Log in

Een eigen-volk-eerst-variant van het andersglobalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 16 tot 21

Volgens sommigen zien we stilaan een internationale coalitie van nationalisten die de agenda van de andersglobalistische beweging aan het uitvoeren is. Dat eerste vind ik op zijn minst een ironische tegenstelling en met dat tweede ben ik totaal niet akkoord. De wereld lijkt opnieuw te deglobaliseren, maar de nieuwe nationalisten zijn géén andersglobalisten.

IN DE GREEP VAN DE AUTORITAIRE LEIDER

Autoritaire praktijken gaan om meer dan populistische leiders
Marlies Glasius
Oorlog is mogelijk
Koert Debeuf
Een eigen-volk-eerst-variant van het andersglobalisme
John Vandaele

Voor iedereen die volwassen werd na 1990, is globalisering de 'only game in town' geweest. Het was het geopolitieke regime dat ons leven vormgaf: of het nu om onze gsm's of kleren ging die aan de andere van de wereld werden gemaakt (en dus niet meer in West-Europa), of de Chinese bedrijven die onze ondernemingen kochten, of het makkelijke reizen voor wie daartoe de middelen had, of de migratiestromen die onze politieke systemen drastisch door elkaar gooiden. Globalisering was de naam van onze tijd. Ik omschreef het in mijn boek Het recht van de rijkste (2005) als 'het proces waardoor goederen, informatie, geld, mensen makkelijker van het ene land naar het andere kunnen en alles wat daarmee samenhangt'. Globalisering leek er te zijn om te blijven. Zozeer zelfs dat de piepjonge politicus Jean-Jacques De Gucht in een debat tijdens de eerste jaren van deze eeuw uitriep dat globalisering een natuurlijk en onomkeerbaar proces was.

Oudere mensen wisten natuurlijk dat daar wel degelijk politieke beslissingen achter zaten. En dat blijkt intussen: de wereld lijkt opnieuw te 'deglobaliseren'. Althans, dat is wat een kleine zoektocht in documenten van de Verenigde Naties, het Internationaal Muntfonds of de Wereldhandelsorganisatie ons leerde. De cijfers wezen telkens weer in de richting van minder globalisering.

VERTROUWEN NEEMT AF

De financiële crisis van 2008 is daarbij zeker een katalysator geweest. Dat kan je duidelijk afleiden uit het volume van de internationale geldstromen. In 2007 bedroegen de internationale kapitaalstromen nog 22% van de wereldeconomie (het wereldproduct), in 2015 was het nog slechts 4,3% (na een kleine stijging sinds 2009). Het meest krompen de internationale bankleningen en andere schuldinstrumenten – een signaal van het afgenomen vertrouwen om geld te lenen aan actoren uit andere landen.

De directe buitenlandse investeringen kregen eveneens een klap na 2008, maar herstelden zich enigszins, vooral dankzij grote overnames van bestaande bedrijven. De zogenaamde 'greenfield' investeringen – bestedingen in echt nieuwe productievestigingen – zijn sinds 2008 evenwel onophoudelijk gedaald van 1.300 miljard dollar naar ruim 700 miljard dollar in 2017.

Dat blijkt uit het Wereldinvesteringsrapport 2018 van de UNCTAD, de VN-conferentie voor Handel en Ontwikkeling. De UNCTAD wijt de terugval onder meer aan de toegenomen politieke spanningen en handelsconflicten. Het Amerikaanse CFIUS (Comité inzake Buitenlandse Investeringen) treedt actiever op in het blokkeren van buitenlandse (vooral Chinese) investeringen in strategische ondernemingen. Ook in de EU is de waakzaamheid over inkomende investeringen gegroeid. In China verbood de regering dan weer uitgaande investeringen die niet meteen iets te maken hebben met de kernactiviteiten van de betrokken ondernemingen. Voor het eerst sinds 2003 namen de uitgaande investeringen van China af; en wel met een forse 36% naar 125 miljard dollar.

PRODUCTIE WORDT MINDER GLOBAAL

Veel hedendaagse producten bestaan uit onderdelen uit vele tientallen landen. Van een eenvoudig product als een blikje tomatensoep met balletjes kan het ijzer van het blik uit Brazilië komen, het papier uit Zweden, de tomaten uit Marokko, het varkensvlees uit Vlaanderen, enzovoort. Bij gesofisticeerde producten zoals gsm's of auto's is de vervlechting nog veel vertakter. Deze zogenaamde globale waardeketens of leveringsnetwerken zijn zowat het wezenskenmerk van deze tweede globalisering (de eerste liep van 1850 tot 1914) en staan eveneens onder druk. Voor het eerst in dertig jaar, zo lezen we in het Wereldinvesteringsrapport 2018 van de UNCTAD, is de internationale vervlechting in de productie afgenomen. Die vervlechting wordt onder meer gemeten door te onderzoeken welk aandeel van exportproducten bestaat uit waarde die niet in het exportland maar in andere landen werd voortgebracht: de zogenaamde buitenlandse toegevoegde waarde. Bij een iPhone die in China wordt gemaakt, gebeurt enkel de assemblage daar – mogelijks tot 95% van de waarde komt in andere landen tot stand.

Tijdens het tijdperk van de globalisering nam de buitenlandse toegevoegde waarde in exportproducten toe van, gemiddeld, 24% in 1990 naar 31% in 2012. Dat lijkt het plafond te zijn geweest; want sinds enkele jaren is het cijfer gedaald en schommelt het rond de 30%. België is ter zake overigens wereldkampioen met liefst 78% van de exportwaarde die bestaat uit buitenlandse bijdragen. Nederland, Singapore en Hong Kong volgen ons op de voet.

Die stabilisering van de internationale vervlechting in de productie strookt met de vaststelling dat de internationale handel, volgens de Wereldhandelsorganisatie, sinds de crisis van 2008 niet meer sneller groeit dan de economie. Tussen 1990 en 2008 lag de groei van de handel doorgaans minstens twee keer zo hoog als de economische groei – dat maakte van internationale handel een motor van economische groei. Sinds 2010 groeien productie en handel even snel. Even zag het er in 2017 naar uit dat de handel terug versnelde, maar de Wereldhandelsorganisatie verlaagde haar prognoses voor 2018 opnieuw (omwille van de handelsspanningen).

Een andere opmerkelijke vaststelling is dat het aantal internationale investeringsakkoorden tussen twee of meerdere landen dramatisch is teruggelopen van meer dan 200 in 1995 naar 18 in 2017. Bovendien lag het aantal effectief beëindigde internationale investeringsakkoorden met 22, in 2017 voor het eerst, hoger dan het aantal nieuw ondertekende verdragen. Een signaal dat er minder vertrouwen is in buitenlandse investeringen.

Ook opmerkelijk is dat er, volgens de UNCTAD, nog nooit zoveel landen zijn geweest die een industrieel beleid voeren. Dat geeft aan dat landen er niet op vertrouwen dat 'gewoon de markt laten spelen' voor een gunstige ontwikkeling zal zorgen.

HET POLITIEKE DISCOURS VERANDERT

Ook het politieke discours is intussen veranderd. Waar het voor politici vroeger bijna onmogelijk was om afstand te nemen van globalisering, gebeurt dat nu juist wel en dikwijls op een harde manier. Het valt op dat de landen die het startschot hebben gegeven voor de neoliberale globalisering, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, ook de eerste zijn die door hun eigen bevolking werden teruggefloten.

Brexit is de beslissing van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de EU, een hyperglobalisering in het klein met meer regels. Door Donald Trump tot president te verkiezen kregen de Verenigde Staten een leider die afstand neemt van globalisering en kiest voor een nationalistisch economisch beleid.

Ongetwijfeld is dat mede te wijten aan het feit dat beide landen de krachten van de globalisering onverdund lieten spelen, waardoor de inkomens uit arbeid er stagneerden en de ongelijkheid er veel meer toenam dan op het Europese continent of in Canada.

VOERT MEN EEN ANDERSGLOBALISTISCHE AGENDA UIT?

Kan je zeggen dat nieuwe nationalisten zoals Donald Trump en de Brexiteers de andersglobalistische agenda realiseren? Dat is maar heel gedeeltelijk het geval.

Ten eerste is de deglobalisering voor een stuk het niet-bedoelde gevolg van de financiële crisis en het verlies van vertrouwen dat ermee gepaard ging.

Ten tweede wordt door de nieuwe nationalisten alleen het 'eigen volk eerst'-aspect van de andersglobalistische agenda ter harte genomen; en dan nog in een context van vijanddenken, waardoor je in een spiraal van vergelding kan belanden waarvan je niet weet waar die eindigt.

Donald Trump wil inderdaad industriejobs die door multinationals verplaatst werden naar andere landen (vooral China) terug naar de Verenigde Staten lokken door middel van invoertarieven. Tot nu toe is die aanpak overigens geen succes. Het Amerikaanse handelstekort tegenover China bereikte een nieuw record in oktober. Wellicht omdat veel invoerders anticiperen op de nog hogere invoertarieven die begin 2019 worden verwacht en omdat de Chinese munt wat in waarde verloor (waardoor de impact van de tarieven wordt afgebot).

Andersglobalisten waren niet per se tegen een internationale herverdeling van arbeid waarbij ook industriebanen naar ontwikkelingslanden gingen. Ik hoorde het idee nog verdedigen door Belgische vakbondsleiders. Wat ze niet wilden was sociale dumping, het totale ontbreken van minimale sociale regels in de globalisering waardoor een race to the bottom kon ontstaan en de arbeiders in ontwikkelingslanden in barre omstandigheden moesten werken. Waarom kon China lid worden van de Wereldhandelsorganisatie, en dus vlot toegang krijgen tot onze markten, terwijl er geen vrijheid van vereniging en dus ook geen vakbondsvrijheid was? Dat komt later wel, vertelde Jean-Luc Dehaene als premier ons nog. 'Geef hen de tijd.' We kunnen alleen vaststellen dat de tijd weinig heeft veranderd: de onderdrukking van arbeidersactivisme is onder Xi Jinping alleen maar toegenomen.

Donald Trump of de Brexiteers hoor je overigens niet praten over een meer sociale globalisering. Hun scoop is veel beperkter, zij het dat Donald Trump in het herwerkte handelsakkoord met Mexico bedong dat in de auto-industrie een belangrijk deel van de Mexicaanse werkers een uurloon van 16 dollar moesten verdienen. Dat is trouwens meer dan het Amerikaanse minimumloon.

Naast de verloren gegane jobs, staat immigratie erg op de voorgrond bij de nieuwe nationalisten – een onderwerp dat niet prominent aanwezig was in de andersglobalistische agenda. Migranten worden gezien als bron van criminaliteit, van concurrentie om banen en van druk op sociale voorzieningen zoals onderwijs en zorg. Zowel bij de Brexit als bij de verkiezing van Donald Trump was dit wellicht de belangrijkste factor. Donald Trump beloofde een muur bouwen, Brexit zou de toevloed van Oost-Europese werkers belemmeren. Hier leunt hun agenda aan tegen de xenofobie waar Frank Vandenbroucke mij destijds voor waarschuwde toen ik hem vroeg of sp.a wel genoeg oog had voor de verliezers van de globalisering die ook bij ons bestonden, zoals ik in mijn boekje De stille dood van het neoliberalisme (2007) had aangetoond. Frank Vandenbroucke had dus gelijk dat een antiglobaliseringsretoriek makkelijk gepaard kan gaan met xenofobie en racisme. Maar zwijgen over de verliezers van de globalisering is evenmin een goede manier gebleken om xenofobie te voorkomen.

VOOR DE REST: EEN RECHTSE AGENDA

De andere elementen van de andersglobalistische agenda zijn zo goed als afwezig bij de nieuwe nationalisten. Erg belangrijk in die agenda waren ecologische bekommernissen. En ook al is de klimaatverandering alleen maar dreigender geworden, milieu ontbreekt haast volledig bij nationalisten zoals Donald Trump of Jair Bolsonaro. Vaak zijn ze zelfs eerder regressief op dat gebied: ze ontkennen klimaatverandering en nemen afstand van het Klimaatverdrag van Parijs. Hun houding grenst daarbij soms aan het irrationele. Californië werd de voorbije jaren getroffen door zeventien van de twintig ergste bosbranden in zijn geschiedenis en toch wijt Donald Trump de branden aan bosbeheer. Dat zou dan betekenen dat het bosbeheer de voorbije jaren een dramatische achteruitgang heeft gekend. De Amerikaanse president verwees naar Finland waar de bossen beter geharkt zouden worden, waarna heel Finland zich afvroeg waarover hij het had.

De bekommernis om de noordzuidkloof te dichten, zo centraal in de andersglobalistische agenda, is door Donald Trump omgezet in haat tegen China, het land dat er meer dan alle andere ontwikkelingslanden in slaagde die kloof te dichten. Het idee van een internationale herverdeling van arbeid met sociale regels is totaal afwezig. Het gaat om America First.

Ook het idee – eigenlijk de vaststelling – dat migratie via de remittances kan bijdragen tot ontwikkeling, wordt begraven onder de afkeer van migratie en immigranten. Dat bleek althans uit de negatieve reacties tegenover het VN-migratiepact. Een positieve toon over migratie werd node aanvaard door de nieuwe nationalisten.

Bij de nieuwe nationalistische internationale lijkt ook de zorg om fiscale rechtvaardigheid – eveneens een centraal geloofspunt van de andersglobalisten – zo goed als afwezig. De meeste nationalisten denken aan averechtse herverdeling – flat taxes zoals Matteo Salvini – niet aan progressieve belastingen, en al zeker niet aan de internationale samenwerking die vaak nodig is om een eerlijker fiscaliteit te bewerkstelligen. De fiscale hervorming van Donald Trump komt grotendeels de rijkste 10% van de Amerikanen ten goede en zal derhalve de al gigantische inkomensverschillen in het land verder doen toenemen.

De nieuwe nationalisten realiseren dus absoluut niet de andersglobalistische agenda. Ze doen eerder denken aan de jaren 1930 dan aan de 21e eeuw. Dat is misschien wel het belangrijkste verschil: andersglobalisme stond heel erg open voor internationale samenwerking – een internationaal netwerk van middenveldorganisaties wilde globale instellingen van koers doen veranderen; de nieuwe nationalisten zijn goed op weg om veel van wat is opgebouwd aan samenwerking en internationale instellingen te vernietigen. Dat is dramatisch. Immers, we hebben nu, anders dan in de vorige eeuw, niet meer de luxe om eerst nog eens tien jaar de nationalistische trom te roeren en oorlog te voeren: klimaatverandering wacht niet op de besognes van de mensen; samenwerking op dat terrein is onontkoombaar en heel dringend.

Bovendien is het bespelen van nationalistische emoties en groepsgevoelens altijd risicovol: je weet waar je begint, niet waar je eindigt. En je mag er niet aan denken wat oorlog zou betekenen in de 21e eeuw. Op dat gebied spelen de nieuwe nationalisten met vuur. De andersglobalisten boden een perspectief, zij het misschien al te naïef hopend op samenwerking; de nieuwe nationalisten kijken niet verder dan een nationaal socialisme. Als wij hier bij ons het maar goed hebben, de rest zijn zorgen voor later. Dat is pas echt naïef.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 16 tot 21