Abonneer Log in

De wij-samenleving

Samenleving & Poëzie

Michael Tedja (1971) is schrijver, dichter, schilder en curator. Hij studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie en het Sandberg Instituut en schreef meerdere romans en gedichtenbundels, zoals A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.E. (2003), De aquaholist (2005), Hosselen (2009), Tot hier en verder (2013) en Regen (2015). In 2018 verscheen Briljante man. Deze roman is een ‘tekstcollage’ die springt door de tijd en de ruimte met een mix van proza, poëzie en beschouwing over kunst, literatuur, politiek, filosofie en cultuurverschillen tussen Nederland en Suriname. Tedja publiceert verder regelmatig gedichten, essays, proza en tekeningen in De Gids, Absint, Samplekanon, nY, Revisor, Hollands Maandblad, De Volkskrant, Metropolis M en Caraïbisch Uitzicht. Ook cureert hij een beeld en taalrubriek voor de Poëziekrant.

De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf gestuurd
door die in toom te houden. Hier kwam het kader in beeld.
Door de driften te contextualiseren ontstonden er betekenisvolle
verschuivingen binnen de afwezige betekenissen in onze levens:
Wij hadden geen profiel en het werk realiseerde zich
met een nog onduidelijker karakter als resultaat.

Wij liepen erbij alsof er niets aan de hand was in de wereld
waarin de schijn regeerde. Wij waren sombere mensen, leefden
donkere gebeurtenissen. Er groeiden slierten, vertakkingen
waaruit weer dunnere takken. Het woekerde rondom. Wij,
opgedeeld in hokjes, speelden gelukkig. Wij logen
in alle toonaarden. Er waren expliciete beschrijvingen en
over ieders gezicht was het woord wij gespoten.

Kleine stippen, donkere strepen.
Wij stonden erbij en keken ernaar.
Wij waren niet van echt te onderscheiden.
Wij mensen waren complex van aard.
Wij moesten weten wat wij wilden.
Wij moesten in staat zijn om dat over te brengen.
Wij moesten onze dubbelzinnigheden blootleggen.
Dat maakte ons levendig en gaf onze levens relevantie.
Wij gingen verbanden aan met zij die een doel nastreefden.
Wij wisselden van plek en dat geschiedde in metaforen.
Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
Wij bestonden. Wij bewogen onszelf binnen dat ding.
Wij herhaalden het proces. Iedereen deed hetzelfde.

De duiding van het onbeduidende van ons zijn.
Wij waren ooit intrinsiek subversief en verwezen naar
de dingen die buiten het sociale veld en in de marge leefden.
Een vorm die nieuw was. Een vorm die nog niet bestond.
Een vorm voordat die geboren en ontdekt werd.
Een vorm die opnieuw geboren en ontdekt werd.
Een vorm die in het heden bestond was er niet.
De vorm kende geen ondermijnende natuur.
De vorm existeerde niet in ingedikte vorm.

Wij liepen achter de feiten aan en in achterhaalde patronen.
Het werk was de betekenisvolle bijdrage kwijtgeraakt.
Ooit verlichtte het de dingen, de kritiek, de meerstemmigheid,
de verdichting, de poëzie, de politiek, de beweging, de duiding,
het hedendaagse, het maatschappelijke en het institutionele.
Wij liepen door het ding. Wij waren als onopgeloste formules.
In onze kernen waren er tekens die geen verband hielden.
Wij stelden wetten. Wij creëerden schijnwaarheden.
Wij maakten die tot één geheel. Wij liepen door de gangen
die naar zichzelf en naar elkaar verwezen.
Als iets naar zichzelf verwees, door naar binnen te gaan,
dan was dat de ontsnappingsroute naar buiten toe.