteden. Concreet wil dit zeggen dat er een verticale herverdeling georganiseerd wordt binnen de kinderbijslag, waarbij gezinnen met lagere inkomens meer krijgen, en gezinnen met hogere inkomens bijgevolg minder. Of anders gezegd: minder kinderbijslag voor de middenklasse.

Zulke hervorming van de kinderbijslag zal ongetwijfeld bijdragen aan de onmiddellijke vermindering van de armoede. Daar lijkt iedereen het intuïtief over eens te zijn. Tezelfdertijd heerst er twijfel of een meer selectieve kinderbijslag wel een effectieve strategie is op de wat langere termijn. Het potentiële gevaar is immers dat een alsmaar selectiever wordende kinderbijslag na verloop van tijd niet meer kan rekenen op de steun van de middenklasse, die alsmaar minder belang heeft bij het behoud van een regeling waar ze nog maar weinig van ontvangt, hoewel ze er toe blijft bijdragen via belastingen. Die afname in maatschappelijk draagvlak maakt de sociale regeling op haar beurt kwetsbaar voor besparingen, omdat beleidsmakers niet de nodige politieke druk ervaren (van onder andere de middenklasse) om het budget op peil te houden. Een logisch gevolg van het krimpende budget is dan weer dat de kinderbijslag uiteindelijk minder effectief wordt in de bestrijding van armoede. Dit gefaseerd proces is in de wetenschappelijke literatuur gekend als de 'paradox van de herverdeling' en verklaart voor een groot deel waarom een 'kinderbijslag voor de armen' op termijn dreigt te vervallen in een 'arme kinderbijslag'.

Het is tot op heden onvoldoende bewezen dat meer selectiviteit ook daadwerkelijk leidt tot een verminderd maatschappelijk draagvlak.

Het idee van de paradox van de herverdeling is inmiddels zo diep doorgedrongen in het repertoire van wetenschappers en beleidsmakers dat zij die het goed voorhebben met de kinderbijslag het zelden aandurven om de regeling al te selectief te maken. Opinieonderzoek trekt echter de basisveronderstelling van de paradox in twijfel. Het is tot op heden namelijk onvoldoende bewezen dat meer selectiviteit ook daadwerkelijk leidt tot een verminderd maatschappelijk draagvlak. Integendeel, er zijn zelfs studies die het omgekeerde aantonen: meer selectiviteit blijkt in sommige gevallen net een breder maatschappelijk draagvlak te creëren. Zo toont onderzoek aan dat in verschillende Europese landen er meer steun is voor een selectief dan voor een universeel systeem van kinderbijslag. Het blijkt dus dat een groot deel van de bevolking – waaronder ongetwijfeld ook mensen uit de middenklasse – kiezen voor een kinderbijslag die hogere bedragen geeft aan gezinnen met een laag inkomen, of zelfs enkel en alleen aan die gezinnen. Dit toont bovenal aan dat mensen niet enkel gedreven zijn door hun eigenbelang, zoals wordt verondersteld in de paradox van de herverdeling. Ze worden daarentegen net zo goed gedreven door hun medeleven met minder gegoede medemensen. Velen onder ons beschouwen het dan ook als rechtvaardiger om de schaarse publieke middelen die we ter beschikking hebben disproportioneel toe te bedelen aan zij die er echt nood aan hebben, in plaats van die middelen te verspillen aan zij die ook zonder kunnen.

Het zou echter bijzonder onverstandig zijn om hieruit te concluderen dat we de kinderbijslag dan maar zodanig selectief moeten maken dat ze beperkt wordt tot de gezinnen met de laagste inkomens. Hoewel een rechtvaardige verdeling van middelen tussen arm en rijk een relevante motivator blijkt te zijn voor een groot deel van de bevolking, is en blijft ook eigenbelang een belangrijke factor, waar beleid best rekening mee houdt.

Ik pleit voor een gefaseerde aanpak waarin geduldig gewerkt wordt naar een meer evenwichtige balans tussen selectiviteit en universaliteit.

Daarom pleit ik hier voor een gefaseerde aanpak waarin geduldig gewerkt wordt naar een meer evenwichtige balans tussen selectiviteit en universaliteit in de kinderbijslag. Concreet bestaat die aanpak erin om geleidelijk aan, en met de nodige voorzichtigheid, de bedragen van de gezinnen met de hoogste inkomens te verlagen ten voordele van de gezinnen met de laagste inkomens. Die strategie kan worden toegepast tot op het moment dat vooral de middenklasse verzekerd is dat (1) gezinnen met lagere inkomens een groter en eerlijker stuk van de te verdelen koek krijgen, maar ook (2) dat zij zelf nog een voldoende groot stuk van die koek ontvangen. Het is enkel wanneer dat equilibrium bereikt wordt dat de kinderbijslag een gewichtigere bijdrage kan leveren aan armoedebestrijding op de lange termijn. Wanneer het systeem te fel overhelt naar selectiviteit, dreigt het de steun van de middenklasse te verliezen. Wanneer het daarentegen te zwaar doorweegt naar universaliteit, wordt het systeem minder effectief in de strijd tegen armoede. Enkel de tijd zal het leren waar het beoogde equilibrium in de kinderbijslag precies ligt.