Abonneer Log in

De veerkracht van de werkvloer

Ondanks bakken stress en bergen vermoeidheid, blijft de overgrote meerderheid van het personeel doorzetten.

Zonder een tegelijk flexibele en solidaire opstelling zou de pandemie echter pas echt het samenleven hebben ontwricht.

Solidariteit kan door bazen en bezitters worden misbruikt en uitgebuit – maar dat doet niets af aan haar intrinsieke moraliteit.

Het relanceplan 'Vlaamse veerkracht' is een aanfluiting van de veerkracht van de werkkrachten die de pandemie dag na dag leefbaar helpen maken.

De coronapandemie is een maatschappelijk experiment. Ten dele bevestigt dat bekende sociale scheidslijnen. Zo sorteert het virus hardere effecten onderaan de sociale ladder. Op die treden leeft men krapper behuisd en is thuiswerk vaak geen optie. Daarnaast is de medische geletterdheid kleiner en ligt de toegangsdrempel tot de gezondheidszorg hoger, wat mee een lagere vaccinatiegraad verklaart.

Tegelijk moest ook de brede middenklasse leren omgaan met de gedeeltelijke ontgrenzing tussen maatschappelijke domeinen. In normale tijden doen we verschillende dingen binnen verscheiden sferen, waarmee ook uiteenlopende ruimten corresponderen (in goed sociologees heet dat 'functionele differentiatie'). Werken doen we in kantoren, handelszaken of fabriekshallen, kinderen zitten overdag op school, en een niet onbelangrijk deel van de vrije tijd brengen we eveneens buitenshuis door, in kunstplekken, horeca of de lokale sportzaal. De pandemie veranderde dat drastisch, zeker onder samenlevende tweeverdieners met kinderen. Menige ouder ontpopte zich in geen tijd tot een homo combinans die op het thuisfront flexibel schakelt tussen onderwijstaken en professioneel werk, huishoudelijke arbeid en ontspanning. De lasten van al dat manoeuvreren worden wel vaker door vrouwelijke dan mannelijke schouders gedragen: de Covid-epidemie bekrachtigt de bestaande genderongelijkheid.

Improvisatietalent werd ook een must op de werkvloer. Collega's vallen uit door ziekte, aanvoerlijnen sputteren, en de sociale smeerolie van de informele communicatie – die nogal eens cruciaal is bij overleg en het nemen van beslissingen – lekt weg. Individuele en sociale routines verdampten in snel tempo; de vorming van andere gewoontes vraagt een minimum aan tijd – maar die was er niet altijd in het zicht van weer een nieuwe besmettingsgolf. Intelligentiewerkers, in brede zin, wenden er wel aan hun breinen nog vaker langs digitale weg te koppelen. De Covid-crisis beslecht wellicht met blijvende impact de al veel langer lopende discussies over thuis- en afstandswerk.

Twee sectoren springen eruit. In de zorg en het onderwijs moeten hele organisaties zich en cours de route plotseling heruitvinden, niet één maar meerdere keren. Ze doen dat zonder veel langetermijnvisie en, zeker in het onderwijs, zonder een beetje duidelijke richtlijnen en ministeriële ondersteuning. Het creëert bakken stress en bergen vermoeidheid: de individuele kosten liggen hoog, zowel fysiek als mentaal. Toch blijft de overgrote meerderheid van het medisch personeel, de zorgverleners in de wooncentra en de onderwijskrachten doorzetten. En dat telkens weer opnieuw, met een lenig aanpassingsvermogen en een niet aflatende inventiviteit in het gezwind bedenken van enigszins werkbare oplossingen voor kersverse problemen.

Zonder een tegelijk flexibele en solidaire opstelling zou de pandemie echter pas echt het samenleven hebben ontwricht.

Gutmensch is een woord dat ondertussen op rechts al ontelbare keren werd afgeserveerd. Zonder een tegelijk flexibele en solidaire opstelling zou de pandemie echter pas echt het samenleven hebben ontwricht. Minder geprononceerd, maar daarom niet onbeduidender, speelt dat engagement immers ook in andere sectoren dan zorg of onderwijs. Tijdelijk vallen gaten, in menskracht of andere ressources, die gezamenlijk worden gevuld om de zaak draaiende te houden, figuurlijk én letterlijk. Het is één van de grote lessen van de coronacrisis: dat sociale experiment maakt een sociale betrokkenheid zichtbaar waar we in reguliere tijden regelmatig blind voor zijn. Omdat ze als vanzelfsprekend geldt, inderdaad: sociaal kapitaal is het nauwelijks of niet betaalde sluitstuk van elke bedrijfsvoering. Daarnaast krijgt spontane saamhorigheid weinig kansen binnen de neoliberale managementstijl. Die verwart solidariteit met rationeel gestuurde teambuilding en zet bij het bestieren van de werkvloer vooral in op meer onderlinge concurrentie door uitgekiende beloningssystemen.

Loyaliteit en wederzijds vertrouwen, een flexibel overleg en zelforganisatie die bestaande hiërarchieën doorkruist, collectieve intelligentie en collaboratie voorbij specialisatie: de pandemie is een les in democratie, maar dan binnen de werksfeer. Romantisering is uit den boze, ten slotte gaat het om de collectieve omgang met opeenvolgende noodsituaties. Tegelijk treft de gedeelde gerichtheid op uiteenlopende vormen van verbondenheid. Die houding wordt voorzeker gevoed door het besef van verplichtende afhankelijkheden. 'Zonder mijn inzet kan iemand doodgaan'; 'zonder mijn betrokkenheid vergroot de leerachterstand van de minder kansrijke leerlingen', 'zonder mijn flexibiliteit zijn er morgen lege rekken en zoeken de klanten vruchteloos naar toiletpapier'. Telkens knippert op de achtergrond wel degelijk de band met een gemeenschap. Die solidariteit kan door bazen en bezitters worden misbruikt en uitgebuit – maar dat doet niets af aan haar intrinsieke moraliteit.

Solidariteit kan door bazen en bezitters worden misbruikt en uitgebuit – maar dat doet niets af aan haar intrinsieke moraliteit.

Nationalisten en moralisten zijn idealisten: geen solidariteit zonder een gemeenschap van gelijkgestemde geesten waarin dezelfde waarden rond zoemen. Gelijke gedachten zien ze als de basis voor gelijke handelingen. Met het delen van waarden als gelijkheid, vrijheid of solidariteit is uiteraard niets mis. Hun reële effectiviteit is echter altijd ook een kwestie van uiteenlopende sociale praktijken: solidariteit is een werkwoord. Het is de kwintessens van de veerkracht op de werkvloer: wederzijdse verbondenheid en zorgzaamheid in actie.

'Vlaamse veerkracht' is de titel van een breed relanceplan van de Vlaamse Regering, goed voor 4,2 miljard euro. De algemene teneur luidt dat we de effecten van Covid-19 kunnen pareren door de rug te rechten en een tandje bij te steken in het sowieso gevoerde beleid. 7 speerpunten, 35 clusters en 180 projecten verdrinken zo de geprezen veerkracht in een administratief zwanenmeer. Het plan is een aanfluiting van de veerkracht van de werkkrachten die de pandemie dag na dag leefbaar helpen maken. Het alternatief luidt: werkbaar werk door samen-werk.

Het relanceplan 'Vlaamse veerkracht' is een aanfluiting van de veerkracht van de werkkrachten die de pandemie dag na dag leefbaar helpen maken.

Dringend gevraagd: een beleid dat het abnormale normaliseert doordat het de solidariteit op de werkvloer faciliteert. Progressieve politiek vertrekt niet enkel van een liberale notie als burgerschap maar wortelt in werkverhoudingen en de noodzaak om die te reguleren. De pandemie geeft de marsrichting aan: minder neoliberalisme, meer 'commonalisme'; minder gedirigeerd individualisme, meer zelforganisatie. En jawel, dat sociale kapitaal moet ook terdege worden gevaloriseerd en gehonoreerd: samen-werk is ook werk.