Abonneer Log in

Wat drijft de zelfmoordterrorist?

JIHADISTEN IN ONZE WIJKEN

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 4 (april), pagina 4 tot 9

In België vonden tussen 1970 en 2014 zo’n 140 terroristische aanslagen plaats. Die veroorzaakten allemaal samen net iets meer dan 40 doden en 230 gewonden. De dubbele aanslag in de metro van Brussel en de luchthaven van Zaventem op 22 maart is samen goed voor bijna evenveel doden als de tol van de afgelopen 44 jaar. Daarmee wordt de boodschap dat 22 maart 2016 een van de zwartste dagen is uit de recente Belgische geschiedenis ook met cijfermateriaal bevestigd. Wanneer zelfmoordterroristen zich opblazen, wil men logischerwijs weten wat die individuen zover over de schreef drijft. Hoe werkt de verwrongen logica van deze zelfmoordterroristen? En hoe kunnen we de aantrekkingskracht van terreurgroepen als Daesh bij homegrown terroristen ontnemen?

JIHADISTEN IN ONZE WIJKEN

Wat drijft de zelfmoordterrorist?
Lieven Pauwels
Leven met en na 22/3
Rik Coolsaet
Gezamenlijk naar de oplossing zoeken
Yamila Idrissi
Staren naar oude steenlagen, terwijl een vulkaan op ontploffen staat
David Van Reybrouck

ZELFMOORDAANSLAGEN GEEN EXCLUSIEVE STRATEGIE VAN RELIGIEUZE FANATICI

Eerst en vooral. Zelfmoordaanslagen zijn, zo blijkt uit onderzoek, geen exclusieve strategie van religieuze fanatici. In Dying to Win. The Strategic Logic of Suicide Terrorism (2006) geeft de gerenommeerde terrorismeonderzoeker Robert Pape een overzicht van alle zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2003. Daaruit blijkt dat, hoewel religieuze fundamentalisten een belangrijk deel van de aanslagen voor hun rekening nemen, zij niet alleen verantwoordelijk zijn voor zelfmoordaanslagen. Het zijn de nationalistische en vooral de separatistische groeperingen die tussen 1980 en 2003 deze strategie het vaakst hebben aangewend. Het drieste record stond op naam van de Tamil Tijgers, de separatistische groep die in Sri-Lanka actief was. Als kanttekening moeten we, toegegeven, herbekijken of deze analyse nog wel klopt aan de hand van meer recente gegevens.

Robert Pape betoogt dat zelfmoordaanslagen de geliefkoosde strategie is van ‘insurgent groups’, oftewel gewapende verzetsgroepen, die te zwak zijn om een reguliere oorlog te beginnen. Blijvende onvrede, in combinatie met antiwesterse sentimenten ten gevolge van de inmenging van externe democratische staten, vormen volgens Pape de meest voorkomende combinatie voor het gebruik van zelfmoordcommando’s door ‘insurgent groups’, die zich zo ontwikkelen tot terroristische organisaties zoals Daesh. Het lijkt er op dat zelfmoordaanslagen vaak ernstigere gevolgen hebben als terreurgroepen een religieuze totalitaire justificatie hanteren dan wanneer de motieven liggen in meer profane totalitaire ideologieën. De wreedheden van Daesh moeten de apocalyptische illusie van de eindstrijd van de ‘ware gelovigen’ tegen de ‘kruisvaarders’ levendig houden. Het onderzoek van Pape wijst er echter op dat wanneer separatistische en totalitaire motieven en de behoefte aan lebensraum (vooral in failliete naties) gecombineerd voorkomen, het geweld de wreedste en meest irrationele proporties aanneemt.

Maar wat is irrationeel? Irrationeel is dit allerminst vanuit het standpunt van de (religieuze) totalitarist, die het plegen van de aanslag als handelingsalternatief ziet en ook in daden omzet. Daarom zijn ze in staat zo koelbloedig mensen af te maken.

ZELFMOORDTERRORISTEN BEGRIJPEN OM HEN AAN TE PAKKEN

We moeten ons dus verplaatsen in de hoofden van de terroristen om hun verwrongen logica te begrijpen. We dienen de factoren te kennen die maken dat men terrorisme als enige handelingsalternatief gaat zien, zoals de Brusselse zelfmoordterrorist Ibrahim El Bakraoui: hij zag geen enkel alternatief meer en blies zichzelf op in de luchthaven van Zaventem.

Een proces van dehumanisering maakt het gedrag van zelfmoordterroristen begrijpelijk. De morele emoties, zoals empathie en schuldgevoelens, waarmee behoudens psychopaten de meeste mensen zijn uitgerust, worden hierdoor tactisch uitgeschakeld. Een accumulatie van grieven, zwakke integratie en gevoelens van aliënatie, getriggerd door de sociale context vreten aan de morele overtuigingen van het individu. Eenmaal deze drempel voorbij, kunnen omgevingsfactoren (provocatie, temptatie, enzovoort) reële actie uitlokken. Het feit dat sommige zelfmoordterroristen op het laatste moment terugkrabbelen, bewijst de feilbaarheid van de controle van de ideologische indoctrinatie op inhiberende mechanismen. De ultieme terrorismepreventie bestaat erin te zorgen dat individuen terrorisme niet als alternatief gaan zien, en dat leden van terreurgroepen het geweld niet langer als alternatief zien voor het bereiken van doelen. Het belang van de rol van morele overtuigingen wordt onderstreept in onderzoek naar de etiologie van regelovertreding en in onderzoek naar disengagement van leden van terreurgroepen en het proces van het beëindigen van de criminele carrière van beroepscriminelen.

Motieven ontstaan in complexe wisselwerkingen tussen individuen en hun omgevingen. Heel vaak wordt verwezen naar het martelaarschap als een belangrijk persoonlijk motief, maar dit is zelden de enige drijfveer. Terreurgroepen beloven te zorgen voor de nabestaanden. Dat toont aan dat er evenzeer familiale en economische motieven spelen, net als haat tegenover de samenleving omwille van allerhande (reële en aangeprate) gepercipieerde onrechtvaardigheden. Ronselaars spelen een belangrijke rol als echo. Dat doen ze zowel in de reële als in de virtuele wereld. Zelfmoordterrorisme is een complexe multidimensionale strategie: een militaire strategie (de vijand destabiliseren en raken op de meest pijnlijke plek), een sociale strategie (‘altruïsme’ voor de eigen achterban) en een persoonlijke strategie (martelaarschap bezorgt status en reputatie aan de martelaar, en de bescherming of vergoeding van familieleden door de terreurgroep). Diegenen die zich uitverkoren voelen, leven in de waan dat zij ‘goed’ doen. Zelfmoordaanslagen zijn zelden het werk van enkelingen. Een terreurgroep doet voor dergelijke praktijken steeds beroep op diens meest devote aanhangers. In het geval van religieus fundamentalisme gaat het om de meest devote apocalyptische fundamentalisten. In het geval van nationalistisch of separatistisch terrorisme gaat het om de meest devote nationalisten of dogmatici. We hebben niet veel verbeelding nodig om parallellen te zien met het vroegere geweld in Noord-Ierland en Baskenland.

Er zijn tal van motieven waarom mensen zich aansluiten bij terreurgroepen, maar de meest devote leden worden afgezonderd en klaargestoomd als kamikaze, zoals we in Brussel konden waarnemen. Terreurgroepen kan men bekijken door de lens van sociale bewegingen. Ze gebruiken framingtechnieken om potentiële jihadisten te lokken en uiteindelijk te mobiliseren voor hun geplande acties: diagnostisch framen (problemen worden herleid tot simpele dichotomie: het Westen versus de ware islam), prognostisch framen (de oplossing: alleenheerschappij en lebensraum) en vooral motivationeel framen (‘what’s in for the actor’?). Daesh is allerminst origineel en bedient zich gretig van dezelfde framingtechnieken die door Hezbollah, Hamas en de rode brigades werden gebruikt.

Terreurgroepen streven naar hoge frame resonantie. Hoe beter de boodschap klinkt en verpakt wordt, des te groter de kans op het succesvol overbrengen van de boodschap en hoe sterker de mobiliserende kracht. Hiertoe dient het kader consistent en geloofwaardig te zijn en dienen de actoren als geloofwaardig te worden voorgesteld. Om de boodschap zo helder mogelijk over te brengen, dient het fundamentalistische narratief zo getrouw mogelijk te zijn. De haatboodschappen van islamitische totalitairen bevatten dezelfde ingrediënten als de preken van Mao, Hitler of Stalin. Alleen worden ze verpakt met hedendaagse media en technologie, waardoor ze krachtiger overkomen, sneller gedeeld worden en online allianties en traditionele landgrensoverschrijdende netwerken creëren. De virtuele cloud van de terreur wordt hiermee wereldomspannend. Dat is onmiskenbaar de grote troef van globale jihadisten.

REFLECTIES BIJ DE AANPAK VAN TERREURORGANISATIES

Geslaagde zelfmoordaanslagen zoals deze te Londen, Parijs, Beiroet en Brussel zijn om verschillende redenen belangrijk voor terreurgroepen. Ze moeten een krachtig en maximaal effect hebben. Ze hebben als ultiem doel angst te zaaien door liefst zo veel mogelijk onschuldigen mee de dood in te jagen. Zelfmoordaanslagen zijn uiterst succesvol wanneer deze aanslagen een symbolische functie hebben. Er werd gesteld dat paasmaandag de streefdatum was van de aanslagen in Brussel. Dit zet het geplande en boosaardige karakter ervan enkel in de verf: welke betere dag te sterven voor de kleine Jihad dan een plaats met internationaal karakter, met veel onschuldigen en op een datum met religieuze betekenis waarop het dodental omwille van de paasvakantie een veelvoud had kunnen zijn van wat het nu geworden is. De arrestatie van Abdeslam bracht een en ander in een stroomversnelling, maar dat heeft niet kunnen verhinderen dat er in no time een gemeen plan B werd beraamd. Zelfde doelwit, ander symbolisch tijdstip. Misschien landde of vertrok een vlucht naar de V.S. rond dat tijdstip, maar in elk geval zijn op dat moment veel zakenmensen op de luchthaven.

Het voorbereiden van zelfmoordaanslagen door cellen vergt tijd, maar men mag de aanslagen van 9/11 niet vergelijken met de ‘geïmproviseerde’ terreur van Daesh. 9/11 vereist technische, organisatorische, logistieke en ideologische voorbereidingen. Daartoe heeft men ervaren cellen nodig, daarom bestaan er trainingskampen. Dat is moeilijker geworden door verhoogde veiligheidsmaatregelen. Precies daarom werd terrorisme van eigen bodem zo gepropageerd (reeds door Al-Qaida) en is het voor terreurgroepen zo aantrekkelijk om ook te rekruteren uit individuen met een verleden in het zwaar banditisme, zoals bij de Brusselse zelfmoordterroristen het geval was. Die hebben alvast het lef en de haat tegenover de samenleving, en hebben langdurige indoctrinatie niet altijd nodig om tot geweld over te gaan. Daarom is het belangrijk dat (religieus) totalitarisme langs verschillende kanten aangepakt wordt: de aanbodzijde aan de ene kant en de vraagzijde (radicaliserende jongeren en jongvolwassenen, niet enkel in de samenleving maar ook in gevangenissen) aan de andere kant. Religieuze fanatici en mislukte geharde straatcriminelen zijn als zwerfvuil dat door terreurgroepen van straat wordt geplukt en als kanonnenvlees de eeuwigheid wordt in getorpedeerd.

We moeten als samenleving alerter zijn voor de functies die terreurgroepen vervullen voor diens (kandidaat-)leden. Interdisciplinaire inzichten zijn cruciaal om ons huidig kennisniveau naar een hoger niveau te halen. Deze kennis kan dan worden ingeschakeld bij de bestrijding van totalitair geweld in het algemeen en van terrorisme in het bijzonder. Als een organisatie in haar hart wordt geraakt, dan wordt geraakt aan de status en de geloofwaardigheid van de organisatie. Dan wordt haar alvast de materiële middelen ontnomen om nog verder te mobiliseren. Dat hierdoor de top wordt vervangen door nog extremere charismatische leiders, is reeds gebleken. Daarom volstaat het niet de terreurgroep onschadelijk te maken. Als de geschiedenis ons iets geleerd heeft, is het wel dat een eenzijdige aanpak niet werkt. Terreurgroepen rekenen op de logica van vraag en aanbod: bij elke aanslag hopen ze nieuwe zieltjes te winnen. Er werd herhaaldelijk op gewezen dat de zelfmoordaanslagen op Europese bodem wijzen op vergelding en op het feit dat Daesh op het terrein zware verliezen maakt. Dat blijkt nu. Maar voor het effect maakt het niet uit. In beide gevallen geven geslaagde aanslagen een adrenalinekick aan (kandidaat-)leden en zelfs aan andere (concurrerende) terreurgroepen: het is de bevestiging dat terrorisme werkt. Hoe de (geciviliseerde) wereld zal reageren, is daarom cruciaal. Goed is in elk geval dat de steekvlampolitiek die we na Parijs zagen, niet in werking is getreden. Wat moeten we immers met nog meer maatregelen als lappendekens? Het is jammer dat er een aanslag voor nodig was om de illusie van perfecte veiligheid te doorbreken, maar ik kan enkel hopen dat hieruit de kracht groeit van een realistische geïntegreerde aanpak.

Groepen die een totalitaire ideologie onder de verpakking van religieus fundamentalisme praktiseren moet men structureel de slagkracht ontnemen. Die slagkracht bestaat uit de machinerie, de economie en financiering van de terreur, de netwerken en linken met de georganiseerde misdaad. Charismatische leiders en infrastructuur kunnen steeds ingewisseld worden, nieuwe terreurgroepen zullen altijd oude vervangen, maar als de geldkraan wordt toegedraaid, en samenwerking met de criminele organisaties beter wordt aangepakt, dan wordt het een pak moeilijker voor een terreurgroep om zich internationaal te profileren en wereldwijd te rekruteren. Het drama van het succes van religieus totalitarisme, is dat het zich ent op een conservatieve school van een wereldgodsdienst en dus een potentieel grotere rekruteringsvijver heeft dan pakweg de eerste de beste links-extremistische groepering. Daarom is een gezamenlijke aanpak over levensbeschouwingen een conditio sine qua non.

We moeten beseffen dat elke slag die de terreur toegebracht wordt, de kiemen van een tegenreactie in zich draagt. Actie lokt reactie uit. Dit is hetzelfde mechanisme dat sinds mensenheugenis voor polarisatie en escalatie in elke samenleving zorgt. Dit mag ons niet doen besluiten de aanpak van terrorisme op te geven en vooral niet in de kaart te spelen van terreurgroepen. Terreurgroepen leven in de gevaarlijke illusie dat zelfmoordaanslagen werken. Door in het verleden te hebben toegegeven aan de eisen van terroristen, heeft men die indruk onbewust versterkt. In het verleden is gebleken dat terreurgroepen uiteindelijk stoppen de eigen groepsleden te blijven offeren als het hogere doel niet wordt bereikt. In het geval van Daesh is dat echter weinig waarschijnlijk: de eindstrijd maakt immers deel uit van hun apocalyptische ideologie. Bovendien beseffen deze oorlogsmisdadigers heel goed dat er geen weg terug is. Zij hebben hun keuze al lang geleden gemaakt om buiten de samenleving te staan. Ze hebben hun kant van het scenario van hun apocalyptische eindstrijd uitgetekend. We mogen echter niet vergeten dat zij het scenario niet alleen schrijven. Als we een happy end willen aan dit drama, gaan we er met andere woorden zelf voor moeten zorgen.

We moeten ons daarom ook, los van de prangende kortetermijnaanpak (het bestrijdingsvraagstuk), de vraag stellen waarom een achterban begrip kan opbrengen voor terreurgroepen als Daesh, zowel in het Midden-Oosten als op Belgische bodem. De gemiddelde mens is een conditionele altruïst. Geen rationele actor, maar een myope en dus kwetsbare beslisser. Het goede nieuws is dat aan myopie iets kan worden gedaan: via onderwijs, via de hefbomen van sociale en structurele preventie in en tussen leefgemeenschappen. Een belangrijk element in de oplossing ligt in het toepassen van het idee van de expanderende morele cirkel: deze idee komt er op neer dat geen individu of groep gezag aanvaardt van een samenleving als dat individu of die groep de samenleving niet tot de eigen morele cirkel rekent. Onvermijdelijk botsen we dan op de kernvraagstukken van de mechanismen en dynamieken van uitsluiting, conflict en coöperatie. Kortom, dit probleem is morgen niet opgelost. Maar als we grote problemen in deelproblemen opdelen, lijkt de opgave alvast draaglijker.

Lieven Pauwels
*Directeur Institute for International Research of Criminal Policy - UGent *

aanslagen Brussel - jihadisme - radicalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 4 (april), pagina 4 tot 9