Abonneer Log in

Leven met en na 22/3

JIHADISTEN IN ONZE WIJKEN

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 4 (april), pagina 10 tot 16

De aanslagen van 22 maart in Zaventem en Brussel staan in ons geheugen gegrift met het bloed van de 32 slachtoffers. Wat blijft is pijn, soms woede, immens verdriet, vaak ook verwarring over hoe het nu verder moet. Het politieke getouwtrek nadien stak schril af tegen de getuigenis van een vader die zijn dochter verloor of de (doorgaans) serene stemming aan het Beursplein, weken na de aanslagen. Kippenvel gaf het toen een koor er op een zondagochtend Bruxelles van Jacques Brel aanhief. Hoe is het zover kunnen komen? En hoe moet het nu verder na 22/3?

JIHADISTEN IN ONZE WIJKEN

Wat drijft de zelfmoordterrorist?
Lieven Pauwels
Leven met en na 22/3
Rik Coolsaet
Gezamenlijk naar de oplossing zoeken
Yamila Idrissi
Staren naar oude steenlagen, terwijl een vulkaan op ontploffen staat
David Van Reybrouck

HOE IS HET ZOVER KUNNEN KOMEN?

De enige verantwoordelijken voor de aanslagen, zijn de aanslagplegers zelf. Laat daar geen twijfel over bestaan. Maar hoe is het zover kunnen komen? Voor de Amerikaanse regering na de aanslagen van 9/11 en de Franse regering na de Parijse aanslagen van november 2015 is zoeken naar verklaringen en beweegredenen uit den boze: ‘Car expliquer, c’est déjà vouloir un peu excuser,’ zei de Franse eerste minister Manuel Valls.1 Maar als we zelfs niet proberen de achtergrond en oorzaken van de huidige golf aanslagen te begrijpen, hoe kunnen we dan ooit in staat zijn om adequate maatregelen te nemen om te verhinderen dat binnen een decennium een nieuwe generatie jongeren gevoelig is geworden voor de lokroep van geweld en terrorisme?

In de debatten in het Vlaams Parlement na Verviers in januari 2015 concludeerde een fractieleider: ‘De samenleving kan nooit de schuld dragen voor radicalisering.’ Is het zo eenvoudig?

Na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher in januari 2015 wees de Franse romanschrijver en essayist Erik Orsenna ‘le terreau de désespérance’ aan als voedingsbodem, de afwezigheid van hoop. Dat was ook wat Latifa Ibn Ziaten oppikte toen ze scholen bezocht in de moeilijke Franse cités. Zij is de moeder van een van de soldaten, vermoord door Mohammed Merah in 2012. Het ‘gevoel in de steek te zijn gelaten’ (‘le sentiment d’abandon’) leeft heel sterk onder jongeren, zo vatte zij het samen. Ze trok zelfs naar Les Izards, de wijk in Toulouse waar de moordenaar van haar zoon was opgegroeid. Het werd een harde confrontatie, maar haar boodschap aan de jongeren was: ‘verzoen jullie met het land waar jullie geboren en opgegroeid zijn. Maar even goed had ze een overduidelijke boodschap voor Frankrijk en de Franse samenleving: ‘kijk in de spiegel, Marianne, en in je geweten, om je eigen demonen te bedwingen. Waardigheid, dat vergat je je kinderen te schenken. Draag zorg voor al je kinderen, allemaal, zonder onderscheid.2

We steken de oceaan over. Na de protesten in Baltimore in april 2015 schetste Barack Obama een openhartig beeld van de sfeer die hij had aangevoeld in gesprekken met jongeren in de Bronx. Hij beschreef hoe ze het gevoel hadden niet gelijkwaardig behandeld te worden en de machteloosheid die zij ervoeren om daar iets aan te doen: ‘We herkennen onszelf in die jongeren. Ik groeide op zonder vader, voelde me soms verloren en stuurloos, niet wetende naar wat ik op zoek was in het leven. Anders dan veel andere kinderen in mijn wijk had ik het echter het geluk op te groeien in een omgeving die een beetje genadiger was; op cruciale momenten waren er enkele mensen die het voor mij opnamen en mij een tweede en zelfs een derde kans gunden; zij stuurden mij bij en openden deuren die anders voor mij zouden zijn gesloten gebleven. Ik heb geluk gehad.3

Sinds de aanslag van Mehdi Nemmouche op het Joods Museum in Brussel in mei 2014 wordt ook ons land direct geconfronteerd met een toenemende terroristische dreiging van teruggekeerde Syriëstrijders. Vaak wordt de enige beweegreden gezocht in hun extremistische gedachtengoed. ‘Kan je een moslim deradicaliseren?,’ kopte ooit een Vlaamse krant,4 ongetwijfeld zonder goed in te schatten hoe zo’n titel overkomt bij onze buurman of buurvrouw, die toevallig ook moslim is. Een dergelijke kop weerspiegelt een opvatting die zowel in België als in Europa ingang heeft gevonden bij de politiek, bij brede lagen van de bevolking en in (tal van) deradicaliseringsprogramma’s: met name dat de islam, en dan vooral een orthodoxe interpretatie ervan, hét probleem vormt - en dat de oplossing er in bestaat om ‘radicale moslims op andere gedachten te brengen’, aldus nog de hierboven geciteerde Vlaamse krant, die er wel aan toevoegt niet te weten of al die inspanningen ook effect hebben.

Men wordt geen terrorist omdat men radicale ideeën ontmoet en omhelst. Zoveel weten we intussen. De redenen waarom Europese jongeren naar Syrië trekken, zijn erg divers. Een paar vertrekken om ideologisch-religieuze motieven, maar de overgrote meerderheid om persoonlijke redenen, aldus de intussen beroemde Franse antiterrorisme-onderzoeksrechter Marc Trévidic.5 Dat heeft intussen ook Europol geconcludeerd: met religie heeft de Syriëgang nog maar weinig te maken.6 Om er meteen ook aan toe te voegen dat we ook best de term ‘radicalisering’ schrappen, want weinig toepasselijk. Laten we het eerder hebben over een ‘gewelddadige extremistische maatschappelijke trend’, aldus Europol.

Zij die wij vandaag als ‘buitenlandse strijders’ bestempelen, zijn inderdaad niet het product van een radicaliseringsproces zoals het doorgaans wordt opgevat. Een uniek profiel van de kandidaat-vertrekker bestaat ook niet. Voor een aantal lonkt Syrië als een Utopia dat alles lijkt te bieden wat zij hier menen te missen. Het volstaat de getuigenissen te lezen over 14- en 15-jarige meisjes die ervan dromen om naar Syrië te trekken. Voor vele anderen is het dan weer een nieuwe vorm van deviant gedrag, in dezelfde categorie als drugstrafiek, straatrellen, jeugddelinquentie, straatboefjes - maar met onschuldige doden tot gevolg en daarbovenop de boemerang dat bij elke aanslag de maatschappelijke breuklijn tussen moslims en niet-moslims en tussen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ verder verdiept.

De voedingsbodem waarop de Syriëgang wortel heeft geschoten, is een no future jongerencultuur. Die groeit uit frustratie, kwetsbaarheid, het gevoel en vaak ook de reële ervaring voortdurend onheus behandeld te worden omwille van huidskleur of een niet-Europese voor- en familienaam. Ze menen niets te verliezen te hebben en alles te winnen te hebben door naar Syrië te trekken. Dat gevoel voortdurend tegen muren op te lopen en geen toekomst te zien, wordt door velen onderschat en zelfs ontkend. Maar het leeft wel heel erg bij een deel van onze jeugd. ‘Volgens mij onderschatten veel mensen de impact op een mens die zich voortdurend buitengesloten voelt. Het kan ervoor zorgen dat hij het slechte pad op gaat,’ aldus schrijver en choreograaf Ish Ait Hamou.7

Daarom kunnen de inspanningen om jongeren te verhinderen om naar Syrië te trekken, onmogelijk alleen door de moslimgemeenschap worden gedragen. De islam is immers niet de hoofdreden van hun vertrek; en de netwerken waarin die jongeren zich bewegen, worden gesmeed in scholen, sportclubs, parken, in de marge van de (lokale) samenleving. Met moslimorganisaties hebben die jongeren meestal weinig te maken. Evenzeer is het een illusie te denken dat lokale overheden er op hun eentje in kunnen slagen om die subcultuur droog te leggen, ook al spelen zij een cruciale, zelfs de meest doorslaggevende, rol om (potentiële) Syriëgangers opnieuw aansluiting te doen vinden met de samenleving.

Waar het vandaag op aankomt is door te dringen tot die jongeren, hen te laten verstaan dat er voor hen wel degelijk een plek is weggelegd in de samenleving waar ze zijn geboren en opgegroeid, en dat zij hier - en niet ginder - een toekomst hebben. Deradicaliseringprogramma’s maken geen enkele kans op slagen als wij niet beseffen dat we moeten ingrijpen in de context waarin potentiële Syrië­strijders zich bewegen; want het is precies uit die context dat zij de motivatie putten om geweld te gebruiken.8Maar hoe pak je zoiets aan?

VIJF BELEIDSADVIEZEN

Tot de lente van 2013 was preventie de grote afwezige in de strijd tegen de radicalisering. In maart 2013 raakte bekend dat tientallen jongeren uit het Antwerpse, Vilvoorde en het Brusselse naar Syrië waren vertrokken. Na de gebeurtenissen in Verviers, twee jaar later, schoten alle overheden in dit land plots wakker. Zij gingen toen actief inzetten op preventie. Waar er vroeger niets was, is er nu echter een wildgroei ontstaan aan deradicaliseringsinitiatieven, verkokerd en verspreid over allerlei beleidsniveaus. Een overzicht is vandaag schier onmogelijk. Door de bomen is het bos niet meer te ontwaren. Niemand kan zeggen of al deze initiatieven elkaar versterken of elkaar juist doorkruisen, en wat werkt en wat niet werkt. Dat is geen typisch Belgisch fenomeen. Op Europees vlak speelt precies hetzelfde probleem. Ook daar ziet niemand nog wie welke ‘derad’-projecten opzet.

Daar komt nog bij dat ‘preventie’ vele, en veel verschillende invullingen heeft. Verhinderen dat jongeren naar Syrië vertrekken: daar gaat het finaal om bij het preventiebeleid. Elk vertrek is immers een menselijke tragedie. Niemand keert ongeschonden terug uit een regio waar alleen de wet van de sterkste telt; en zeker geen tiener of jonge twintiger die met zichzelf en de samenleving in de knoop ligt.

Het moment komt ongetwijfeld waarop de huidige, vierde, terrorismegolf op haar limieten botst. Dat is ook gebeurd bij de drie vorige golven. Wanneer dat moment er gaat aankomen, valt niet te voorspellen, omdat het ook afhangt van de maatregelen die we gezamenlijk (zullen) nemen in reactie op de golf van aanslagen. Net als in het verleden, is het terroristen immers te doen om angst en ontreddering te zaaien in de hoop dat de overheden overreageren en zij daardoor nieuwe rekruten kunnen werven.

En dus is de vraag vooral welke maatregelen we nu kunnen treffen om zowel, op korte termijn, de doelstellingen van het terrorisme te ondergraven en, op lange termijn, ervoor te zorgen dat er geen nieuwe generatie jongeren aangezogen wordt door de lokroep van een volgende terreurgolf.

Eén. Voer het debat over de essentie, niet over de symptomen. Om het simpel te zeggen: verschuif het van deradicalisering naar preventie. Religie speelt vandaag nauwelijks een rol bij de beslissing om naar Syrië af te reizen of om te sympathiseren met het terrorisme en hand- en spandiensten te bewijzen. En toch hebben we het steeds over ‘moslims’, ‘moslimextremisme’ en ‘moslimterrorisme’. Beleidsrecepten draaien vaak om een gematigde islam, een verwesterse islam, een counter narrative. Dat is zoals koorts bestrijden. Soms verlicht dat de pijn, maar die zal telkens weer opkomen zolang de ziekte die de koorts heeft veroorzaakt, niet behandeld wordt. Zolang wij niet onder ogen wensen te zien dat de echte drijfveer in de no future jongerensubcultuur ligt, is preventie van de Syriëgang gedoemd om te falen.

Bijgevolg moeten inspanningen op de eerste plaats gericht zijn op het detecteren van signalen dat individuen, en vooral jongeren, zich hebben klemgereden, geen uitweg meer lijken te zien en zich daarom aangetrokken voelen tot afwijkend gedrag, gaande van zelfmoord, over straat- en drugbendes, tot de Syriëgang. Niemand is beter geplaatst om dat te doen dan onze eerstelijns­preventiewerkers. Dat is de eerste en belangrijkste schakel, die dan ook aan herwaardering toe is. De bestaande preventiemechanismen en -instrumenten versterken, zal meer resultaten opleveren dan een aparte deradicaliseringszuil en -industrie uitbouwen.

Twee. Opteer voor maatwerk. Wat we eigenlijk al lang weten inzake (de)radicalisering, is dat dit proces noch logisch noch voorspelbaar is, maar grillig en eigen aan elk individu, geduwd door zijn of haar eigen beweegredenen. Counter narrative clips op televisie, zoals Frankrijk recent geprobeerd heeft, zullen dan ook weinig effect sorteren. Een individuele aanpak heeft daarentegen de grootste kans op slagen, mits drie voorwaarden zijn vervuld:

■ Maatwerk. Elke ‘radicalisering’ is een hoogst persoonlijk traject en vergt dus een op maat gesneden antwoord, dat aangepast is aan de belevingswereld van het betrokken individu, dat als een individu moet worden bekeken en benaderd en niet zomaar als lid van een (vijandige) groep.
■ Openheid. Een individu moet de bereidheid tot gesprek tonen. Is dit niet het geval, dan zal elk gesprek falen. Is dit wel het geval, dan vormen mentoren, coaches, vrijwilligers die het vertrouwen hebben van de betrokkenen, de cruciale brug. Afhankelijk van de betrokkene kan dat een straathoekwerker zijn, een preventieambtenaar, de lokale imam, een teruggekeerde Syriëganger, een vriend, een vrijwilliger. De lokale preventiedienst is het meest aangewezen niveau om de meest aangewezen aanpak uit te stippelen.
■ Perspectief. Het doel moet zijn om jongeren weer aansluiting te laten vinden met de (lokale) samenleving en hen het gevoel te geven dat ze er wel bij horen. Dat betekent meer dan een gesubsidieerde baan aanbieden. Het startdoel moet niet zijn om hem (of haar) de les te spellen of te trachten om hen hun radicale denkbeelden te doen afzweren. Zo niet is de kans reëel, dat zij die op het eerste gezicht ‘gederadicaliseerd’ zijn, vervolgens gewoon hun vroegere leven opnieuw oppikken, van drugdealer tot straatboefje - of wachten tot een nieuwe terreurgolf zich aandient.

Een stad als Mechelen heeft al lang geleden ingezet op maatwerk. Een gemeente als Vilvoorde en een land als Denemarken zijn, met vallen en opstaan, deze weg ook ingeslagen. Het zou alvast geen slecht resultaat zijn indien de parlementaire onderzoekscommissie 22/3, die deze maand van start ging, erin zou slagen hierrond klaarheid en politieke eensgezindheid te scheppen, zodat alle overheden van dit land in eenzelfde richting werken. Pas dan zullen we kunnen beweren dat België en zijn deelstaten een eigen en aangepast ‘deradicaliseringsbeleid’ hebben, die naam waardig. Dat is nu niet het geval.

Drie. Haal het debat over de islam in België/Europa uit de deradicaliseringssfeer. Dat debat is belangrijk. Maar het moet worden gevoerd omwille van haar eigen finaliteit en met moslims in de sturende positie. Men lijkt het te vergeten, maar die discussie is al geruime tijd geleden ingezet, maar raakt voortdurend geblokkeerd door de periodiek opflakkerende polarisering. Dat debat vermengen met deradicalisering zal niet alleen niet het gewenste resultaat opleveren, maar mensen steeds weer in een egelstelling terugduwen en daardoor de polarisering aanwakkeren. Wie aan deze discussie wil deelnemen, moet bovendien beseffen dat de aanslagen van Parijs en Brussel een zware impact hebben gehad op Belgische families met Marokkaanse en Turkse roots: ‘Wij betalen de prijs […] ik zit hier tussen mensen die net zo ontredderd en verloren zijn - voor wie het toch nog eens wil horen, ook de moslimgemeenschap is in shock. Ik zag de angst in de ogen van mijn vader, mijn moeder, mijn ooms en tantes’.9

Vier. Laten we ons niet laten terroriseren door de terroristen. Wijs was de reactie van de toenmalige burgemeester van Londen, Ken Livingstone, die na de bomaanslag in zijn stad in juli 2005 opriep om de breedst mogelijke solidariteit te beogen: ‘Dit was geen terroristische aanslag tegen de rijken en machtigen, tegen presidenten of eerste ministers. Zij was gericht tegen gewone, werkende Londenaar, zwart en blank, moslim en christen, hindoe en jood, jong en oud. Het was een slachtpartij in het wilde weg, zonder onderscheid in leeftijd, klasse, godsdienst. Met ideologie heeft dat niets te maken, zelfs niet met geperverteerd geloof. Het is massamoord - en we weten wat hun doel is: Londenaars tegen elkaar opzetten. Maar wij zullen ons niet uit elkaar laten spelen. We zullen solidair zijn, en aan de kant staan van alle slachtoffers. Van deze stad ben ik fier burgemeester te zijn.’
Zulke eenvoudige, en vooral inclusieve woorden zijn zeldzaam.

De Belgische eerste minister Charles Michel heeft na de aanslagen van 22 maart alvast dezelfde inclusieve toon aangeslagen als Ken Livingstone. ‘Met zijn ‘wat we vreesden’ vat hij direct het ‘wij’ […]’, aldus David Van Reybrouck.10 In de VS ging president Obama zelfs nog een stap verder, toen hij publiek aangaf te voelen hoe het voor moslims in zijn land moest aanvoelen om als tweederangsburgers te worden behandeld.11

Ten slotte. Investeer in het langetermijnwerk van de inlichtingendiensten, optimaliseer de informatie-uitwisseling tussen politiediensten en zet in op wijkpolitie opdat die een weerspiegeling zou vormen van de samenleving die zij dient. Deze inhaalbeweging is intussen ingezet. De Veiligheid van de Staat, dat vanaf 2008 met een toenemend personeelstekort kampte, heeft alvast perspectief op het herstel van haar personeelsbestand. De intra-Europese politionele en justitiële samenwerking heeft een nieuwe stimulans gekregen. Voor wie het niet zou weten: in het verleden was goed politie- en inlichtingenwerk de sleutel van een doeltreffend contraterrorismebeleid.12

Wat de laatste aanbeveling betreft, daar ligt de sleutelrol onmiskenbaar bij de overheid. Maar bij de overige vier is de inzet van velen vereist: regering(en), middenveld, media en ook wij, burgers. Leerzaam in dat verband is de parallel met het terrorisme in Noord-Ierland. Dit is wat Andrew Parker, hoofd van de Britse inlichtingendienst MI5 hierover te zeggen had: ‘We slagen er in om het merendeel van de aanslagen tijdig te ontdekken en te verhinderen. Maar soms lukt ons dat niet en krijgen we af te rekenen met blind geweld, zoals in het geval van de moord op David Black in november 2012. Dat soort zinloos geweld, dat we vooral in het verleden hebben gekend en dat zo goed als geen steun geniet in de katholieke gemeenschap, wordt gepleegd door hen die het politieke vredesproces in Noord-Ierland afwijzen. Samen met de politie zullen we die misdadigers en moordenaars blijven opsporen en voor de rechter slepen’.13

Moest het religieuze prisma niet die overheersende plaats hebben ingenomen bij onze kijk op de recente reeks aanslagen, dan zou ons dat in staat stellen om de huidige terreurgolf te zien zoals Andrew Parker aangaf in het geval van het Noord-Ierse terrorisme. De huidige aanslagplegers genieten immers even weinig steun als hun Noord-Ierse soortgenoten, al insinueren enkele politici en opiniemakers het omgekeerde.14 Met het Noord-Ierse precedent voor ogen kunnen we de aanslagen en de dreigementen van IS en zijn sympathisanten een plaats geven in ons denken, en daardoor de veerkracht opbrengen om er ons dagelijks leven niet door te laten bedreigen. Op die manier verhinderen wij dat zij slagen in hun opzet, namelijk ons tegen elkaar opzetten en ons uit elkaar spelen.

Rik Coolsaet15
Gewoon Hoogleraar aan de Universiteit Gent en Senior Associate Fellow aan het Egmont-Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen (Brussel).

Noten
1/ Geciteerd in Le Parisien, 9 januari 2016.
2/ Latifa Ibn Ziaten, Mort pour la France. Parijs, Flammarion, 2013, pp. 204-206.
3/ President Obama ter gelegenheid van de lancering van de ‘My Brother’s Keeper Alliance’. New York, West Bronx, 4 mei 2015 (www.whitehouse.gov/the-press-office/2015/05/04/remarks-president-launch-my-brotherskeeper-alliance).
4/ De Standaard, 24 oktober 2010.
5/ Le Télégramme, 25 juni 2015 (www.letelegramme.fr/bretagne/le-juge-trevidic-la-religion-n-est-pas-le-moteur-du-jihad-27-06-2015-10682946.php).
6/ Changes in modus operandi of Islamic State terrorist attacks. Review held by experts from Member States and Europol on 29 November and 1 December 2015. Den Haag, Europol, 18 januari 2016 (www.europol.europa.eu/content/ectc).
7/ Geciteerd in De Standaard, 2-3 april 2016.
8/ Martha Crenshaw, ‘The causes of terrorism’, in Comparative Politics, 1981, 13:4, pp. 379-399.
9/ Birsen en Fatma Taspinar, geciteerd in De Standaard Weekblad, 19 december 2015.
10/ Geciteerd in De Standaard, 25 maart 2016.
11/ President Obama voor de Islamic Society, Baltimore, 3 februari 2016 (www.whitehouse.gov/the-press-office/2016/02/03/remarks-president-islamic-society-baltimore).
12/ www.egmontinstitute.be/publication\_article/belgium-and-counterterrorism-policy-in-the-jihadi-era-1986-2007.
13/ Toespraak door de directeur-generaal van de Britse Veiligheid van de Staat, Andrew Parker, voor het Royal United Services Institute (RUSI), Whitehall, 8 oktober 2013 (www.mi5.gov.uk/home/about-us/who-we-are/staffand-management/director-general/speeches-by-the-director-general/director-generals-speech-at-rusi- 2013.html).
14/ http://english.dohainstitute.org/content/cb12264b-1eca-402b-926a-5d068ac60011.
15/ Dit is een herwerking en actualisering van het laatste hoofdstuk uit de paper: ‘Facing the fourth foreign fighters wave. What drives Europeans to Syria, and to Islamic State?’(Egmont Instituut, Brussel, maart 2016). Vertaling: Jan Vermeersch.

aanslagen Brussel - jihadisme - radicalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 4 (april), pagina 10 tot 16