Log in

It's all about solidarity, stupid!

Vroeger was het begrip solidariteit het kroonjuweel van links, maar vandaag wordt het steeds uitdrukkelijker geclaimd door rechtse partijen. Solidariteit wordt door hen weliswaar geframed als een vorm van broederlijkheid. Voor sociaaldemocraten die solidariteit gelijkstelden aan gelijkheid en liberalen die solidariteit gelijkstelden aan vrijheid, vormt dit een serieuze uitdaging. In deze bijdrage schetsen we de contouren van de 'Solidariteitspolitiek 2.0'.

DE WETSTRAAT

It's all about solidarity, stupid!
Peter Thijssen en Pieter Verheyen
De krant regeert het land
Julie Sevenans
Heeft België een democratisch probleem?
Peter Bursens en Petra Meier

Op 24 januari schreef Bart De Wever een opmerkelijk opiniestuk in De Morgen naar aanleiding van de vluchtelingencrisis. Hierin stelt hij onomwonden dat we ons performante huis van de sociale zekerheid enkel kunnen vrijwaren als we het afschermen tegen gelukzoekers van buitenaf, die er niet aan hebben meegebouwd. Volgens de N-VA-voorzitter is er dus sprake van een dwingende keuze: om onze eigen ingroup-solidariteit veilig te stellen moeten we grenzen stellen aan de outgroup-solidariteit.

Het opiniestuk van Bart De Wever is omwille van drie redenen symbolisch en veelzeggend. Ten eerste doet een voorzitter van een rechtse partij hier een greep naar het kroonjuweel van links: solidariteit. Ten tweede maakt hij hiervoor gebruik van een medium dat eertijds het huisblad was van de vroegere kampioenen van de solidariteit, de sociaaldemocraten. Ten derde was dit geenszins een eenmalige raid, want in de loop van dit jaar is hij systematisch dezelfde boodschap blijven herhalen. Bart De Wever stak met andere woorden een symbolische Rubicon over. Hij gaat op vreemd terrein en met ogenschijnlijk vreemde wapens zijn politieke tegenstanders te lijf. Vanwaar deze vermetele daad? Hoe is het zover gekomen?

In deze bijdrage beargumenteren we dat solidariteit steeds uitdrukkelijker een gecontesteerd begrip wordt in de hedendaagse politiek. In die zin verschaft het begrip fundamenteel inzicht in hedendaagse politieke debatten en in verkiezingsuitslagen. Naar analogie met de gewoonte uit de informaticawereld om bij een totaal nieuwe versie van een programma het cijfer voor het punt te verhogen, spreken we dus ook over 'Solidariteitspolitiek 2.0'.

NIEUWE WIJN IN OUDE VATEN?

Een vermetele aanval van rechts en dit op vijandelijk terrein… dit konden de voorzitters van de linkse partijen niet zomaar aan zich voorbij laten gaan. John Crombez bijt de spits af en stelt in een open brief in dezelfde krant dat 'universaliteit inherent is aan onze solidariteitsopvatting, die niet toevallig verankerd is in universele mensenrechten die niet stoppen aan de grenzen van de natiestaat'. John Crombez verwijt Bart De Wever ook diens negatieve mensbeeld waarbij mensen alleen solidair zijn als ze een behoorlijke return on investment krijgen. Neen, zegt hij, solidariteit is een 'natuurlijke menselijke neiging' en een 'wezenlijk onderdeel van wie we zijn'. Goede mensen zijn solidair. Ook Meyrem Almaci laat zich niet onbetuigd. Ze stelt dat Bart De Wever met zijn opiniestuk 'concurrentie organiseert tussen vluchtelingen en zieken, armen en gepensioneerden'. Het is het interpersoonlijke begrip voor de hulpbehoevende dat bij de Groen-voorzitster centraal staat. In een Twitter-bericht zegt ze verder dat het voor progressieven geen of-ofverhaal is maar pleit ze voor een combinatie van 'menselijkheid én gecontroleerde migratie'. Progressieven pleiten voor menselijkheid én gecontroleerde migratie.

Je zou kunnen stellen dat het hier gaat om een klassiek ideologisch debat tussen links en rechts, maar er is meer aan de hand. Onze stelling is dat er zich rondom welbepaalde solidariteitsframes steeds nadrukkelijker een cruciale scheidslijn vormt die inzicht biedt in het woelige vaarwater waarin sommige partijen zich momenteel bevinden. Waar politieke conflicten in het verleden vaak in het teken stonden van de strijd voor vrijheid en gelijkheid, draait het nu veel meer om het derde deel van de Franse revolutie-slogan: broederlijkheid of solidariteit.

De strijd omtrent vrijheid en gelijkheid is uiteraard ook in liberaal democratische systemen nooit volledig beslecht, maar onder andere ten gevolge van de alomtegenwoordige neoliberale instrumentele-rationaliteit en de permanente crisissfeer is die daar toch veel meer een achterhoedegevecht geworden. De processie van burgerlijke, politieke en sociale rechten - zoals de Britse socioloog T.H. Marshall zo mooi beschreef - is ondertussen in meer of mindere mate wettelijk en institutioneel verankerd waardoor de politieke strijd daarrond vaak willens nillens een erg technocratisch en minder begeesterend karakter heeft. De gelijkheidspartijen die medeleven met de zwakkeren bepleiten (zoals de sociaaldemocraten) en de vrijheidspartijen die vooral heil zien in een de civiliserende effecten van vrije handel (zoals de liberalen), zitten daarom in de hoeken waar de electorale klappen vallen.

Solidariteit opgevat als een vorm van broederlijkheid, daarentegen, is een gecontesteerd en gevoelig issue geworden. Niet in het minst omdat het hierbij draait om diepgewortelde gevoelens. Waar rechtse partijen vroeger angstvallig vermeden omzich uit te spreken over solidariteit omdat die toen nog eenzijdig werd vereenzelvigd met een gelijkheidsstreven (en dus ook met de gelijkheidspartijen), is solidariteit vandaag ook een sleutelwoord geworden bij rechtse en zelfs radicaal-rechtse partijen. De Canadese onderzoekers, Keith Banting en Will Kymlicka, stellen zelfs onomwonden dat de politieke rechterzijde zich vandaag opwerpt als 'the new champion of solidarity'. Illustratief hiervoor is dat N-VA in haar partijprogramma van 2014 liefst 27 maal de term 'solidariteit' gebruikt, terwijl zij die term vroeger uitdrukkelijk vermeed.

Wat echter fundamenteel verschilt, is de wijze waarop solidariteit wordt geframed. Het is immers duidelijk dat er verschillende visies bestaan over de voedingsbodems van solidariteit als deugd. Een solidariteitsframe kenmerkt zich door een specifieke modus en een specifieke locus van de solidariteit. Om de verschillen inzake solidariteitsmodus te begrijpen, is de Franse socioloog Emile Durkheims klassieke tegenstelling tussen mechanischeen organische solidariteit nog steeds relevant.

Bij mechanische solidariteit draait het om groepsdwang en gepercipieerde gelijkenissen, en de sociale cohesie die dit genereert. Bij organische solidariteit draait het om een uitgewerkte arbeidsdeling en de complementaire handelsverbanden die dit mogelijk maakt. Helaas ligt de nadruk in Durkheims typologie nogal eenzijdig op een welbepaalde solidariteitslocus, meer bepaald op maatschappelijke krachten die boven de hoofden van individuen werken. In deze hypergeïndividualiseerde tijden is dit een tikkeltje eenzijdig. Waar is de agency of de intentionaliteit van handelende individuen? In die zin situeert de locus van de solidariteit zich op het niveau van maatschappij of daarentegen op het niveau van de interpersoonlijke houdingen tussen individuen. Als men zowel rekening houdt met de modus als met de locus van de solidariteit kan men vier solidariteitsframes onderscheiden, zoals geïllustreerd in Figuur 1 (Thijssen, 2012, 2016).

Wat blijkt? Inhoudsanalyses van de partijprogramma's van 1995 en 2014 leren ons dat het hedendaagse politiek bedrijf steeds uitdrukkelijker wordt beheerst door een tegenstelling tussen enerzijds groep-gebonden en anderzijds empathische solidariteit.

In Figuur 1 is dit de neerwaartse diagonaal met als polen: groep-gebonden en empathische solidariteit. Bij groep-gebonden solidariteit focust men op de structurele cohesie die wordt voortgebracht door de gepercipieerde gelijkenissen van groepsleden en door groepslidmaatschap. Empathische solidariteit is een vorm van interpersoonlijke cohesie die volgt uit de erkenning en ontmoeting van mensen die fundamenteel verschillend zijn. De opwaartse diagonaal heeft als polen medelevende en ruilgerichte solidariteit. Medelevende solidariteit is de solidariteit die voortkomt uit de ongemakkelijke ontmoeting met individuen waarmee we heel wat gemeen hebben maar die zich toch in een precaire situatie bevinden. Ruilgerichte solidariteit komt daarentegen voort uit het nut en de morele sentimenten die daarmee gepaard gaan.

De laatste twee solidariteitsframes (dus: medelevende en ruilgerichte) refereren aan wat we respectievelijk solidariteit op basis van gelijkheid en op basis van vrijheid zouden noemen. Ten gevolge van onder andere de permanente crisissfeer en de dominante kapitalistische context worden de solidariteitsframes op de opwaartse diagonaal als minder incompatibel beschouwd. Nog belangrijker is dat deze solidariteitsframes door de institutionalisering van de rechten die ermee gepaard gaan, momenteel ook minder gecontesteerd worden. Zo komt het dat zelfs aanhangers van medelevende solidariteit hun mededogen steeds uitdrukkelijker verbinden met verantwoordelijkheid, verantwoording, investeringen en ontplooiingskansen. Denken we maar aan de Derde Weg, zoals verdedigd door socioloog Anthony Giddens, en door New Labour van Tony Blair gepopulariseerd. Voorts aanvaarden ook de aanhangers van ruilgerichte solidariteit dat de ruil wordt gereguleerd met het oog op de bescherming van zwakkere ruilpartners.

SOLIDARITEITSFRAMES EN POLITIEKE RETORIEK

Als John Crombez zegt dat Bart De Wever een negatief mensbeeld heeft en verkeerdelijk enkel de natiestaat ziet als solidariserend kader, zegt hij eigenlijk dat Bart De Wever geen oog heeft voor de intenties en empathische gevoelens van individuen.

Dat is opmerkelijk, omdat de sociaaldemocraten enerzijds toch aan de basis liggen van de geïnstitutionaliseerde solidariteit in de vorm van de welvaartsstaat en anderzijds de pleitbezorgers voor de in-groep solidariteit van de arbeidersgroep waren. Hetzelfde geldt overigens ook in zekere mate voor de christendemocratie. Beide partijfamilies hebben gaandeweg steeds meer een catch-all imago gekregen. Ze zijn enerzijds steeds meer gaan kijken naar de kwetsbaren in het algemeen en de medemens met een migratieachtergrond in het bijzonder, en anderzijds meer belang gaan hechten aan diversiteit en zelfontplooiing. In die zin is het ook logisch dat John Crombez pleit voor meer universalisme. Want de tijd dat ze enkel de arbeidersklasse bedienden, is allang voorbij. Door het failliet van de Sovjet-Unie is het marxistische credo 'proletariërs aller lande, verenigt u' immers besmet voor vele socialisten.

In die zin betreedt Bart De Wever een terrein dat de sociaal- en christendemocratische partijelites bewust braak hebben laten liggen: terwijl N-VA niet zal betwisten dat men oog moet hebben voor de kwetsbaren, heeft ze ook steeds geleerd dat groepsleden een voorkeursbehandeling verdienen. In die zin heeft de Duitse cultuurfilosoof Peter Sloterdijk gelijk: solidariteit is voor de meesten een resultaat van socialisatie of domesticatie die de scherpe kantjes haalt van de naar groepsbehartiging neigende menselijke natuur. Van 'It's in our nature to care for those of us' naar 'it's in our nature to care' vraagt een inspanning die veel mensen niet kunnen leveren, zoals blijkt bij hulpacties voor rampenslachtoffers waarbij de geografische en culturele afstand als groot wordt ervaren.

De verdediging van John Crombez is dus op zijn zachtst gezegd ambivalent. Van het sloganeske Franse revolutie-drieluik 'vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid' heeft het laatste paneel 'broederlijkheid', die nauw verwant is aan solidariteit, veruit de minste aandacht gekregen. Wanneer John Crombez dus zegt dat Bart De Wever onvoldoende oog heeft voor universele rechten, heeft hij het dus eigenlijk eerder over solidariteit als gelijkheid en niet zozeer over solidariteit als broederlijkheid… en praat hij dus eigenlijk naast de kwestie.

Die ambivalentie blijkt ook wanneer John Crombez zegt dat 'steeds meer mensen het moeilijk hebben met solidariteit als ze moeten lezen dat 1 op 4 Belgen zich zelfs geen weekje vakantie kan veroorloven'. Hij lijkt hier een kanttekening te plaatsen bij zijn eigen universaliteit. Hier lijkt hij solidariteit te presenteren als een luxegoed. Als Belgen het zelf moeilijk hebben (lees: zich weinig vakantie kunnen veroorloven) zijn 'sommigen (of velen) onder hen geneigd om de schuld bij een ander leggen, vaak bij iemand die het met nog minder moet doen'. Zo genereus blijkt de menselijke natuur dan toch niet te zijn en ook het 'particuliere' Belgische referentiekader duikt terug op.

Kortom, de sociaaldemocratie heeft het moeilijk om een plaats te geven aan de solidariteit. Solidariteit lijkt voor haar een blok aan het been geworden. Illustratief in dit verband is dat een adviseur van Wouter Bos ons toevertrouwde dat de toenmalige voorzitter van de Nederlandse PvdA hem ooit vroeg of hij geen ander woord kon bedenken in plaats van solidariteit.

Kampen andere linkse partijen zoals Groen dan met dezelfde problematiek? Tot op zekere hoogte wel. Want Meyrem Almaci is pragmatisch genoeg om te erkennen dat gecontroleerde migratie onafwendbaar is. Maar op een ander belangrijk vlak niet, omdat groene partijen veel uitdrukkelijker kiezen voor solidariteit op basis van verschil en een interpersoonlijke locus. Het pleidooi van Meyrem Almaci voor 'menselijkheid' maakt één en ander duidelijk. Ten eerste past menselijkheid veel beter in het broederschapsrepertoire van gevoelens en attitudes. Ten tweede overstijgt ze hiermee de natiestaat. Zij pleit voor het erkennen van verschillende noden en gaat volop voor de particulariteit. Vluchtelingen, armen, zieken en gepensioneerden hebben elk hun eigen noden en verdienen hiervoor allen erkenning en respect.

SOLIDARITEITSFRAMES EN PARTIJPROGRAMMA'S

Aan de hand van een diepgaande inhoudsanalyse van de partijprogramma's van 1995 en 2014 zochten we naar zinnen waarin één van de vier solidariteitsframes voorkomt op basis van specifieke modus- en locuscombinaties; zie ook de voorbeeldzinnen in Figuur 1. Die zinnen hoeven dus niet het woord 'solidariteit' te bevatten want er bestaan uiteraard heel wat synoniemen. Voor de beoordeling van de prevalentie van de verschillende solidariteitsframes baseren we ons in het bijzonder op gestandaardiseerde percentages (GP). Stel dat 30% van de zinnen met een solidariteitsframe bij partij X op groep-gebonden solidariteit betrekking heeft dan is de gestandaardiseerde score gelijk aan: (30 – gemiddelde percentage voor groep-gebonden solidariteit over de zes grootste partijen)/(standaardafwijking van de percentages voor groep-gebonden solidariteit voor de zes grootste partijen). We stelden vervolgens vast dat de scores voor groep-gebonden en empathische solidariteit(polen van de neerwaartse diagonaal) steevast negatief gecorreleerd zijn en hetzelfde geldt voor ruilgerichte en medelevende solidariteit (polen van de opgaande diagonaal).

Daarom is het zinvol om voor elke partij het verschil te nemen tussen de GP's voor de beide solidariteitspolen. In Figuur 2 worden de GP-verschilscores voor de twee diagonalen weergegeven voor de zes grootste partijen en dit op twee momenten in de tijd (1995 en 2014). De horizontale as met de polen medelevende solidariteit (MS) en ruilgerichte solidariteit (RS) is dus die van de 'Solidariteit 1.0', terwijl de as met de polen groep-gebonden (GS) en empathische solidariteit (ES) eerder aansluit bij de 'Solidariteit 2.0'.

We zien drie opvallende verschuivingen.

Een. Terwijl sp.a en Groen in 1995 nog samen de koplopers waren inzake empathische solidariteit zien we dat sp.a terug veel meer de kaart trekt van de medelevende solidariteit. Met andere woorden: ze lijken terug te plooien op 'Solidariteit 1.0'.

Twee. Open VLD heeft daarentegen duidelijk het geweer van schouder gewisseld. In 2014 gebruiken zij veel meer het empathische solidariteitsframe en zijn ze nu samen met Groen de koploper inzake 'Solidariteit 2.0'.

Drie. In tegenstelling tot wat de retoriek van Bart De Wever doet vermoeden, wordt de groep-gebonden kaart in 2014, althans programmatorisch, het meest uitdrukkelijk getrokken door het Vlaams Belang. Ook zij zetten steeds uitdrukkelijker in op de 'Solidariteit 2.0'-as, maar dan wel op de diametraal tegenovergestelde pool van de groep-gebonden solidariteit.

SOCIAALDEMOCRATEN MOETEN TOCH KIEZEN

Ons empirisch onderzoek is vooralsnog in eerste instantie op de aanbodzijde van de politiek gericht (de partijenretoriek in de media en programma's), maar in de toekomst zullen we ons ook richten op de vraagzijde (in welke mate worden de onderscheiden solidariteitsframes gesmaakt door het publiek). Voorlopig kunnen we enkel steunen op het indirecte bewijs dat verkiezingsuitslagen bieden.

Als we die bekijken kunnen we er niet naast dat de sociaaldemocratische partijen in de 'Solidariteitspolitiek 2.0' steevast aan het korte eind trekken: zij kregen electoraal klappen, terwijl de échte vertegenwoordigers van empathische solidariteit (Groen) en groep-gebonden solidariteit (N-VA en Vlaams Belang) sterker worden of stabiliseren. Hetzelfde geldt overigens ook voor andere partijen die zich ook eerder op de andere opwaartse diagonaal oriënteren, die van de tegenstelling tussen ruilgerichte en medelevende solidariteit. Is het realistisch om die as te reactiveren? Zoals we hoger beargumenteerden, lijkt dit ons weinig waarschijnlijk.

Als het waar is dat in de 'Solidariteitspolitiek 2.0' politieke conflicten vooral geënt zijn op de tegenstelling tussen groep-gebonden en empathische solidariteit, dan moeten sociaaldemocratische partijen inderdaad kiezen. Misschien niet voor het gerecht dat Bart De Wever hen voorschotelt, maar wel van hetzelfde menu. Een keuze tussen solidariteit volgens een groepslogica of solidariteit op basis van interpersoonlijk begrip dringt zich dus op. Warm en koud blazen tegelijkertijd, zoals sp.a doet in het partijprogramma van 2014 of zoals John Crombez deed in reactie op Bart De Wevers démarches, is geen goede strategie. In concreto: ofwel kunnen sociaaldemocratische partijen terugplooien op hun eigenste groep-gebonden solidariteit ('proletariërs aller lande verenigt u'), maar dan dreigen ze in het vaarwater van PVDA terecht te komen; ofwel gaan ze resoluut in de richting van de interpersoonlijke empathische opvatting van solidariteit, maar dan dreigen ze in het vaarwater van Groen te belanden. Kiezen is verliezen, maar een keuze dringt zich op als men wil winnen bij de volgende verkiezingen.

Referenties

Banting Keith & Kymlicka Will (2017), 'The Strains of Commitment: The Political Sources of Solidarity in Diverse Societies': Oxford University Press.

Thijssen Peter (2012), 'From mechanical to organic solidarity, and back: with Honneth beyond Durkheim', European Journal of Social Theory, 15(4): pp. 454-470.

Thijssen Peter (2016), 'Intergenerational solidarity: the paradox of reciprocity imbalance in aging welfare states', The British Journal of Sociology, 67(4): pp. 592-612.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 9 (november), pagina 33 tot 39